Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Medeplegen van moord. Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

de rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

Uitspraak



RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer : 16/029345-04

Datum uitspraak : 15 november 2005

Tegenspraak

Raadsman: mr. W.S. Ludwig

G/T: Nee

VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen, te Almere.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 01 november 2005.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Hiertoe voert de raadsman – kort gezegd en zakelijk weergegeven - de hiernavolgende verweren aan..

De raadsman stelt allereerst dat zijn cliënt [verdachte] erkent op de Clinckhoef te zijn geweest en dat er een misverstand bestond met betrekking tot de aflevering van cocaïne. [verdachte] ontkent echter dat daaruit een hoogoplopend conflict zou zijn ontstaan, het probleem zou daar ter plekke al zijn opgelost. Uit niets blijkt dat sprake is geweest van een (vooropgezet) plan, danwel dat op enig moment de tijd is geweest zich te beraden en/of rekenschap te geven van een voorgenomen plan ofwel besluit het slachtoffer [slachtoffer] (door betrokkenen ook [slachtoffer] genoemd) van het leven te beroven. Van voorbedachte rade en van moord is aldus geen sprake en ook overigens ontbreekt het motief hiertoe.

Ook is er geen sprake van medeplegen, aldus de raadsman. Het bewijs voor een nauwe, bewuste en volledige samenwerking tussen de drie verdachten ontbreekt hiervoor. Verdachte heeft bovendien überhaupt geen uitvoeringshandelingen verricht.

In casu draait het om een plotselinge escalatie van geweld doordat [A] een pistool trok.

Verdachte noch zijn medeverdachten hadden verwacht dat er wapens getrokken zouden worden. Alles ging enorm snel en op geen enkel moment is de mogelijkheid geweest zich te distantiëren van dit geweld.

Verdachte had bovendien helemaal geen weet van de aanwezigheid van pistolen bij zijn broers of van hun

Eventuele bedoelingen daarmee. Het is dan ook niet mogelijk te concluderen dat een van de verdachten door zijn handelen welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in een schietpartij terecht zou komen. Het feit dat een of meerdere verdachten -zelf een wapen bij zich had, doet daaraan niets af, aldus de raadsman.

Ook overigens heeft de raadsman van verdachte betoogd dat verdachte ten aanzien van het onder feit 1

Primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken omdat er in casu geen wettig en overtuigend bewijs

Is voor wie (van de in totaal drie verdachten) zou hebben geschoten. Bovendien zouden de fatale kogels allen uit één pistool afkomstig zijn.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is in verband met het bovenstaande verweer het volgende komen vast te staan.

Op de avond van de schietpartij is er een conflict over de levering van drugs tussen twee leveranciers, zijnde enerzijds verdachte ([verdachte] hierna te noemen [verdachte] ) en anderzijds [A] (hierna te noemen [A]) die voor het latere slachtoffer [slachtoffer] (ook wel "[slachtoffer]" genoemd) drugs verkocht.

Zie de verklaringen van enkele 'klanten': [B], [C] en [D] (dossiernummer PL0900/04-0l6497D, p. 223 t/m 239). Alle voornoemde klanten geven aan dat het conflict is ontstaan op de plaats waar de door hen bestelde drugs door de leveranciers werd afgeleverd (te weten winkelcentrum De Clinckhoef te IJsselstein). [D] verklaart dat verdachte met de bestuurder van de auto (= [A]) sprak en dat hij boos was en dat het heftig was (p. 236). [C] verklaart dat verdachte zijn telefoon leende en dat hij vervolgens iemand anders belde en sprak in een buitenlandse taal (p. 230). Uit de printlijst blijkt dat met deze, door verdachte naar zijn broer [medeverdachte 1] (= medeverdachte) is gebeld om 21.37 uur (analyse printgegevens p. 755). [B] verklaart dat hij verdachte, na voornoemd telefoongesprek, tegen hem hoorde zeggen: "wat [slachtoffer], ik zet hem zo een piepa op zijn hoofd" (p. 2p p. 237).

Uit de printlijst blijkt vervolgens dat medeverdachte ([medeverdachte 1]) om 21.42 uur naar [slachtoffer] heeft gebeld (p. 756) en daarna om 22.03 uur (printlijst p. 757) naar een andere broer (medeverdachte [medeverdachte 2], genaamd [medeverdachte 2]; hierna te noemen [medeverdachte 2]) heeft gebeld. Uit de diverse verklaringen zoals afgelegd bij de politie door zowel (mede)verdachte(n) als [A] blijkt dat [medeverdachte 1] en [slachtoffer] hebben afgesproken om elkaar die avond nog bij tramhalte Eiteren te IJsselstein te ontmoeten.

Uit de verklaring van zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] (zoals afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 05 september 2005)blijkt dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], verdachte en [E] die avond gezamenlijk in de auto naar Eiteren zijn gereden om daar [slachtoffer] en [A] te ontmoeten. Aangekomen bij Eiteren zijn alle drie de broers [broers] uitgestapt en heeft de ontmoeting met [slachtoffer] en [A] op en nabij het perron van tramhalte Eiteren om ongeveer 23.00 uur plaatsgevonden.

Uit diverse verklaringen blijkt vervolgens dat zich gedurende deze ontmoeting een ruzie heeft voorgedaan tussen met name [medeverdachte 1] en [slachtoffer]..

Hierbij is - gelet op hetgeen alle voornoemde betrokkenen en enkele buurtbewoners (dossiernummer Pl0900/04-016497D: [F] p. 130/131, [G] p. 135 t/m 138, [H] p. 141/142 en [I] p. 340/341) hebben verklaard – onomstreden vast komen te staan, dat medeverdachte [medeverdachte 1] zich (uiteindelijk) op het perron van de tramhalte bevond (hij bevestigt dit want hij heeft daar even geplast) en dat zijn verdachte en zijn broer [medeverdachte 2] op het trottoir van de tramhalte onderaan bij de trap stonden.

[A] bevond zich – zij het op enige afstand van verdachte en [medeverdachte 2] op datzelfde trottoir en [slachtoffer] bevond zich op en nabij de trap van het perron.

Uit de verklaring van [A] blijkt dat [medeverdachte 1] nadat hij op het perron geplast had, plotseling een zilverkleurig vuurwapen pakte, dit doorlaadde en als een soort van waarschuwingsschot eenmaal op de tramrails schoot. Het aantreffen van de huls tussen de rails bij het perron bevestigt deze verklaring (proces-verbaal Technische recherche PL0960/04-31003l p.59). Ook [medeverdachte 1] zelf –zie zijn verklaring bij de rechter-commissaris d.d 05 september 2005 en ter terechtzitting nogmaals herhaald - heeft verklaard dat hij die avond in het bezit was van een vuurwapen met munitie. [slachtoffer] die zich op de trap van het perron bevond, had zich inmiddels al omgekeerd en wilde de trap aflopen. [medeverdachte 1] schiet vervolgens tweemaal in de richting van [slachtoffer].

[A] verklaart tevens dat op het moment dat [medeverdachte 1] een pistool had getrokken, hij ook zag dat de andere broer van verdachte een zilverkleurig pistool in zijn hand had. [A] verklaart bovendien dat hij na de twee schoten nog een schot hoorde die kwam uit de richting van waar verdachte en zijn broer [medeverdachte 2] zich op het trottoir bevonden. De getuige (omwonende) [G] bevestigt deze verklaring van [A]; hij verklaart (D-verbaal p. 135 en bij de rechter-commissaris) dat – nadat hij één of twee knallen hoorde – hij twee personen op het trottoir achter de tramhalte zag lopen met beide lichte kleding aan en dat één van de personen die op het trottoir achter de tramhalte liep, zijn arm strekte en dat hij vervolgens twee vlammen zag in het verlengde van de uitgestrekte arm en ook weer knallen hoorde.

Vlakbij zijn auto zakt [slachtoffer] in elkaar. Uit de lijkschouwing d.d. 19 september 2004 en het sectierapport (proces-verbaal Technische recherche PL0960/04-310031 p. 94 t/m 105) blijkt dat [slachtoffer] dodelijk is getroffen door twee doorschoten van achter (rugzijde) naar voren, waarbij één van de doorschoten de rechter long en het hart heeft geperforeerd waardoor het intreden van de dood wordt verklaard. Bovendien blijkt uit onderzoek dat de schotbanen vrijwel horizontaal verlopen.

Vast staat dat [slachtoffer] door een van de op hem afgevuurde kogels dodelijk is verwond. Nu uit het voorgaande volgt dat alleen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gericht op [slachtoffer] hebben geschoten, kan het slechts [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] zijn geweest die het voor [slachtoffer] dodelijke schot heeft gelost.

De vraag wie van beiden het fatale schot heeft gelost, kan in het midden blijven indien ten aanzien van elk van hen medeplegen van moord dan wel doodslag bewezen wordt.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de omstandigheid dat [medeverdachte 2] zijn vuurwapen heeft gepakt, vrijwel direct nadat [medeverdachte 1] zijn wapen doorlaadde, op de rails schoot, kennelijk bij wijze van proefschot, en dat [medeverdachte 2] vervolgens gericht op [slachtoffer] heeft geschoten nadat [medeverdachte 1] dit ook reeds had gedaan, dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Daarbij heeft elk van beiden, zo zij al het oogmerk hadden om [slachtoffer] van het leven te beroven, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij, of één van hen, [slachtoffer] dodelijk zouden verwonden door met scherpe patronen gericht op hem te schieten. Hoewel de verdachte geen wapen heeft gehanteerd, heeft hij zich niet van de handeling van de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gedistantieerd. Verdachte heeft de tramhalte niet verlaten toen medeverdachte [medeverdachte 1] zijn pistool pakte, doorlaadde en op de rails schoot, doch hij is in de nabijheid van [medeverdachte 2] gebleven ook toen deze zijn wapen pakte en in de richting van [slachtoffer] schoot.

Voorts betrekt de rechtbank hierbij dat het verdachte was die eerder op die avond zei dat [slachtoffer] wel zou oprotten, desnoods met een "pipa", en dat hij het conflict bij [medeverdachte 1] heeft aangekaart, hetgeen tot de onderhavige ontmoeting met dodelijke afloop heeft geleid.

Uit de door de rechtbank weergegeven toedracht van het incident volgt eveneens dat verdachte en zijn medeverdachten tussen hiergenoemd conflict om de drugsklanten en het incident bij de tramhalte ruimschoots de gelegenheid hadden om zich te beraden over en zich rekenschap te geven van de betekenis en de gevolgen van het eventuele gebruik van vuurwapens tegen [slachtoffer].

Die gelegenheid bestond naar het oordeel van de rechtbank voor verdachte en zijn medeverdachten nog in voldoende mate op het moment dat [medeverdachte 1] zijn wapen pakte, doorlaadde en vervolgens op de tramrails schoot Niettemin hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vervolgens gericht op [slachtoffer] gevuurd en heeft verdachte zich daar van niet gedistantieerd.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de door de raadsman gevoerde verweren alle worden verworpen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde reit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 primair en 2 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan warden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde:

Medeplegen van moord

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat – indien de rechtbank bewezen acht dat een van de broers van verdachte op [slachtoffer] zou hebben geschoten – in casu sprake was van noodweer subsidiair noodweerexces, dan wel psychische overmacht. Hiertoe is aangevoerd dat er sprake was van een plotselinge geweldsescalatie, geïndiceerd doordat [A] een pistool trok en begon te schieten. De raadsman benadrukt – naast de stelling dat hij de verklaringen van [getuige 2] zeer onbetrouwbaar en tegenstrijdig vindt – dat op het moment dat [A] het wapen trekt al sprake zou zijn van een zodanige dreiging dat niet anders kon werden gehandeld dan gehandeld is, namelijk schieten en/of terugschieten. Daarvoor zou niet nodig zijn dat ook daadwerkelijk door [A] is geschoten, Alleen al de dreiging met ten vuurwapen is voldoende voor het aannemen van die ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding in de zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht . Indien dit niet opgaat kan volgens de raadsman gesteld worden dat op zo'n moment de dreiging zo nabij en reëel is dat men zich nier anders kan verweren zoals is gedaan. Het feit dat één van zijn broers zelf een vuurwapen voorhanden heeft gehad, staat niet in de weg aan een geldig beroep op noodweer(exces)

De rechtbank verwerpt deze stelling reeds op grond van hetgeen hierboven in de bewijsoverweging is

overwogen met betrekking tot de voorbedachte rade. Voorts merkt de rechtbank op dat op grond van de diverse verklaringen is gebleken dat het conflict zich met name voordeed tussen de broer van verdachte

([medeverdachte 1]) en [slachtoffer] en dat op het moment dat zijn broer [medeverdachte 1] het eerste (waarschuwings)schot op de tramrails loste, het slachtoffer inmiddels rechtsomkeerd had gemaakt om het perron te verlaten. Bovendien is het niet [A] (die zich op het trottoir bevond) die in deze het slachtoffer is geworden.

Hieruit volgt dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van enig of andermans lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, of onmiddellijke dreiging daarvoor, noch dat van verdachte redelijkerwijs niet kan warden gevergd anders te handelen dan hij heeft gedaan. Het beroep op noodweer en psychische overmacht worden daardoor verworpen.

Nu een noodweerconstructie niet aannemelijk is geworden, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van het beroep op noodweerexces. Ook het beroep daarop wordt verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

- Verdachte heeft op de dag van de schietpartij een conflict gehad over de verkoop van drugs met [A] (= maatje van het slachtoffer). Verdachte was boos, heeft dreigende taal geuit naar [A] en heeft vervolgens zijn broer (= medeverdachte [medeverdachte 1]) gebeld. Naar aanleiding van dit telefoongesprek is er een afspraak gemaakt met [slachtoffer] (= slachtoffer) om over het conflict te praten. Verdachte is samen met zijn broers — die in het bezit van vuurwapens met munitie waren — naar de afgesproken plaats gegaan en aldaar is er een ruzie ontstaan tussen [slachtoffer] en zijn broer ([medeverdachte 1]). Hierbij is verdachte samen met zijn andere broer ([medeverdachte 2]) direct aanwezig geweest en aanwezig gebleven. Op een gegeven moment laadt [medeverdachte 1] zijn vuurwapen door en schiet eenmaal op de tramrails, enkele minuten daarna schiet [medeverdachte 1] nogmaals minstens twee keer in de richting van het slachtoffer. Vervolgens schiet ook de broer die zich naast verdachte bevindt minstens een keer in de richting van het slachtoffer.

Het slachtoffer, die na het eerste schot op de tramrails inmiddels rechtsomkeerd had gemaakt, wordt uiteindelijk tweemaal in zijn rug geraakt, waarna hij enkele meters verderop op de parkeerplaats neervalt en ter plaatse overlijdt.

- - De schoten op het slachtoffer — die hem in de rug hebben geraakt — getuigen van een meedogenloze, doelbewuste en koelbloedige afslachting waarbij verdachte — door zich niet te distantiëren en niets te ondernemen om de schietpartij te voorkomen danwel te stoppen — mede de dood van het slachtoffer heeft beoogd. De handelingen van verdachte en zijn broers komen enkel en alleen voort uit het veiligstellen van een "eigen afzetgebied' in IJsselstein voor de verkoop van drugs en zien op niets

anders dan het behouden van eigen financieel gewin. Door te handelen als voornoemd heeft de verdachte bijgedragen aan het feit dat het slachtoffer het kostbaarste bezit heeft werd ontnomen dat hij had, te weten het leven. Hij heeft ook een groot en onherstelbaar leed toegebracht dan de nabestaanden van het slachtoffer. Bovendien is door het handelen van verdachte en zijn mededaders de rechtsorde ernstig geschokt.

- - Daarnaast heeft verdachte samen met zijn broertje [medeverdachte 1] gedurende een periode van tenminste anderhalf jaar, frequent gehandeld in harddrugs – te weten cocaïne – en deze drugs verkocht, afgeleverd en verstrekt aan allerlei afnemers, waaronder met name jongeren uit de omgeving van IJsselstein. Het is een feit van algemene bekendheid dat cocaïne schadelijk is voor de volksgezondheid. Verdachte heeft dit veronachtzaamd enkel en uitsluitend ten behoeve van het behalen van eigen financieel gewin.

- - Het handelen in drugs en de verkoop daarvan in of op openbare gelegenheden dragen bij aan het ontstaan van grote gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- De inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 september 2004, waaruit blijkt dat de verdachte nooit eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Reclassering Nederland, unit Utrecht, d.d. 30 november 2004, opgemaakt door mevr. M.L.Y.. van Eersel, reclasseringswerker;

- een omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 19 november 2004 van drs. F.C.P. Zuidhof, justitieel forensisch psycholoog, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - niet lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, zodat verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot – kort gezegd – een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Overeenkomstig artikel 51 a, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, kunnen – indien een benadeelde persoon ten gevolge van een ten aanzien van hem begaan strafbaar feit is overleden – zich voegen de personen te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen zoals bepaald in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek . Uit het door [slachtoffer] ingediende voegingsformulier met bijlagen en de ter terechtzitting gegeven toelichting volgt dat de vordering de kosten van lijkbezorging betreft, die direct dan wel uiteindelijk ten laste komen van [slachtoffer].

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering,

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge val het onder 1 primair ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 6194,90 wegens materiële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak,

Van is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 1 primair bewezenverklaarde feit.

De materiële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 6194,90.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan,

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 289 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikel 10 van de Opiumwet .

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en 2 telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TIEN JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 6194,90 (zegge zesduizend honderd vierennegentig Euro en negentig cent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 6194,90 (zegge zesduizend honderd vierennegentig Euro en negentig cent) bij gebreke v a n volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 123 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs Chr. van Linschoten, H. Manuel en R. Sluijter, bijgestaan door mr. M.P.A. Snijers als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 november 2005.

Mr R. Sluijter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature