Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Nadere vaststelling geboorte datum artikel 1:24 BW

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 oktober 2010

Zaaknummer : 200.048.253/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 08-2565

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.H. van Akenborgh te Rotterdam.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats],

zetelend te [woonplaats],

hierna te noemen: de ambtenaar,

2. het Openbaar Ministerie in het arrondissement [woonplaats],

waarvoor ingevolge artikel 43, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

in het hoger beroep in de plaats treedt: de advocaat-generaal bij het

gerechtshof ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: het openbaar ministerie.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 16 oktober 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 juli 2009 van de rechtbank Rotterdam.

De ambtenaar heeft op 23 december 2009 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is op 10 september 2010 de conclusie van de advocaat-generaal namens het openbaar ministerie ingekomen. Het openbaar ministerie heeft in de begeleidende brief medegedeeld dat de advocaat-generaal niet ter terechtzitting zal verschijnen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 24 november 2009 aanvullende stukken ingekomen, alsmede op 13 september 2010 een brief ter correctie van een verschrijving in het beroepschrift.

Op 15 september 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en (namens) de ambtenaar: mevrouw [naam]. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

Zowel het hof als de ambtenaar heeft tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling het op verzoek van het hof door de advocaat van de vrouw meegebrachte, gelegaliseerde, authentieke afschrift van de geboorteakte van de vrouw (afgegeven op 2 mei 2003) ingezien. Het hof heeft een door de griffier gewaarmerkte kopie van het betreffende stuk, in het dossier gevoegd, en, na inzage, het stuk teruggegeven aan de vrouw.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw, ertoe strekkende dat de rechtbank aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats] zal gelasten dat het register van geboorte wordt aangevuld met een akte van geboorte betreffende na te noemen minderjarige, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de aanvulling van het register van geboorten van de gemeente [woonplaats] met een akte van geboorte van [naam minderjarige], geboren te [woonplaats] (hierna: de minderjarige).

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en voor zover nodig met aanvulling of verbetering van de rechtsgronden haar verzoek in eerste aanleg alsnog toe te wijzen.

3. De vrouw stelt in haar eerste en tweede grief dat de rechtbank in eerste aanleg aan haar toenmalige advocaat een brief heeft verzonden waarin zij (nogmaals) tot 13 juli 2009 in de gelegenheid werd gesteld om een aantal stukken te overleggen. De rechtbank heeft volgens de vrouw ten onrechte niet nader gereageerd op het verzoek van de nieuwe advocaat van de vrouw van 13 juli 2009 om uitstel voor indiening van stukken. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte uitspraak heeft gedaan, zonder motivering. Volgens de vrouw is er sprake van verzuim van vormen, welke nietigheid van de beslissing met zich mee brengt.

4. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de rechtbank bij brief van 15 juni 2009 aan de vrouw heeft verzocht om uiterlijk 13 juli 2009 aanvullende stukken in te sturen. Deze brief bevindt zich in het dossier zoals dit thans voorligt aan het hof. In het dossier bevindt zich tevens een brief van de zijde van de vrouw van 13 juli 2009 waarin wordt gevraagd om uitstel voor het indienen van stukken. Het hof kan niet vaststellen of en wanneer laatstgenoemde brief bij de rechtbank is binnengekomen en of de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het verzoek om uitstel van de vrouw. Het hof zal zijn beslissing nemen mede op grond van de in hoger beroep overgelegde stukken waardoor het door de vrouw gestelde in eerste aanleg ontstane gebrek in ieder geval in hoger beroep is hersteld. De eerste en tweede grief van de vrouw falen derhalve.

5. In haar derde grief betwist de vrouw dat de geboortedatum van de minderjarige niet duidelijk uit de door haar overgelegde stukken blijkt zodat haar verzoek tot aanvulling van het register van geboorten van de gemeente [woonplaats] met de geboorteakte van de minderjarige ten onrechte is afgewezen.

6. Het openbaar ministerie heeft in zijn conclusie gesteld dat de vrouw thans aan de voorwaarden die de ambtenaar in zijn verweerschrift in eerste aanleg had gesteld, heeft voldaan door een afschrift van haar geboorteakte over te leggen waaruit blijkt dat de vrouw op het moment van de geboorte ongehuwd was en nooit gehuwd is geweest. Daarnaast is volgens het openbaar ministerie genoegzaam aangetoond dat de minderjarige is geboren op 6 april 2002, zeker nu in het overdrachtsschrijven, van 7 mei 2002, van de gynaecoloog [Y] staat vermeld dat de vrouw op 7 april 2002 is goede conditie met haar kind de kliniek heeft verlaten. Hetgeen naar het oordeel van het openbaar ministerie op grond van algemene ervaringsregels onmogelijk wordt geacht indien de vrouw op 7 april 2002 om 23.32 uur zou zijn bevallen van haar kind. Het openbaar ministerie concludeert dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het hof het verzoek van de vrouw moet toewijzen.

7. De ambtenaar heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat er ook in hoger beroep nog steeds onduidelijkheid bestaat over de geboortedatum van de minderjarige. De stukken van het ziekenhuis die de vrouw heeft overgelegd sluiten niet uit dat de minderjarige op 7 april 2002 is geboren. Verder heeft de vrouw nog niet haar eigen originele geboorteakte overgelegd. De ambtenaar heeft slechts een onvolledige kopie van de geboorteakte van de vrouw mogen ontvangen, hetgeen onvoldoende is volgens de ambtenaar.

8. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken, met name uit de verklaring van geboorte, opgemaakt op 31 juli 2007 en ondertekend door gynaecoloog [X], alsook de verklaring van gynaecoloog [Y] van 28 juni 2007, blijkt naar het oordeel van het hof dat de minderjarige is geboren op 6 april 2002 (om 23.32 uur). De overige stukken die door de vrouw zijn overgelegd, de brief van 7 mei 2002 van de gynaecoloog [Y] en de “samenvatting verloop graviditeit, partus en kraambed” van de verloskundige tonen weliswaar een van 7 april 2002 naar 6 april 2002 gecorrigeerde geboortedatum van de minderjarige, maar het hof acht het, met het openbaar ministerie, op grond van algemene ervaringsregels hoogst onwaarschijnlijk indien de vrouw op 7 april 2002 om 23.32 uur zou zijn bevallen van haar kind om vervolgens, zoals blijkt uit de verklaring van de gynaecoloog [Y] van 7 mei 2002, op 7 april 2002 in goede conditie met haar kind de kliniek te verlaten. Het tijdstip van de geboorte is onbestreden gebleven. Het hof zal derhalve de geboortedatum van de minderjarige vaststellen op 6 april 2002.

9. Zowel het hof als de ambtenaar hebben ter zitting geconstateerd dat uit het door de vrouw ter terechtzitting getoonde authentieke afschrift van de geboorteakte van de vrouw kan worden afgeleid dat de vrouw in het jaar 2002, ten tijde van de geboorte van de minderjarige, niet gehuwd was en nimmer gehuwd is geweest. De ambtenaar heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat, indien het hof de geboortedatum van de minderjarige vaststelt, de ambtenaar thans over voldoende gegevens beschikt om tot aanvulling van het register van geboorten van de gemeente [woonplaats] met de geboorteakte van de minderjarige over te gaan.

Gelet hierop zal het hof de geboortedatum van de minderjarige vaststellen en de ambtenaar gelasten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:24 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek , een akte van geboorte betreffende de minderjarige op te maken.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de geboorte datum van [naam minderjarige], geboren te [woonplaats] op: 6 april 2002;

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats] om een akte van geboorte op te maken betreffende: [naam minderjarige] voornoemd;

verstaat dat de griffier niet eerder dan drie maanden na heden, en slechts indien geen cassatie is ingesteld, een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar zendt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Van Dijk en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2010.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature