Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Aanvraag om hulp bestaande uit opvang en/of een inkomensvoorziening. Afstemming van de beoordelingen in het kader van de WWB en in het kader van de WMO. Niet de WWB maar de WMO het primaire wettelijk kader om de hulpvraag te beoordelen. Geen recht op WMO op grond van nationaal recht. Geen schending van artikel 8 EVRM . Beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 10/4394 WWB en AWB 10/3955 WMO

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres],

mede ten behoeve van haar minderjarige kind [kind],

verblijvende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigden mr. D. Ahmed en [persoon 2].

Procesverloop

AWB 10/4394 WWB

Bij besluit van 21 januari 2010 (primair besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijstand niet in behandeling genomen. Bij besluit van 10 maart 2010 (besluit op bezwaar I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit I ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 januari 2010 (primair besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijstand afgewezen. Bij besluit van 15 maart 2010 (besluit op bezwaar II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit II niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2010 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het beroep van eiseres tegen de besluiten op bezwaar I en II gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd.

Bij besluit van 30 juli 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

AWB 10/3955 WMO

Bij brief van 10 februari 2010 en besluiten van 23 februari 2010 en 16 maart 2010 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toegang tot maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) afgewezen.

Bij besluit van 13 juli 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 10 februari 2010 en tegen het besluit van 16 maart 2010 niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen het besluit van 23 februari 2010 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 2 november 2010.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. J. Klaas. Tevens is verschenen [persoon 1], begeleidster van eiseres bij Cordaan. Verweerder is in AWB 10/4394 WWB vertegenwoordigd door mr. D. Ahmed en in AWB 10/3955 WMO door [persoon 2].

Overwegingen

1. Feiten

1.1. Eiseres, afkomstig uit Joegoslavië en geboren op [geboortedatum] 1988, verblijft reeds geruime tijd zonder verblijfstitel in Nederland. Zij leidde een zwervend bestaan en verbleef telkens op verschillende adressen.

1.2. Bij brief van 23 december 2009 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor zowel toegang tot maatschappelijke opvang op grond van de WMO als een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) dan wel de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Eiseres is op 26 januari 2010 bevallen van een dochter, [kind]. Op 2 juni 2010 is eiseres met haar dochter opgenomen bij Cordaan op basis van een AWBZ-indicatie. Dit is een instelling voor jonge moeders en hun baby’s. Eiseres ontvangt per week € 30 voor eten en € 50 als zakgeld.

2. Standpunten van partijen in de WMO-procedure

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder ten aanzien van het bezwaar tegen het primaire besluit van 23 februari 2010 overwogen dat nu er een voorziening op basis van de AWBZ is verleend, er geen aanspraak meer is op maatschappelijke ondersteuning op basis van de WMO. Er is geen sprake van een onrechtmatig primair besluit. [kind] is vlak na haar geboorte opgenomen in een pleeggezin, waar eiseres haar dagelijks langdurig kon zien en verzorgen.

2.2. Verder is verweerder van oordeel dat eiseres op basis van artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en artikel 8 van de WMO geen recht heeft op opvang. Het gaat bij maatschappelijke opvang om collectief aangeboden voorzieningen, waarbij geen rekening gehouden (kan) worden met kenmerken van individuele aanvragers. Artikel 20 van de WMO kan geen individuele aanspraak bieden aan eiseres op toegang tot de opvang. De verblijfsstatus van eiseres staat in de weg aan het recht op een individuele voorziening ingevolge artikel 8 van de WMO .

2.3. Er is geen strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat eiseres en haar dochter een, weliswaar beperkt, gezinsleven hadden. Dat de al dan niet legale status van het verblijf van eiseres van belang wordt geacht, betekent niet dat er in strijd met artikel 14 EVRM wordt gehandeld.

2.4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij en haar dochter weliswaar geen belang meer hebben bij opvang, maar wel bij een uitspraak over de rechtmatigheid van de genomen besluiten in verband met proceskosten in bezwaar en haar verzoek om schadevergoeding.

2.5. Het weigeren van hulp aan eiseres, een kwetsbare hoogzwangere Roma-vrouw, is volgens haar in strijd met het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Van af de geboorte van [kind] is tevens sprake van strijd met het recht op familieleven. De uithuisplaatsing die niet in het belang van [kind] was, is in strijd met artikel 3 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Dat gezinnen met kinderen niet op straat mogen staan en opvang moeten krijgen volgt ook uit de veroordeling van Nederland door het Europees Comité voor Sociale Rechten (Complaint No. 47/2008). Ook de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in de uitspraak van 19 april 2010 geoordeeld dat uit artikel 8 van het EVRM de positieve verplichting kan voortvloeien om opvang te bieden. Verweerder heeft in strijd met artikel 8 van het EVRM opvan g geweigerd en een onrechtmatig besluit genomen, zodat een immateri ële schadevergoeding op zijn plaats is.

3. Standpunten van partijen in de WWB-procedure

3.1. De rechtbank zal de besluitvorming naar aanleiding van de aanvraag in het kader van de WIJ dan wel de WWB hierna kortheidshalve aanduiden als de ‘WWB-procedure’.

3.2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres voorzover deze betrekking heeft op een inkomensvoorziening bij primair besluit I niet in behandeling genomen omdat eiseres zonder verblijfstitel in Nederland verblijft. Bij primair besluit II heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een inkomensvoorziening afgewezen omdat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland.

3.3. Bij uitspraak van 29 juni 2010 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank geoordeeld dat primair besluit II moet worden aangemerkt als een wijzigingsbesluit van primair besluit I. Verder heeft de meervoudige kamer geoordeeld dat verweerder ten onrechte de aanvraag van eiseres heeft gesplitst in een aanvraag in het kader van de WIJ dan wel WWB en een aanvraag in het kader van de WMO en die beoordelingen niet op elkaar heeft betrokken. De rechtbank heeft beide besluiten op bezwaar vernietigd en bepaald dat verweerder bij de nieuwe beslissing op bezwaar dient in te gaan op de vraag of eiseres al dan niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang op grond van de WMO en de relevantie daarvan voor de beoordeling onder de WIJ dan wel WWB.

3.4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de uitkomst van het besluit op bezwaar van 13 juli 2010 in het kader van de WMO in de beoordeling betrokken. Net als in de WMO-procedure is er volgens verweerder geen sprake van strijd met artikel 8 van het EVRM, waarbij van belang is dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Ook indien sprake zou zijn van schending van artikel 8 van het EVRM zou eiseres geen aanspraak kunnen maken op de WIJ dan wel WWB, omdat er sprake is van een voorliggende voorziening, namelijk de AWBZ.

3.5. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder na de uitspraak van de rechtbank intern heeft overlegd over de te hanteren afwijzingsgrond, maar niet de hulpvraag van eiseres heeft gecoördineerd met als resultaat dat er hulp geboden wordt. Artikel 8 van het EVRM is geschonden. Eiseres heeft nu wel opvang, maar geen geld om van te leven en [kind] te verzorgen. Eiseres maakt aanspraak op een bijstandsuitkering naar de norm wonend in een instelling. Eiseres verzoekt om immateriële schadevergoeding.

4. Beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat eiseres verweerder op 23 december 2009 heeft verzocht om hulp, bestaande uit opvang en/of een inkomensvoorziening om zelf in opvang te voorzien. Verweerder heeft deze aanvraag ten onrechte gesplitst in een aanvraag in het kader van de WMO en een aanvraag in het kader van de WIJ dan wel de WWB en heeft die beoordelingen niet op elkaar betrokken. Naar aanleiding van de uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2010 heeft verweerder alsnog bij het nemen van het bestreden bijstandsbesluit het bestreden WMO-besluit betrokken. De rechtbank is van oordeel dat de bestreden besluiten in de WMO-procedure en in de WWB-procedure en de beroepen daartegen tegen deze achtergrond en in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld.

4.2. Voor zover eiseres stelt dat zij in de periode in geding naast een recht op opvang een recht op bijstand, althans recht op een inkomensvoorziening heeft, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4.7. van de uitspraak van de CRvB van 19 april 2010 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BM1992). Daarin heeft de CRvB onder meer overwogen dat bij de wijze waarop aan artikel 8 van het EVRM recht moet worden gedaan de beperkte doelstelling van de WWB voorop dient te staan.

4.3. De rechtbank concludeert uit voornoemde CRvB-uitspraak en de keuze van de CRvB om de in die zaak gevraagde maatschappelijke opvang onder de werking van WMO te brengen dat ook in dit geval niet de WWB maar de WMO het primaire wettelijk kader is om de hulpvraag van eiseres te beoordelen. Gesteld dat eiseres een zelfstandig belang zou hebben bij de beoordeling van het bestreden besluit in de WWB-procedure, dan dient haar hulpvraag reeds om die reden niet primair onder de werking van de WWB te worden gebracht en beoordeeld.

4.4. Eiseres heeft aangevoerd dat zij sinds haar verblijf in Cordaan opvang heeft maar onvoldoende middelen om van te leven en haar dochter te verzorgen. Dit verblijf per

2 juni 2010 ligt echter buiten de periode in geding in de WWB-procedure. Voor het overige heeft eiseres geen zelfstandige grond aangevoerd tegen de weigering van een voorziening in het kader van de WWB. Gebleken is voorts dat verweerder de uitkomst van het besluit op bezwaar van 13 juli 2010 in het kader van de WMO bij het bestreden besluit in de WWB-procedure heeft betrokken. Het beroep van eiseres in de WWB-procedure is daarom ongegrond.

4.5. Nu eiseres en haar dochter vanaf 2 juni 2010 bij Cordaan verblijven, is het belang van eiseres in de WMO-procedure er niet langer in gelegen om in aanmerking te komen voor maatschappelijke opvang. Eiseres wil vergoeding van de proceskosten in bezwaar en heeft een verzoek om schadevergoeding gedaan. De rechtbank neemt daarom procesbelang aan.

5. WMO

5.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres naar nationaal recht op grond van haar verblijfsstatus geen aanspraak kan maken op opvang en overweegt daartoe als volgt.

5.2. In navolging van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 april 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BM3583) is de rechtbank van oordeel dat maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de WMO geen individuele voorziening is als bedoeld in de artikelen 5 en 8 van de WMO . Daarbij is in aanmerking genomen dat het bij maatschappelijke opvang om in beginsel voor een ieder toegankelijke, collectief aangeboden voorzieningen gaat, op basis van een beperkte toelatingsbeoordeling aan de hand van beperkt aantal algemeen geformuleerde maatstaven. Voorts is daarbij in aanmerking genomen dat bij de toelatingsbeoordeling in het algemeen geen acht wordt geslagen op de specifieke (persoons)kenmerken van de individuele aanvrager en dat deze opvang naar zijn aard niet is afgestemd op de kenmerken van de individuele aanvrager.

5.3. Het voorgaande betekent dat eiseres een aanvraag heeft ingediend om een andere dan een individuele voorziening, zodat artikel 8 van de WMO , dat slechts op het verlenen van individuele voorzieningen ziet, daarop niet van toepassing is. Nu ook overigens in de WMO geen aan artikel 8 van de WMO gelijke bepaling met betrekking tot de verlening van andere dan individuele voorzieningen is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat voor de vraag of eiseres aanspraak heeft op toelating tot de opvang, de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 het in aanmerking te nemen beoordelingskader vormen.

5.4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 - voor zover hier van belang - kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen en voorzieningen van een bestuursorgaan. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juni 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BI9325) is in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in diverse - rechtstreeks werkende - bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van het EVRM . De CRvB heeft in het kader van deze toetsing de doelstelling van de koppelingswetgeving zoals deze in de wetsgeschiedenis is neergelegd, steeds aanvaardbaar geacht. Dit betekent dat eiseres ingevolge artikel 10 van de Vw 2000 geen aanspraak kon maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de gemeente Amsterdam als centrumgemeente.

6. EVRM

6.1. Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM oordeelt de rechtbank als volgt.

6.2. In navolging van de jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 april 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BM0956) dient voorop te worden gesteld dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als “the very essence” van het EVRM aanmerkt respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het priv éleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevan t is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. Verwezen zij in dit verband onder meer naar het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. vs het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91).

6.3. De rechtbank acht primair van belang dat eiseres een vreemdeling is die ten tijde in geding geen rechtmatig verblijf in Nederland had en dat nog altijd niet heeft. Niet in geschil is dat van eiseres niet gevergd kon worden naar haar land van herkomst terug te keren. Niet gebleken is dat eiseres een aanvraag heeft gedaan om een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”.

6.4. Ten aanzien van de periode vóór de geboorte van [kind] blijkt uit de aanvraag van

23 december 2009 weliswaar dat eiseres geen vast adres had, maar ook dat zij (samen met de vader van [kind]) zwervend was langs verschillende adressen. Niet gebleken is dat eiseres in de gemeente Amsterdam daadwerkelijk op straat moest leven. Ter zitting heeft verweerder in dat verband onbetwist gesteld dat eiseres zich in ieder geval niet heeft gemeld bij de crisisopvang van de GGD. Evenmin heeft eiseres in die periode in een voorlopige voorzieningsprocedure om opvang gevraagd. Nu voor het overige over de woon- en leefomstandigheden van eiseres in de periode vóór de geboorte [kind] zeer weinig bekend is geworden, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode in geding slechts door een zwervend bestaan in Amsterdam zonder middelen haar privéleven kon uitoefenen en dat de situatie van eiseres dus zo schrijnend was, dat verweerder in had moeten grijpen en hulp had moeten bieden.

6.5. Vaststaat dat eiseres op 26 januari 2010 in het ziekenhuis is bevallen van [kind], die meteen in een pleeggezin is opgenomen. Vaststaat ook dat [kind] in het pleeggezin de vereiste voeding, zorg en onderdak kreeg, zodat zij op geen enkel moment in hulpbehoevende omstandigheden verkeerde. Ten aanzien van eiseres zelf geldt dat haar verblijf in het ziekenhuis als een op dat moment adequate vorm van opvang kan worden beschouwd.

6.6. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat door de weigering van verweerder om hulp te bieden moeder en kind van elkaar zijn gescheiden en hun hereniging maanden is tegengehouden, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken blijkt dat [kind] eerst na een op verzoek van de Raad voor de kinderbescherming door de kinderrechter uitgesproken ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin is opgenomen. Eiseres heeft de betreffende uitspraak van de kinderrechter desgevraagd niet over kunnen leggen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de kinderrechter bij het uitspreken van de ondertoezichtstelling en het afgeven van de machtiging uithuisplaatsing heeft geoordeeld dat opname in het pleeggezin mede gelet op artikel 8 van het EVRM in het belang van [kind] was. De onderhavige procedure is geen verkapt hoger beroep tegen die beslissing. Uit de brief van de gezinsvoogd van de William Schrikker Jeugdbescherming van 4 februari 2010 blijkt voorts dat [kind]s opname in het pleeggezin niet enkel op grond van het gestelde ontbreken van huisvesting en inkomen is gebaseerd, maar ook op grond van twijfel aan de opvoedingsvaardigheden van eiseres. Dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing alleen waren ingegeven door verweerders weigering om opvang te bieden, heeft eiseres dan ook niet aannemelijk gemaakt.

6.7. Vaststaat dat eiseres sinds de geboorte van [kind] in de gelegenheid is geweest om haar dochter eerst in het ziekenhuis en later in het pleeggezin dagelijks langdurig te zien en te verzorgen.

6.8. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat eiseres na haar ontslag uit het ziekenhuis door vriendinnen is opgevangen. Tijdens de hoorzitting van 25 maart 2010 heeft eiseres verklaard dat zij ‘momenteel bij vriendinnen’ slaapt. Tijdens de behandeling ter zitting van 15 april 2010 van een door eiseres ingediend verzoek om een voorlopige voorziening heeft zij dat herhaald. Gesteld noch gebleken is in ieder geval dat eiseres in de periode na haar ontslag uit het ziekenhuis in de gemeente Amsterdam daadwerkelijk op straat moest leven totdat zij met ingang van 2 juni 2010 samen met haar dochter onderdak vond bij Cordaan.

6.9. De rechtbank is gelet op het voorafgaande van oordeel dat niet kan worden gezegd dat door de weigering van verweerder om aan eiseres hulp als door haar gewenst de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van eiseres en haar dochter onmogelijk is gemaakt (vgl. het arrest van het EHRM van 3 mei 2001, in de zaak Domenech Pardo vs Spanje, nr. 55996/00). Zelfs als eiseres op enig moment in de periode van 23 december 2009 tot en met 13 juli 2010 tot de categorie van kwetsbare personen heeft behoord die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven, is van schending van deze bepaling dus geen sprake.

6.10. Hieruit volgt dat geen sprake is van een zodanige aantasting van de hierboven beschreven ‘very essence’ van het EVRM dat dit zou moeten leiden tot de positieve verplichting van de staat om maatschappelijke opvang te bieden. Naar het oordeel van de rechtbank kan in die omstandigheden in redelijkheid niet worden volgehouden dat de weigering van maatschappelijke opvang op grond van de verblijfsstatus van eiseres geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen betrokken bij de weigering van opvang, althans bijstand en de particuliere belangen van eiseres. Van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het EVRM is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De door eiseres genoemde arresten van het EHRM brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel nu in die arresten, nog afgezien van het feit dat daar sprake is van een geheel ander feitencomplex, de negatieve verplichting van de staat aan de orde was om zich te onthouden van inmenging in het gezinsleven.

7. IVRK

7.1. Daargelaten de vraag of artikel 9 van het IVRK kan worden beschouwd als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet en als zodanig rechtstreeks kan worden ingeroepen, leidt de in dit artikel vervatte norm niet tot meer waarborgen dan reeds voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM. Artikel 9 van het IVRK behoeft daarom geen verdere bespreking.

8. Conclusie

8.1. De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren. Reeds gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van een schadevergoeding zoals door eiseres verzocht.

8.2. Evenmin is aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in aanwezigheid van mr. J.E. Nicolai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature