Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Herziening WAO-uitkering. Terecht is aangenomen dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij appellant in verband met de vastgestelde PTSS. Geen grond voor de conclusie dat vanwege het Uwv de belastbaarheid van appellant op de datum in geding is overschat. Anders dan de gemachtigde van appellant in de aanbiedingsbrief van het rapport van Timmerman stelt, kan niet worden gezegd dat objectief medisch vast staat dat sprake is van zeer ernstige hoofdpijnklachten die appellant ernstig belemmeren bij het verrichten van arbeid en dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. In het voorgaande ligt tevens besloten dat de Raad geen redenen ziet om alsnog een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

Uitspraak



10/3359 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 mei 2010, 09/1192 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft op 20 januari 2011 twee medische stukken overgelegd. Hierop zond het Uwv een reactie in van de bezwaarverzekeringsarts M. Bakker van 24 januari 2011.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011.

Appellant en zijn gemachtigde zijn – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is na zijn uitval met hoofdpijnklachten op 24 oktober 1986 in aansluiting op de wettelijke wachttijd een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke eerst werd berekend naar de klasse 25 tot 35% en met ingang van november 1994 werd herzien naar de klasse 15 tot 25%. In het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit is deze uitkering bij besluit van 21 februari 2007 met ingang van 25 januari 2007 herzien naar de klasse 25 tot 35%. Deze klasse bleef volgens het besluit van 10 december 2007 ongewijzigd met ingang van 22 februari 2007.

1.2. Appellant is naar aanleiding van een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid op 7 februari 2008 vanwege hoofdpijn op 13 juni 2008 onderzocht door de verzekeringsarts A.J. Werner. In een rapport van 13 juni 2008 gaf Werner aan dat er ten aanzien van de cognitieve functies geen bijzonderheden waarneembaar waren. Wel was er sprake van een somatoforme reactie op hoofdpijn en speelden mogelijk onverwerkte trauma’s een rol. Bij het lichamelijk onderzoek deed Werner geen bijzondere bevindingen. Volgens Werner was de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 oktober 2006 ongewijzigd van toepassing. Informatie van de behandelend neuroloog van 22 mei 2007 veranderde de visie van Werner volgens diens rapport van 30 juli 2008 niet. Het Uwv stelde bij besluit van 11 augustus 2008 vast dat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet was gewijzigd.

2. Naar aanleiding van zijn verzoek om herbeoordeling van 24 november 2008 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts I. Voûte-van der Werff. In een rapport van 13 januari 2009 gaf deze verzekeringsarts aan dat appellant altijd aanwezige hoofdpijnklachten van een wisselende intensiteit vermeldde. De belastbaarheid van appellant werd ten opzichte van de vorige beoordeling als ongewijzigd beschouwd, hetgeen werd vastgelegd in de FML van 13 januari 2009. Volgens Voûte-Van der Werff wijzigde haar conclusie niet naar aanleiding van informatie van de behandelend neuroloog van

9 februari 2009, die aangaf dat er geen objectieve bevindingen zijn die de mening van appellant staven dat het slechter met hem ging. Bij besluit van 18 februari 2009 liet het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant andermaal ongewijzigd.

3. In de bezwaarprocedure verrichtte de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal op 5 mei 2009 zelf een medisch onderzoek. Na weging van de beschikbare medische gegevens en de bevindingen van zijn medisch onderzoek, dat zich in het bijzonder op de psychische kant richtte, concludeerde Admiraal in een rapport van 5 mei 2009 dat er geen aanleiding was het oordeel van Voûte-Van der Werff te herzien. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 8 mei 2009 het tegen het besluit van

18 februari 2009 gemaakte bezwaar ongegrond.

4.1. In de beroepsprocedure heeft appellant een rapport van de bedrijfsarts/medisch adviseur S.G. Hekkert van

10 december 2009 overgelegd. Volgens Hekkert, die appellant op 3 december 2009 onderzocht, gaat het bij de hoofdpijnklachten van appellant in feite om een al vele jaren bestaand complex van gezondheidsklachten die het sociale leven en het privéleven van appellant ingrijpend negatief beïnvloedden. De tot nog toe gegeven behandeling met medicatie heeft geen oplossing gebracht. Volgens Hekkert is sprake van een chronisch posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) en is appellant ten tijde van zijn onderzoek arbeidsongeschikt. In een brief van 19 januari 2010 onderschreef de behandelend psychiater de door Hekkert voorgestelde EMDR-therapie .

4.2. De in rubriek I vermelde bezwaarverzekeringsarts Bakker zag op 24 februari 2010 in de informatie van Hekkert geen aanleiding tot wijziging van het standpunt van het Uwv omdat de door Hekkert vermelde gegevens overeenkwamen met die van het onderzoek van Admiraal.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 8 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. Daarbij ging zij ervan uit dat de datum in geding bij het bestreden besluit 24 november 2008 was.

5.2. De rechtbank volgde de visie van Bakker over het rapport van Hekkert en zag – mede onder verwijzing naar de in overweging 2 vermelde informatie van de behandelend neuroloog – geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van Admiraal.

6. In hoger beroep is namens appellant het standpunt gehandhaafd dat er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij appellant in verband met de vastgestelde PTSS. Mede gelet op de in hoger beroep overgelegde rapporten van de psychiater dr. L. Timmerman van 13 januari 2011 en de behandelend klinisch psychooloog

J.C. Walraven van 12 januari 2011 concludeert de gemachtigde van appellant dat de beperkingen van appellant zijn onderschat en dat onderzoek door een onafhankelijk deskundige gewenst is.

7.1. De Raad stelt voorop met de gemachtigde van het Uwv van oordeel te zijn dat de datum in geding bij het bestreden besluit is gelegen op 22 december 2008, zijnde vier weken na de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Deze datum is immers in dit geval de in aanmerking te nemen datum bij de toepassing van de verkorte wachttijd op grond van artikel 39a van de WAO , welk artikel blijkens het bestreden besluit aan de in geding zijnde beoordeling ten grondslag ligt.

7.2. De Raad heeft in het hoger beroep van appellant geen aanleiding gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan dat van de rechtbank. In dit verband acht de Raad in het bijzonder van belang het in hoger beroep overgelegde en in overweging 6 vermelde rapport van Timmerman. Naar aanleiding van gerichte vragen van de gemachtigde van appellant stelde Timmerman op basis van zijn onderzoek op 12 januari 2011 vast dat bij appellant sprake is van een PTSS met een chronisch beloop en een pijnstoornis gebonden aan psychische factoren. De klachten en beperkingen van betrokkene zijn volgens Timmerman door de verzekeringsartsen van het Uwv herkend en met de door hen geformuleerde belastbaarheid kon Timmerman instemmen. Volgens Timmerman moet appellant in staat worden geacht met inachtneming van de vastgestelde beperkingen te werken in een regulier dienstverband. Ten slotte achtte Timmerman appellant op psychische gronden wel in staat om hele dagen te werken, maar het viel niet te zeggen in hoeverre de hoofdpijn van appellant daarbij interfereert. Gelet op dit rapport en op de reactie van Bakker daarop is er naar het oordeel van de Raad geen grond voor de conclusie dat vanwege het Uwv de belastbaarheid van appellant op de datum in geding is overschat. Anders dan de gemachtigde van appellant in de aanbiedingsbrief van het rapport van Timmerman stelt, kan niet worden gezegd dat objectief medisch vast staat dat sprake is van zeer ernstige hoofdpijnklachten die appellant ernstig belemmeren bij het verrichten van arbeid en dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. In het voorgaande ligt tevens besloten dat de Raad geen redenen ziet om alsnog een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

7.3. De overwegingen 7.1 en 7.2 brengen de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) N.S.A. El Hana.

JL


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature