Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Vervangende toestemming tot medische behandeling van de minderjarige.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 16 februari 2011

Zaaknummer : 200.078.130/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 10-1248

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.C. van ‘t Hek te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,

tegen

de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming,

gevestigd te Amersfoort,

optredend namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

kantoorhoudende te Dordrecht,

hierna te noemen: de SGJ,

advocaat mr. M. Kramer te Amsterdam.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam,

2. [belanghebbenden],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

regio Rotterdam-Rijnmond,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 1 december 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 september 2010 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De SGJ heeft op 11 januari 2011 een verweerschrift ingediend.

De vader heeft op 12 januari 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 14 december 2010 een brief van 14 december 2010 met bijlagen;

- op 22 december 2010 een brief van 22 december 2010 met bijlage.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 16 december 2010 een brief van 15 december 2010 ingekomen, waarbij is medegedeeld dat de raad niet ter terechtzitting zal verschijnen.

De zaak is op 26 januari 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw E. van Rijssen (de gezinsvoogd) en mevrouw C. Romijn namens de SGJ, bijgestaan door de advocaat van de SGJ;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming verleend voor medische behandeling van de hierna te noemen minderjarige.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de vervangende toestemming voor de medische behandeling van de minderjarige [de minderjarige], geboren [in 2003] te [geboorteplaats], hierna te noemen de minderjarige. De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.

2. De moeder verzoekt, indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het verzoek tot vervangende toestemming niet aan de daarvoor geldende vereisten voldoet, waardoor de bestreden beschikking automatisch dient te worden vernietigd en subsidiair de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het verzoek tot vervangende toestemming, wegens onvoldoende daarvoor bestaande gronden, niet zal worden toegewezen.

3. De SGJ bestrijdt het beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en zowel het primaire als het subsidiaire verzoek van de moeder strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

4. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt het beroep van de moeder af te wijzen, kosten rechtens.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat een medische behandeling van de minderjarige niet noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige te voorkomen. Zij betoogt dat de kinderrechter onvoldoende heeft gemotiveerd waar het ernstige gevaar voor de gezondheid van de minderjarige uit bestaat. Volgens de moeder mag het feit dat de minderjarige onhoudbaar is in het pleeggezin geen argument zijn om haar te laten behandelen bij het RMPI. De moeder stelt dat er een goed alternatief is, namelijk het terugplaatsen van de minderjarige bij haar thuis. Naar de mening van de moeder heeft de kinderpsychiater in augustus 2009 te snel conclusies getrokken omdat hij de minderjarige slechts één keer heeft gezien. Zij stelt voorts dat ten onrechte niet met de minderjarige is gesproken over haar mening en wensen. De moeder verzoekt haar op grond van artikel 810a lid 1 van het Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in de gelegenheid te stellen een deskundigenrapport over te leggen.

6. De SGJ stelt zich op het standpunt dat het in het belang van de minderjarige is dat zij zo spoedig mogelijk wordt behandeld bij het RMPI. De SJG betreurt het dat de moeder de situatie wenst te verklaren vanuit veronderstelde onmacht van de pleegouders. Naar de mening van de SGJ ontkent de moeder hiermee feitelijk de zorgelijke thuissituatie waarvan de minderjarige vier jaar lang deel heeft uitgemaakt en tevens de zorgelijke ontwikkeling van de minderjarige. De SGJ wijst erop dat door twee kinderpsychiaters is vastgesteld dat de minderjarige een reactieve hechtingsstoornis heeft en dat een klinische opname noodzakelijk is. Er zijn geen alternatieven voorhanden, aldus de SGJ. De SGJ benadrukt dat het gehele traject tot aan de diagnose veel uitgebreider is geweest dan door de moeder wordt beweerd. Een nieuw deskundigenonderzoek zal de opname bij het RMPI nog meer vertragen en de plaats van de minderjarige op de wachtlijst in gevaar brengen. De SGJ acht dit geenszins in het belang van de minderjarige.

7. De vader stelt dat uit de verklaringen van de twee kinderpsychiaters duidelijk blijkt dat behandeling van de minderjarige noodzakelijk is om ernstig nadeel voor haar emotionele ontwikkeling te beperken. Hij neemt deze verklaringen zeer serieus en roept de moeder op dit ook te doen. Het baart de vader zorgen dat de moeder de oorzaak van de problemen van de minderjarige zoekt bij het pleeggezin. Volgens hem gaat de moeder hiermee voorbij aan de belaste voorgeschiedenis van de minderjarige. De vader vindt het schokkend dat de moeder opmerkt dat ten onrechte niet met de minderjarige is gesproken over haar mening en wensen. Naar zijn oordeel is de minderjarige nog te jong om in dit kader een juiste afweging te kunnen maken.

Deskundigenonderzoek

8. Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek van de moeder om haar in de gelegenheid te stellen een deskundigenrapport over te leggen, welk verzoek overigens niet is geformuleerd in het petitum van het verzoekschrift, als volgt. Op grond van artikel 810a lid 1 Rv beslist de rechter in zaken betreffende minderjarigen pas nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

9. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de minderjarige de afgelopen jaren meermalen door deskundigen is onderzocht. Het hof acht het niet in haar belang om haar opnieuw aan een onderzoek te onderwerpen. Het hof zal het verzoek van de moeder om haar in de gelegenheid te stellen een deskundigenrapport over te leggen, afwijzen, omdat het belang van de minderjarige zich daartegen verzet.

Vervangende toestemming

10. Het hof overweegt als volgt. Indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaren noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het gezag heeft zijn toestemming daarvoor weigert, kan deze toestemming ingevolge artikel 1:264 van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van een stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg worden vervangen door die van de kinderrechter.

11. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat een klinische behandeling van de minderjarige bij het RMPI noodzakelijk is om ernstig gevaar voor haar gezondheid te voorkomen. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking. De minderjarige is een meisje met een zeer belaste voorgeschiedenis. In haar eerste levensjaren is zij getuige geweest van traumatische gebeurtenissen in de thuissituatie bij de vader en de moeder. Toen de minderjarige in februari 2007 bij de pleegouders werd geplaatst, maakte zij een emotioneel verwaarloosde indruk. In eerste instantie maakte de minderjarige bij het pleeggezin een positieve ontwikkeling door. Sinds enige tijd zijn er echter ernstige zorgen over haar ontwikkeling ontstaan. Zij sluit zich emotioneel gezien steeds meer af, reageert fel en jaloers en is voortdurend bezig met nadenken en anticiperen. In augustus 2009 is door een kinderpsychiater vastgesteld dat de minderjarige een reactieve hechtingsstoornis heeft. Deze diagnose is door een andere kinderpsychiater bevestigd. De beide kinderpsychiaters adviseren de minderjarige klinisch te laten behandelen bij het RMPI. Door de SGJ is uitvoerig onderzocht en overwogen of er andere, minder ingrijpende, mogelijkheden zijn om de ontwikkeling van de minderjarige alsnog om te buigen. Dit blijkt niet het geval te zijn. Indien de minderjarige niet op korte termijn wordt behandeld, zal dit ernstig nadelige gevolgen voor haar hebben. Zij loopt het gevaar volledig vast te lopen in het pleeggezin en in haar verdere ontwikkeling omdat zij niet in staat is tot het aangaan van meer emotioneel bepaalde contacten. De kans dat zij bij achterwege blijven of niet tijdig inzetten van een behandeling een voor haar ernstig nadelige gedragsstoornis zal ontwikkelen is zeer groot.

12. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de kinderrechter terecht vervangende toestemming heeft verleend voor de medische behandeling van de minderjarige. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

13. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Van Leuven en De Haan-Boerdijk, bijgestaan door mr. Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature