Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking en (mede)terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Anders dan de rechtbank, in navolging van het College, heeft geoordeeld is het onweerlegbare rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw en de WWB (...) niet van toepassing over de gehele periode vanaf 1 november 2001. Met betrekking tot de periode van 1 november 2001 tot en met 2 december 2002 blijven de rechtsgevolgen in stand.

Uitspraak



09/887 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 december 2008, 08/1912 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. van Kuijeren, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 09/881WWB, plaatsgevonden op 18 januari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Kuijeren. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Schokker, werkzaam bij de gemeente Delft. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving sinds 2 april 1998 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van de resultaten van een bestandskoppeling in het kader van het project “Waterproef” heeft de sociale recherche van de gemeente Delft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Daarbij heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, is bij diverse instanties (waaronder Eneco) om inlichtingen verzocht, zijn observaties verricht, zijn buurtbewoners gehoord en heeft [v. W.] (hierna: [v. W.]) een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 juni 2007.

1.3. Op grond van deze onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 1 augustus 2007 de bijstand van appellant over de periode van 1 november 2001 tot en met 30 april 2007 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van appellant tot een bedrag van € 72.465,91 teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant in die periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [v. W.] zonder daarvan melding te maken bij het College. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft het College, met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, mede van appellant teruggevorderd een bedrag van € 37.758,32 eveneens wegens een verzwegen gezamenlijke huishouding met [v. W.] in verband met de aan deze over de periodes van 1 november 2001 tot en met 3 augustus 2002 en van 12 februari 2003 tot en met 30 juni 2005 verleende bijstand.

1.4. Bij besluit van 6 februari 2008 heeft het College de tegen beide besluiten van 1 augustus 2007 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat uit de relatie van appellant en [v. W.] een kind is geboren, zodat voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voldoende is dat appellant en [v. W.] ten tijde in geding beiden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 februari 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt naar aanleiding van de aangevoerde gronden en het verhandelde ter zitting tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en de WWB bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw en de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.3. De Raad heeft al eerder geoordeeld (zie de uitspraak van 17 april 2007, LJN BA3329) dat voor de toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw en de WWB, gelet op de verstrekkende gevolgen van het aannemen van een onweerlegbaar rechtsvermoeden daaraan geen verdergaande betekenis toekomt dan in de tekst van de betrokken bepaling tot uitdrukking is gebracht. Dit betekent dat in de periode vóór de geboorte van een kind geen sprake kan zijn van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw en de WWB.

4.4. In het verlengde hiervan dient ten aanzien van een periode waarin (nog) niet is voldaan aan de voor het aannemen van een onweerlegbaar rechtsvermoeden vereiste omstandigheden, de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding, te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 3, derde lid, van de Abw en de WWB, en de daarop gevormde rechtspraak. Dit betekent - kort gezegd - dat in dat geval voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding niet alleen sprake dient te zijn van een gezamenlijk hoofdverblijf maar ook van wederzijdse zorg.

4.5. Vaststaat dat uit de relatie van appellant en [v. W.] op 3 december 2002 een zoon is geboren. Anders dan de rechtbank, in navolging van het College, heeft geoordeeld is het onweerlegbare rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw en de WWB derhalve niet van toepassing over de gehele periode vanaf 1 november 2001. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit op bezwaar vernietigen voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 november 2001 tot en met 2 december 2002 en tevens bezien in hoeverre de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van dat besluit in stand kunnen blijven. Daartoe zal de Raad met betrekking tot de intrekking een onderscheid maken in de periode vóór en vanaf 3 december 2002.

5. De periode van 3 december 2002 tot en met 30 april 2007.

5.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat er een toereikende grondslag is voor de conclusie dat appellant en [v. W.] in deze periode beiden hun hoofdverblijf in de woning van [v. W.] hadden, zodat - gelet op het feit dat uit hun relatie een kind is geboren - sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Evenals de rechtbank kent de Raad daarbij zwaarwegende betekenis toe aan de uitvoerige en gedetailleerde verklaring van [v. W.], die zij op 22 mei 2007 tegenover twee sociaal rechercheurs heeft afgelegd en die is neergelegd in een op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal dat zij na voorlezing zonder voorbehoud heeft ondertekend. Ook naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk gemaakt dat deze verklaring onder ontoelaatbare druk is afgelegd, onjuist is of om een andere reden buiten beschouwing moet blijven. De verklaring vindt bovendien steun in de gegevens verkregen van Eneco, in het bijzonder met betrekking tot het extreem lage waterverbruik in de woning van appellant, en voorts in de verklaringen van diverse buurtbewoners uit de omgeving van de woningen van appellant en van [v. W.] alsmede in verrichte observaties.

5.2. Hieruit volgt dat appellant in deze periode niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden aangemerkt, zodat hij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

5.3. Van de gezamenlijke huishouding met [v. W.] is door appellant geen melding gemaakt, zodat hij de wettelijke op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het College was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant over deze periode in te trekken. De uitoefening van deze bevoegdheid is niet bestreden.

6. De periode van 1 november 2001 tot en met 2 december 2002.

6.1. De Raad zal hier in aansluiting op hetgeen onder 4.5 is overwogen bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 6 februari 2008 ten aanzien van deze periode in stand kunnen blijven. Daarvan zal sprake kunnen zijn indien voldoende is gebleken van feiten en omstandigheden, die niet alleen wijzen op een hoofdverblijf in dezelfde woning maar ook op wederzijdse zorg tussen appellant en [v. W.]. Naar het oordeel van de Raad is daarvoor in het dossier, met name in de hierboven al eerder onder 5.1 aangeduide verklaring van [v. W.], een toereikende grondslag aanwezig.

De Raad wijst er in dit verband op dat, niettegenstaande de (latere) beslissing van het College om de gezamenlijke huishouding te baseren op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB , het onderzoek van de sociale recherche gericht is geweest zowel op het hoofdverblijf van beiden als op de wederzijdse zorg. Allereerst geldt hetgeen hiervoor onder 5.1 ten aanzien van het hoofdverblijf in de woning van [v. W.] is overwogen onverkort voor de hier aan de orde zijnde periode. Voorts komt uit de verklaring van [v. W.] van 22 mei 2007 onder meer naar voren dat appellant allerlei huishoudelijke werkzaamheden verricht in de woning van [v. W.], dat appellant altijd kookt voor het gezin, dat de boodschappen door beiden worden gehaald en betaald, dat de maaltijden gezamenlijk worden gebruikt, dat elkaars pincodes en bankpassen worden gebruikt en dat duurzame gebruiksgoederen van appellant in de woning van [v. W.] staan en dat beiden daarvan gebruik maken. Verder is ter zitting van de Raad bevestigd dat deze situatie vóór en vanaf 3 december 2002 niet wezenlijk anders was. Onder deze omstandigheden is voldoende aannemelijk dat in de hier aan de orde zijnde periode sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Abw .

6.2. Dit betekent dat hetgeen onder 5.2 en 5.3 is overwogen ook hier van toepassing is, zodat de vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit van 6 februari 2008 in stand kunnen blijven bevestigend moet worden beantwoord.

7. Tegen de terugvordering en medeterugvordering zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd.

8. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 6 februari 2008 voor zover dit ziet op de intrekking over de periode van 1 november 2001 tot en met 2 december 2002;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 6 februari 2008 in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te voldoen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en N.M van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

RB


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature