Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Bij een projectbesluit voor een concreet bouwplan zijn "bestemmingsregels" opgenomen, die onder meer voorzien in een algemene ontheffingsmogelijkheid, de mogelijkheid van ontheffing van de bouw- en gebruikregels , een antidubbeltelregel en overgangsrecht.

In de lijn van de Afdelingsuitspraak van 1-09-210,LJN BN5725, acht de voorzieningenrechter dit in strijd met het bepaalde in artikel 3.10,derde lid, van de Wro.

Uitspraak



RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/4039

AWB 10/4040

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2011

inzake

[verzoeker A] en [verzoeker B],

te [woonplaats],

verzoekers,

gemachtigde mr. S. Maakal,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Kepers.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghouder], te [woonplaats], vergunninghouder, gemachtigde mr. M.T.C.A. Smets.

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft verweerder een projectbesluit genomen krachtens artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning aan de [adres], kadastraal bekend [kadastergegevens].

Verzoekers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 10/4040.

Bij brief van 14 december 2010 hebben verzoekers tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer AWB 10/4039.

De zaak is behandeld op de zitting van 3 maart 2011, waar [verzoeker A] is verschenen in persoon, bijgestaan door de gemachtigde en door mr. M.S. van den Berg, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Verder is verschenen de derde belanghebbende, bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, onder meer indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien de voorzieningenrechter in een dergelijk geval van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan worden gedaan in de hoofdzaak. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter gewezen.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de aanhangige hoofdzaak.

4. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

5. Op 17 juni 2010 heeft vergunninghouder een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het geheel oprichten van een woning, bestaande uit twee bouwlagen en bijgebouw. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Tongelre buiten de Ring 2005’ en de op het perceel rustende bestemming ‘Woondoeleinden’, omdat de goot- en bouwhoogte van de hoofdmassa alsmede de dakhelling anders zijn dan de voorheen bestaande situatie, de bouwhoogte van de aanbouw de maximaal toegestane bouwhoogte van 4,5 meter overschrijdt en de hoofdmassa het bouwvlak overschrijdt. Verweerder heeft daarom een ontwerpprojectbesluit en ontwerpbesluit reguliere bouwvergunning opgesteld en dit met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb ter inzage gelegd. Verzoekers hebben hiertegen op 24 augustus 2010 een zienswijze ingediend, welke verweerder heeft beantwoord in de Nota van zienswijze van september 2010, die deel uitmaakt van het thans bestreden besluit.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 3.10 van de Wro het projectbesluit – op enkele ondergeschikte punten – gewijzigd vastgesteld.

7. Verzoekers hebben zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat verweerder op onjuiste wijze gebruik heeft gemaakt van de aan hem toekomende bevoegdheid om een projectbesluit te nemen. Volgens verzoekers bevat het projectbesluit bouw- en gebruiksregels voor een groot aantal nog niet geconcretiseerde, toekomstige bouwplannen, zodat in feite sprake is van een (postzegel)bestemmingsplan. Dit is volgens verzoekers in strijd met het bepaalde in artikel 3.10, derde lid, van de Wro , zoals ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 1 september 2010, LJN <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BN5725" target="_blank">BN5725</a>. Daarnaast zijn verzoekers van mening dat, voor zover wel sprake is van een projectbesluit, dit in strijd is met de goede ruimtelijke ordening omdat het bouwplan volledig ingaat tegen het ruimtelijk beleid dat ziet op conservering van de bestaande situatie. Het huidige bouwplan past volgens verzoekers niet in (de structuur van) de omgeving. Voorts is het bouwplan volgens verzoekers in strijd met redelijke eisen van welstand, in welk kader verzoekers onder meer verwijzen naar een op hun verzoek opgesteld advies van architect ir. R.P. Moritz.

8. Ter zitting heeft zowel verweerder als vergunninghouder zich op het standpunt gesteld dat met het genomen projectbesluit alleen het desbetreffende bouwplan kan worden gerealiseerd. Het projectbesluit geeft niet de basis voor een wijziging van dit bouwplan. Het fungeert niet als een voor herhaalde toepassing bedoeld toetsingskader. Daarbij heeft verweerder gesteld dat verzoekers niet worden benadeeld door het opnemen van deze voorschriften, aangezien deze voorschriften qua inhoud overeenkomen met, dan wel niet wezenlijk verschillen van de bepalingen die zijn opgenomen in het bestemmingsplan ‘Tongelre buiten de ring 2005’. Vergunninghouder heeft daarnaast nog gesteld dat de onderhavige zaak niet vergelijkbaar is met de zaak die heeft geresulteerd in de uitspraak van de AbRS van 1 september 2010. In de zaak waarover de ABRS had te oordelen was immers nog geen sprake van geconcretiseerde bouwplannen. Dat is in de onderhavige zaak wel het geval. Het projectbesluit is slechts genomen voor het concreet voorliggende bouwplan, aldus vergunninghouder.

Verweerder en vergunninghouder stellen zich daarnaast op het standpunt dat een goede ruimtelijke ordening, noch de redelijke eisen van welstand eraan in de weg stonden het onderhavige besluit te (kunnen) nemen.

9. Het wettelijk kader, ten tijde hier van belang, luidt als volgt.

10. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

11. Artikel 44, eerste lid, van de Ww bepaalt, voor zover relevant, dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd indien:

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

12. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wro , kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat aan het besluit voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden, welke tevens kunnen strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan de gemeenteraad de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan burgemeester en wethouders. De gemeenteraad van Eindhoven heeft deze bevoegdheid bij besluit van 29 juni 2010 gedelegeerd aan verweerder.

13. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

14. In dit geding is aan de orde of verweerder met het voorliggende projectbesluit is getreden buiten de (wettelijke) grenzen die daarvoor zijn gesteld. De bij het projectbesluit opgenomen regels dienen daarvoor te worden beoordeeld. Deze regels voorzien onder meer in de (onder ‘bestemmingsregels’ opgenomen) mogelijkheid van ontheffing van de bouw- en gebruiksregels. Verder is een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen, een antidubbeltelregel en overgangsrecht.

15. Het projectbesluit maakt duidelijk dat de hier bedoelde regels onderdeel uitmaken van het projectbesluit en artikel 7 van de regels bepaalt dat de regels dienen te worden aangehaald als ‘regels van het projectbesluit Johan de Wittlaan 30’.

16. Mede gelet op de uitspraak van de AbRS van 1 september 2010 is de voorzieningenrechter van oordeel dat moet worden geconcludeerd dat verweerder hier in strijd met het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, van de Wro zijn bevoegdheid om een projectbesluit te nemen niet slechts heeft aangewend voor het verwezenlijken van een concreet project. Het projectbesluit zet niet alleen voor het desbetreffende project het geldende bestemmingsplan opzij, maar geeft extra ruimte daartoe. In het geval vergunninghouder overeenkomstig de in de regels opgenomen ontheffingsregels zijn bouwplan zou wijzigen, zou verweerder dit niet kunnen afwijzen vanwege strijd met het bestemmingsplan. Anders dan verweerder en vergunninghouder menen maakt deze extra ruimte het aldus mogelijk een ander bouwplan te realiseren. De in het projectbesluit opgenomen regels kunnen, omdat zij niet zijn toegesneden op het voorliggende bouwplan, niet worden gezien als voorschriften en beperkingen in de zin van artikel 3.10, derde lid, van de Wro . Zij hebben het karakter van een voor herhaalde toepassing geschikt ruimtelijk toetsingskader voor nog niet geconcretiseerde bouwplannen. In deze zin is de onderhavige zaak dan ook vergelijkbaar met de zaak waarover de ABRS had te oordelen.

Dat de in het projectbesluit opgenomen regels niet wezenlijk verschillen van de bepalingen van het bestemmingsplan ‘Tongelre buiten de ring 2005’, wat daar overigens van zij, kan aan het voorgaande niet afdoen.

17. De voorzieningenrechter concludeert dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen ruimte bestaat voor het finaal beslechten van het geschil, zal worden bepaald dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Aan al het overige aangevoerde wordt niet meer toegekomen.

18. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00

• wegingsfactor 1.

19. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerder aan verzoekers het door hen gestorte griffierecht ten bedrage van € 150,00 dient te vergoeden.

20. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekers het door hen gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 150,00;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. G.J. Krens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de beslissing in de hoofdzaak, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature