Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De (inmiddels vervallen) Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude noch enige andere rechtsregel staat eraan in de weg dat het Openbaar Ministerie een vervolging ter zake van het misdrijf van artikel 227b Wetboek van Strafrecht instelt en voortzet indien de door of namens de verdachte aanhangig gemaakte bestuursrechtelijke procedure naar aanleiding van de terugvordering van de uitgekeerde bedragen nog niet tot een onherroepelijke uitspraak heeft geleid. Voor zover de raadsman heeft bedoeld aan te voeren dat strafvervolging pas kan worden ingesteld indien en nadat de bestuursrechter heeft geoordeeld dat door de schending van de informatieplicht niet langer kan worden vastgesteld of recht op een uitkering bestaat, wordt miskend dat het in een geval als het onderhavige aan de strafrechter is te oordelen of de bestanddelen van artikel 227b Wetboek van Strafrecht zijn vervuld en dat tot die bestanddelen niet behoort dat het recht op een uitkering niet langer kan worden vastgesteld.

Onbevoegdelijke uitoefening van controlebevoegdheden niet aannemelijk.

De stelling van de raadsman dat de verdachte niet verplicht was de door haar gewerkte uren op te geven aan de uitkeringsinstantie, omdat die informatie “via de belastingdienst en/of het UWV danwel bij de werkgever” opgevraagd had kunnen en moeten worden, vindt geen steun in het recht.

Uitspraak



parketnummer: 23-003979-09

datum uitspraak: 10 februari 2011

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-480232-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op[1980]

adres: [woonplaats]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 augustus 2009 en op de terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode vanaf 01 maart 2004 tot en met 30 april 2008 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift (te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Gemeente Amstelveen, immers heeft zij (in die periode en op die plaats) geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst medegedeeld of kenbaar gemaakt dat zij, verdachte, werkzaamheden verrichtte en/of had verricht en/of (oncontroleerbare) inkomsten ontving en/of had ontvangen, zijnde dit gegeven(s) waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien, zo begrijpt het hof zijn betoog, het Openbaar Ministerie tot vervolging van de verdachte is overgegaan -en die vervolging heeft voortgezet- voordat de bestuursrechter zich bij onherroepelijke uitspraak heeft uitgelaten over de vraag of de verdachte enige informatieplicht heeft geschonden. De Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude schrijft immers voor dat van (verdere) vervolging moet worden afgezien in het geval de bestuursrechter de beslissing tot terugvordering van de uitgekeerde bedragen vernietigt en niet uitgesloten is dat de Centrale Raad van Beroep de ten aanzien van de verdachte genomen beslissing tot terugvordering zal vernietigen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent dat noch voornoemde (inmiddels vervallen) Richtlijn noch enige andere rechtsregel eraan in de weg staat dat het Openbaar Ministerie een vervolging ter zake van het misdrijf van artikel 227b Wetboek van Strafrecht instelt en voortzet indien de door of namens de verdachte aanhangig gemaakte bestuursrechtelijke procedure naar aanleiding van de terugvordering van de uitgekeerde bedragen nog niet tot een onherroepelijke uitspraak heeft geleid. Voor zover de raadsman nog heeft bedoeld aan te voeren dat een strafvervolging pas kan worden ingesteld indien en nadat de bestuursrechter heeft geoordeeld dat door de schending van de informatieplicht niet langer kan worden vastgesteld of recht op een uitkering bestaat, wordt miskend dat het in een geval als het onderhavige aan de strafrechter is te oordelen of de bestanddelen van artikel 227b Wetboek van Strafrecht zijn vervuld en dat tot die bestanddelen niet behoort dat het recht op een uitkering niet langer kan worden vastgesteld.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewijsverweren

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat het bewijs in de onderhavige zaak onrechtmatig is verkregen, aangezien toezichtsbevoegdheden zijn aangewend -waaronder “waarnemingen ter plaatse” en een gesprek met de verdachte- toen reeds sprake was van verdenking van uitkeringsfraude, de desbetreffende ambtenaren van de sociale recherche niet bevoegd waren tot uitoefening van die bevoegdheden en de aan de verdachte als zodanig toekomende waarborgen niet in acht zijn genomen, nu haar bij haar eerste “verhoor” niet de cautie is gegeven. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit standpunt betoogd dat voor de uitoefening van toezichtsbevoegdheden door sociaal rechercheurs geen wettelijke basis bestaat, dat in de bevoegdheid tot aanwijzing van toezichthouders pas is voorzien bij de op 1 januari 2008 in werking getreden Verzamelwet SZW-wetgeving, dat het Aanwijzingsbesluit toezichthouders Wet werk en bijstand voor Amsterdam pas op 1 oktober 2009 in werking is getreden en bovendien in dit Besluit alleen handhavingsspecialisten -en niet medewerkers van de sociale recherche- zijn aangewezen als toezichthouders, nog daargelaten dat het Aanwijzingsbesluit niet op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen.

Een en ander moet leiden tot bewijsuitsluiting en derhalve tot vrijspraak van de verdachte, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor zover het verweer berust op de stelling dat het bewijs in deze zaak is vergaard door de sociale recherche door middel van de uitoefening van alleen aan toezichthouders toekomende bevoegdheden mist het feitelijke grondslag, nu blijkens het dossier door de sociale recherche -naar aanleiding van een anonieme tip en de kennelijk daarna verrichte controle (dossierpagina’s 228-231), en aan de hand van het bij de gemeente Amstelveen, afdeling Werk en Inkomen, beschikbare dossier over de verdachte- een opsporingsonderzoek is gestart en niet aannemelijk is geworden dat onbevoegdelijk controlebevoegdheden zijn uitgeoefend. Het hof wijst daarbij in het bijzonder op:

- de “waarnemingen ter plaatse”, dat wil zeggen de observaties van de verdachte in het restaurant waar zij werkzaam was, [restaurant] welke observaties zijn verricht op grond van artikel 126g Wetboek van Strafvordering in de periode van 17 januari 2008 t /m 1 april 2008 na een daartoe strekkend bevel van de officier van justitie (dossierpagina’s 185 en 190 t/m 226);

- de verhoren van andere betrokkenen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek na de aanhouding van de verdachte (dossierpagina’s 158-180).

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Het gesprek van medewerkers van de gemeente Amstelveen met de verdachte op 24 januari 2007 (dossierpagina 228) vond plaats kort nadat de anonieme tip over zwart werken door de verdachte was binnengekomen bij de gemeente. De medewerkers konden er in redelijkheid van uitgaan dat toen nog geen verdenking ter zake van een strafbaar feit bestond, zodat de verdachte geen als zodanig toekomende waarborg is onthouden en het verweer ook in zoverre wordt verworpen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verdachte bij haar verhoren in strijd met de geldende Salduz-jurisprudentie niet op haar recht op consultatie van een raadsman is gewezen, zodat de bij gelegenheid van deze verhoren afgelegde verklaringen niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De twee door de verdachte op 21 april 2008 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen zullen niet voor het bewijs worden gebezigd, aangezien niet kan blijken dat de verdachte is gewezen op haar recht een advocaat te consulteren.

Blijkens het van het eerste verhoor van de verdachte op 22 april 2008 opgemaakte proces-verbaal heeft de verdachte op enig moment voorafgaand aan dat verhoor een advocaat gesproken, zodat de verklaringen die zij op die dag heeft afgelegd voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Tot slot heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet verplicht was de door haar gewerkte uren op te geven aan de uitkeringsinstantie, omdat die informatie “via de belastingdienst en/of het UWV danwel bij de werkgever” opgevraagd had kunnen en moeten worden.

Dit standpunt vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht, zodat het verweer wordt verworpen.

De raadsman heeft nog een beroep gedaan op schending van de artikelen 6 en 8 EVRM, maar nu hij dit niet nader heeft geconcretiseerd, gaat het hof daaraan voorbij.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode vanaf 1 maart 2004 tot en met 30 april 2008 te Amstelveen, in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand , opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Gemeente Amstelveen, immers heeft zij in die periode en op die plaats gedeeltelijk niet aan genoemde dienst medegedeeld of kenbaar gemaakt dat zij, verdachte, werkzaamheden verrichtte en/of had verricht en/of inkomsten ontving en/of had ontvangen, zijnde dit gegevens waarvan zij wist dat deze van belang waren voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand - dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest en een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gedurende een periode die zich uitstrekte over een groot aantal jaren zich schuldig gemaakt aan -kort gezegd- bijstandsfraude. Daardoor heeft zij ernstig misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel. Zij heeft zichzelf bevoordeeld ten koste van de gemeenschap en heeft het vertrouwen waarop het stelsel van sociale voorzieningen in Nederland is gebaseerd, geschaad.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 januari 2011 is zij geruime tijd geleden één keer veroordeeld ter zake van diefstal.

Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 227b van het Wetboek van Strafrecht .

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 100 (honderd) uren.

Beveelt dat bij niet naar behoren verrichten van de taakstraf, deze wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. A.M. van Woensel en mr. J.H. de Graaf, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 februari 2011.

Mr. A.M. van Woensel en J.H. de Graaf zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature