Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Uitspraak



10/3850 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 mei 2010, 08/357 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 25 januari 2011 heeft mr. Van der Veen meegedeeld zich terug te trekken als gemachtigde van appellante.

Appellante heeft nog een stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011.

Appellante is verschenen, bijgestaan door [A.], wonende te [woonplaats], en [M.], wonende te [woonplaats]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als groepsleerkracht in het basisonderwijs toen zij zich in het voorjaar van 1996 ziek meldde met diverse klachten na een auto-ongeval. Op haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd werd afwijzend beslist. Hierin heeft appellante berust. Vanuit een situatie van het ontvangen door appellante van wachtgeld – appellante was in februari 1999 ontslagen – heeft zij zich op 22 november 1999 opnieuw ziek gemeld met nek- en schouderklachten, duizeligheid en evenwichtsstoornissen. Na een aanvankelijke weigering haar een WAO-uitkering toe te kennen heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 8 februari 2006, na een bezwaar-, beroeps- en hoger beroepsprocedure, aan appellante met ingang van 20 november 2000 een WAO-uitkering toegekend naar de klasse 25 tot 35%.

2. Bij besluit van 23 november 2006 heeft het Uwv appellante naar aanleiding van haar ziekmelding van 2 oktober 2006 meegedeeld dat haar WAO-uitkering van minder dan 45% niet wordt verhoogd na een wachttijd van 4 weken omdat de melding niet is gedaan binnen 5 jaar na de ingangsdatum (20 november 2000) van de in overweging 1 vermelde, uiteindelijk aan appellante toegekende WAO-uitkering.

3.1. In de bezwaarprocedure tegen het besluit van 23 november 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts N. Visser op

19 september 2007 rapport uitgebracht. Dit rapport betrof tevens onder andere een beoordeling van een ziekmelding van appellante op 29 augustus 2001, welke melding bij besluit van 22 september 2006 niet tot wijziging van de arbeidsongeschiktheidsklasse had geleid.

3.2. Visser kreeg de beschikking over het journaal van de huisarts over de periode van 1 september 2003 tot en met augustus 2007. Daarin was onder meer sprake van een volgens de KNO-arts voorbijgaande functionele dysfonie in 2004 en van blauwe handen in 2006. Visser leidde uit het huisartsjournaal af dat er bij onderzoek aan de handen geen ernstig afwijkende bevindingen of functionele problemen zijn beschreven. Zij woog alle beschikbare medische gegevens en concludeerde dat er sinds de beoordeling per 20 november 2000 niets wezenlijks was gewijzigd. De beperkingen legde Visser vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 januari 2008. Vervolgens berekende de bezwaararbeidsdeskundige L.H.L. Stiekema in een rapport van 29 februari 2008 dat bij functieduiding het verlies aan verdienvermogen 50% was. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 29 februari 2008 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 november 2006 ongegrond. Daaraan legde het Uwv ten grondslag dat bij besluit van 23 november 2007, genomen op het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2006, was bepaald dat appellante met ingang van

28 augustus 2002 45 tot 55% arbeidsongeschikt moest worden beschouwd en dat deze klasse met ingang van

30 oktober 2006 ongewijzigd bleef. Als wettelijke grondslag vermeldde het Uwv onder andere artikel 38 van de WAO .

4.1. In beroep legde appellante een medische verklaring van de behandelend zenuwarts dr. J. Bouwers van 9 oktober 2008 over. Deze verklaring bevatte een structuurdiagnose. Voorts gaf Bouwers aan dat appellante op de door hem voorgeschreven medicatie relatief goed reageerde en concludeerde hij dat appellante hooguit in staat was tot een zeer beperkte arbeidsprestatie wat betreft aard, duur en stress zonder de minste vorm van financiële of prestatiedruk.

4.2. In reactie op de in 4.1 vermelde verklaring gaf Visser in een rapport van 15 oktober 2008 – onder verwijzing naar een richtlijn uit 2004 van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie – uitleg over de betekenis van een zogenoemde structuurdiagnose. Haars inziens bevatte deze structuurdiagnose een grote mate van overeenkomst met de eerder door de zenuwarts J.M.E. van Zandvoort in een rapport van 24 januari 2001 vermelde gesomatiseerde bestaansonvrede en leidde Visser uit de ingestelde therapie en de reactie van appellante daarop af dat geen sprake was van een ernstiger beeld dan waarvan zij uitging. De conclusie van Bouwers over de mogelijkheden van appellante om arbeid te verrichten achtte Visser in het licht van het gestelde in zijn reactie onvoldoende onderbouwd en zij zag in die verklaring dan ook geen aanleiding tot een gewijzigde opvatting over de belastbaarheid van appellante.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond.

5.2. De rechtbank kwam op basis van de beschikbare medische gedingstukken en onder verwijzing naar het rapport van Visser van 19 september 2007 tot het oordeel dat niet aan twijfel onderhevig was dat de eerder vastgestelde belastbaarheid van appellante ook op 30 oktober 2006 van toepassing was en zij volgde Visser in haar reactie op de verklaring van Bouwers.

5.3. Uitgaande van de juistheid van de door Visser vastgestelde medische beperkingen van appellante onderschreef de rechtbank voorts de motivering door Stiekema in het rapport van 29 februari 2008 van de medische geschiktheid van de aan appellante geduide functies.

6. In hoger beroep heeft de voormalige gemachtigde van appellante de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze komen erop neer dat de voor appellante op de datum bij het bestreden besluit in geding in aanmerking genomen beperkingen niet goed zijn vastgesteld en dat appellante als volledig arbeidsongeschikt diende te worden beschouwd. Voorts heeft appellante ter zitting uitvoerig haar ziektegeschiedenis uiteengezet

7.1. De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanknopingspunten gezien om een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit te geven dan het oordeel van de rechtbank. Dit oordeel van de rechtbank, dat samengevat is weergegeven in overweging 5.2, maakt de Raad dan ook tot het zijne. Hij merkt daarbij nog op dat in hoger beroep door of namens appellante geen nadere medische gegevens zijn overgelegd die een ander licht zouden kunnen doen schijnen op de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding. Ook in de uitvoerige uiteenzetting ter zitting door appellante van haar ziektegeschiedenis, zoals ook toegelicht in de door haar ter zitting overgelegde, door haar opgestelde verslagen, heeft de Raad – hoe begrijpelijk deze uiteenzetting op zichzelf ook maakt op welke wijze appellante haar levensloop sinds het haar overkomen ongeval heeft ervaren – geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat door Visser de voor appellante op de datum in geding geldende beperkingen zijn onderschat.

7.2. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft ook de Raad – evenals de rechtbank – geen twijfel over de motivering en conclusies van Stiekema inzake de medische geschiktheid van de appellante geduide functies. Hiertegen heeft appellante overigens ook geen afzonderlijke gronden ingebracht.

7.3. Mede gelet op het verhandelde ter zitting stelt de Raad overigens nog vast dat appellante geen beroep heeft ingesteld onderscheidenlijk bezwaar heeft gemaakt tegen de besluitvorming van het Uwv die ertoe heeft geleid dat zij is ingedeeld met ingang van 23 november 2006 in de klasse 15 tot 25% respectievelijk met ingang van 22 februari 2007 in de klasse 25 tot 35%.

7.4. Gelet op de overweging 7.1 tot en met 7.3 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) N.S.A. El Hana.

GdJ


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature