Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Prejudiciële vraag aan Hof van Justitie over de verzekeringspositie voor de Nederlandse wettelijke werknemersverzekeringen van een Nederlandse werknemer die werkzaam is op een vaste installatie op het Nederlands deel van het continentaal plat, terwijl hij woont in een ander land van de Europese Unie. Consequenties arresten Weber en Aldewereld.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/1410 WIA

Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats] (Spanje),

eiser,

gemachtigde mr. R.E. Zalm,

en

De raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

verweerder,

gemachtigden mr. F.W.M Keunen en [gemachtigde].

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 11 oktober 2007 eisers aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) afgewezen omdat eiser niet verzekerd is voor de WIA.

Bij besluit van 12 maart 2008 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2009. Eiser is daar niet verschenen. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigden.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is het onderzoek heropend.

In verband met het voornemen om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) vragen te stellen, is aan partijen een conceptvraagstelling voorgelegd.

Overwegingen

1. Feitelijke situatie

1.1 Eiser is geboren op [geboortedatum] 1946. Hij is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Tot 10 september 2004 was eiser woonachtig in Nederland. Op die datum is eiser verhuisd naar Spanje.

1.2 Sedert april 1996 was eiser (op basis van een uitzendconstructie) voor in Nederland gevestigde werkgevers werkzaam als verpleegkundige (en deels als radiografist) op gasboorplatform K14 FA 1c (een productieplatform van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM)). De rechtbank neemt op basis van de gedingstukken als vaststaand aan dat bedoeld platform is gelegen buiten de Nederlandse territoriale wateren, maar binnen het Nederlands gedeelte van het Continentaal Plat op een afstand van ongeveer 80 kilometer van de Nederlandse kust.

1.3 Tot aan de datum van vertrek naar Spanje was eiser verplicht verzekerd op grond van de Nederlandse werknemerswetten. Die verzekering was gebaseerd op het bepaalde in artikel 3 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en (het gelijkluidende) artikel 3 van de Ziektewet (ZW).

Artikel 3 van de ZW en van de WAO bepaalt ten aanzien van werknemerschap het volgende:

1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

2. Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd is.

1.4 Eiser heeft zich voorafgaande aan zijn vertrek naar Spanje aangemeld voor de vrijwillige verzekering ingevolge de WAO. Tot deze vrijwillige verzekering is hij met ingang van 4 oktober 2004 toegelaten. Bij besluit van 15 juli 2005 is de vrijwillige verzekering door verweerder echter beëindigd met ingang van 4 december 2004; zulks wegens het uitblijven van betaling van de premie. Eiser heeft daartegen geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan.

Wel heeft eiser bijna een jaar later, op 15 mei 2006, verweerder wederom verzocht toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering. Deze aanmelding heeft verweerder bij besluit van 11 juli 2006 afgewezen, omdat zij meer dan vier weken na de beëindiging van de verplichte verzekering is gedaan. Eisers bezwaar tegen dit besluit heeft verweerder op 11 maart 2008 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Eiser heeft benadrukt dat de niet-ontvankelijkverklaring achterwege had dienen te blijven, nu niet hij maar verweerder c.q. het postbedrijf fouten heeft gemaakt. Eiser heeft tegen de niet-ontvankelijkverklaring echter geen beroep ingesteld, zodat deze in rechte vast is komen te staan.

1.5 Op 1 januari 2006 is de WAO vervangen door de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). In dit verband wijst de rechtbank erop dat ingevolge artikel 7, eerste lid van de WIA verplicht verzekerd is de werknemer, en dat artikel 8 van de WIA (voorzover hier van belang ) de werknemer definieert als de werknemer in de zin van de ZW.

1.6 Op 24 oktober 2006 heeft eiser zich ziek gemeld, in verband waarmee hij op 11 september 2007 een uitkering ingevolge de WIA heeft aangevraagd bij verweerder.

Omdat eiser vanaf 10 september 2004 buiten Nederland woonachtig was, is hij door verweerder vanaf die datum niet meer verplicht verzekerd geacht. Hem is een uitkering geweigerd omdat hij op de gestelde datum van intreden van arbeidsongeschiktheid niet verzekerd was.

2. Stellingen van partijen

2.1 Eiser stelt in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering en heeft in beroep verwezen naar EG-Verordening 1408/71. Volgens eiser dient verweerder het Nederlandse deel van het continentaal plat te beschouwen als een onderdeel van het Nederlandse territorium. In dit verband heeft eiser een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het EG-Hof) inzake R.L. Aldewereld (arrest van 29 juni 2004, zaak C-60/93), en is door hem verwezen naar de uitspraak van de arrondissementsrechtbank Breda van 20 oktober 2007 (AWB 06/3043, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BB5932). Daarnaast heeft eiser gewezen op het beleid van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) om per 1 januari 2006 werknemers die werkzaam zijn op het Nederlandse deel van het continentaal plat, als verzekerd ingevolge de volksverzekeringen te beschouwen (het zogeheten “Ruimere Aldewereldbeleid”).

Dit beleid luidt als volgt:

“ De SVB gaat ervan uit dat titel II van de Verordening van toepassing is als een werknemer op het grondgebied van de Gemeenschap woont maar buiten het grondgebied van de Gemeenschap werkt voor een binnen de Gemeenschap gevestigde werkgever. Daarbij ontleent de SVB aan de overwegingen van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de arresten Prodest en Aldewereld de voorwaarde dat de werknemer onmiddellijk voorafgaand aan de buiten de Gemeenschap verrichte arbeid verzekerd moet zijn in de lidstaat waar zijn werkgever is gevestigd dan wel dat de werknemer op grond van de nationale wetgeving van die lidstaat verzekerd is tijdens de arbeid buiten de Gemeenschap. Indien aan een van deze voorwaarden wordt voldaan gaat de SVB ervan uit dat de wetgeving van de lidstaat van de werkgever als toepasselijk is aangewezen gedurende de periode dat buiten de Gemeenschap arbeid wordt verricht.”

Voorts heeft eiser gesteld dat alle burgers van de Europese Unie, wanneer zij werkzaam zijn in Nederland, gelijk behandeld dienen te worden.

2.2 Verweerder stelt zich -als gezegd- op het standpunt dat eiser op de eerste WIA-dag (24 oktober 2008, twee jaren na de ziekmelding) niet verzekerd was ingevolge de WIA. Na zijn verhuizing voldeed eiser niet meer aan de voorwaarden van de verplichte verzekering omdat hij niet meer in Nederland woonde. Door de werkgever zijn geen premies meer ingehouden, en dit was eiser ook bekend. Van de mogelijkheid van een vrijwillige verzekering heeft eiser uiteindelijk (echter) geen gebruik gemaakt.

Het arrest Aldewereld mist toepassing. Anders dan in de zaak Aldewereld is in casu geen sprake van een positief conflict, waarbij meerdere lidstaten zich bevoegd achten. In casu is sprake van een negatief conflict. Tegen de door eiser aangehaalde uitspraak van de arrondissementsrechtbank Breda is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. In die procedure zullen mogelijk prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof. Hoe dan ook is niet duidelijk of eiser aan het arrest Aldewereld aanspraken zou kunnen ontlenen.

Het beroep van eiser op het beleid van de Sociale Verzekeringsbank faalt, reeds omdat dit beleid niet wordt gehanteerd door verweerder.

Ook aan het arrest Weber (arrest van het EG-Hof van 27 februari 2002, zaak C-37/00) kan eiser geen aanspraken ontlenen, aldus verweerder. Dit arrest moet in zijn context worden gelezen. Het door het EG-Hof daar te beoordelen punt was de vraag naar rechtsmacht. Een vacuüm in rechtsmacht is eigenlijk onbestaanbaar. Dat het EG-Hof tot vaststelling van rechtsmacht is gekomen in de zaak Weber is dan ook heel begrijpelijk. De vraag naar vaststelling van rechtsmacht is echter een geheel andere vraag dan die naar vaststelling van toepasselijkheid van wetgeving zoals in de sociale zekerheid.

Los daarvan meent verweerder dat het EG-Hof in het arrest Weber een benadering heeft gekozen die voor een belangrijk deel is gebaseerd op het arrest van het International Court of Justice (ICJ) in de zaak North Sea Continental Shelf van 1969. De in dat arrest gekozen benadering is door het ICJ in latere arresten echter weer losgelaten of afgezwakt. Ook dat vormt voor verweerder een reden om voorzichtig om te gaan met het arrest Weber.

Onderscheid kan volgens verweerder ook nog worden gemaakt tussen de vraag naar het bestaan van soevereine rechten en naar soevereiniteit. Zo wordt door Kapteyn Verloren van Themaat, Het recht van de Europese Unie en van de Europese Gemeenschappen (Kluwer, Deventer, 2003) op pagina 67 het volgende opgemerkt:

“ Uit artikel 299 EG valt overigens niet af te leiden dat de werkingssfeer van het EG-Verdrag in beginsel beperkt is tot het territorium dat onder de soevereiniteit, dat wil zeggen de volledige jurisdictie, van de lidstaten valt. Ook daarbuiten kan de werkingssfeer zich ruimtelijk uitstrekken, voorzover deze staten “soevereine rechten”, dat wil zeggen een functioneel beperkte jurisdictie, kunnen doen gelden naar algemeen volkenrecht, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van het continentaal plateau (…). Als voorwaarde geldt daarbij uiteraard, dat de materie waarover deze functionele jurisdictie zich uitstrekt, binnen de materiële werkingssfeer van de desbetreffende verdragsbepalingen ligt (…)”.

R. Barents en L.J. Brinkhorst (Grondlijnen van het Europees recht, elfde druk, Kluwer, Deventer 2003) stellen op pagina 10 het volgende:

“ Het EG-Verdrag geldt ook buiten het eigenlijke grondgebied van de lidstaten, voorzover deze op grond van het internationale recht een bepaalde extra-territoriale zeggenschap kunnen uitoefenen, zoals ten aanzien van het continentaal plat en visserijzones”.

Lenaerts, Van Nuffel en Bray schrijven op pagina 8-001 van hun Constitutional law of the European Union (second edition, Thomson, Sweet & Maxwell):

“ The EU Treaty does not define its territorial scope, but simply employs the expression ‘Member States’. The upshot is that the territorial field of application of the Treaties is constituted by the EU Member States. Under international law, the Treaties therefore apply to all areas which are under the sovereignty or within the jurisdiction of the Member States. (…)

The application of the Treaties extends to the airspace and maritime waters which come under the sovereignty or within the jurisdiction of the Member States: territorial waters and, in so far as the member State concerned lays claim to it, the fishing zone or exclusive economic zone, together with the continental shelf.”

Zo bezien is er dus mogelijke steun voor de conclusie dat sprake is van verplichte verzekering, met name indien ook wordt uitgegaan van de sterke werking van de Verordening op dit punt, aldus verweerder.

In (met name de) Angelsaksische literatuur wordt daar echter ook wel anders mee omgegaan. De jurisprudentie van het EG-Hof is op dit punt onvoldoende helder, aldus nog steeds verweerder, en op die grond is het stellen van prejudiciële vragen volgens verweerder aangewezen te achten.

3. Nationale en overige internationale bepalingen

3.1 De verplichte verzekering van eiser op grond van de Nederlandse werknemersverzekeringen is geëindigd omdat van wonen in Nederland niet langer sprake was. De rechtbank verwijst daarbij allereerst naar het hiervóór weergegeven artikel 3 van de ZW .

3.2 Op grond van het vierde lid van artikel 3 van de ZW kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990) worden bepaald dat personen, die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen.

3.3 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser aan dit besluit vanaf 10 september 2004 niet alsnog een grond van verzekering kan ontlenen. De rechtbank wijst er daarbij aanvullend nog op, dat eiser geen deel uitmaakte van de bemanning van een zeevaartuig (als genoemd in dit besluit), maar werkzaam was op een vaste boorinstallatie.

3.4 In artikel 3a van de ZW is (voor zover hier van belang ) het volgende bepaald:

Zo nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen:

a. wordt als werknemer beschouwd de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.

3.5 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit artikel beoogt ondubbelzinnig en duidelijk te stellen dat de uitkomst met betrekking tot de verzekeringsplicht van de toepassing van verdragsbepalingen of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, moet worden toegepast ook al zou een toepassing van de nationale wetgeving tot een tegengestelde uitkomst leiden. Anders gezegd: de sterke werking van de verdragsbepalingen is hiermee ook naar nationaal recht vastgelegd. Zij wordt daarbij echter niet nader gedefinieerd of omschreven.

3.6 Het zogeheten “Ruimere Aldewereldbeleid” van de SVB (het orgaan dat in Nederland de uitvoering van een aantal wettelijke volksverzekeringen (het wettelijk ouderdomspensioen, de AOW, het wettelijk nabestaandenpensioen, de Anw, en de wettelijke kinderbijslagregeling, de AKW) uitvoert, is hiervoor reeds weergegeven.

Dit beleid wordt echter niet in het kader van de wettelijke werknemersverzekeringen gehanteerd door het UWV. Eiser kan daarop dus geen beroep doen in dit geschil.

3.7 Tussen Nederland en Spanje is het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Spaanse Staat afgesloten. In artikel 7 van dit verdrag is het volgende bepaald:

Onverminderd de bepalingen van deze titel is op werknemers die werkzaam zijn op het grondgebied van één der Verdragsluitende Partijen de wetgeving van deze Partij van toepassing, zelfs indien zij op het grondgebied van de andere Partij wonen of indien hun werkgever of de zetel van de onderneming, waarbij zij werkzaam zijn, zich op het grondgebied van de andere Partij bevindt.

Waar eiser niet werkzaam was op het grondgebied van een der verdragsluitende partijen (maar op het continentaal plat), kan hij aan het bepaalde in dit verdrag geen aanspraken ontlenen. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de Wet arbeid mijnbouw Noordzee niet leidt tot een verplichte wettelijke sociale verzekering voor werknemers werkzaam op het Nederlands deel van het continentaal plat. Artikel 2 van die wet bepaalt alleen dat het Nederlandse arbeidsovereenkomstenrecht, met inbegrip van de daarop betrekking hebbende regels van internationaal privaatrecht, van toepassing is met betrekking tot de arbeidsovereenkomst van een werknemer. Voor de toepassing van de regels van internationaal privaatrecht geldt arbeid verricht door een werknemer als arbeid verricht op het grondgebied van Nederland. De Wet arbeid mijnbouw Noordzee kent niet een vergelijkbare bepaling voor de Nederlandse wettelijke sociale zekerheid.

Overigens is onlangs een wetsvoorstel ingediend dat voor de toekomst een dergelijke verzekering wel gaat regelen (zie bijv:

http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/persberichten/2010/03/05/sociaal-zekerheidsstelsel-ook-voor-werknemers-op-nederlands-continentaal-plat.html. In de situatie van eiser biedt dat echter geen soelaas.

3.8 De hoogste nationale feitenrechter op het gebied van de wettelijke sociale zekerheid, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), heeft in de zaak 01/2984 WAO van 24 december 2003 (LJN AO2522) geoordeeld over de situatie van een op het Nederlands deel van het continentaal plat op een vaste installatie werkzame Portugese werknemer.

Ten aanzien van de (niet door het uitvoeringsorgaan, maar wel) door de rechtbank in die zaak ambtshalve gehanteerde weigeringsgrond van niet-verzekering en niet toepasselijkheid van Titel II van de Verordening, heeft de CRvB het volgende overwogen (na te hebben geoordeeld dat het niet aan de rechtbank was om die grond ambtshalve aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen):

“ Ten slotte merkt de Raad - geheel ten overvloede - nog op, voor het geval gedaagde alsnog de door de rechtbank gebezigde weigeringsgrond zou wensen te hanteren, dat gelet op het arrest van het Hof van Justitie EG van 27 februari 2002 (arrest Weber, RSV 2002/269) en gelet op de jurisprudentie van dat Hof omtrent de toepasselijkheid van de aanwijsregels van titel II van Verordening 1408/71 bij werkzaamheden buiten het territoir van de EU, het niet zonder meer duidelijk is dat appellant, die laatstelijk heeft gewerkt op produktieplatforms op het Nederlands continentaal plateau uit dien hoofde geen aanspraak kan maken op een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering.”

Uit deze overweging van de CRvB kan op zijn minst worden afgeleid dat het arrest Weber mogelijke relevantie heeft voor het hier te beslechten geschil.

3.9 De door eiser aangehaalde uitspraak van de arrondissementsrechtbank Breda is vernietigd bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 12 februari 2010 met kenmerk 07/00522 (LJN BL9885). Dit arrest bevindt zich onder de gedingstukken.

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft (toch) geen aanleiding gezien tot het stellen van prejudiciële vragen, maar het voorliggende geschil beslecht. Daarbij is (zover hier van belang) het volgende overwogen:

“Belanghebbende (…) heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij woont in Spanje. Hij is een groot aantal jaren geleden van Nederland naar Spanje geëmigreerd. Belanghebbende werkt in dienstbetrekking voor een in Nederland gevestigde vennootschap. Belanghebbende verricht zijn arbeid geheel buiten Nederland. Hij werkt als scheepswerktuigkundige aan boord van zeeschepen geregistreerd in Willemstad (Nederlandse Antillen), varend onder Antilliaanse vlag. (…)

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur belanghebbende terecht in de heffing van premies heeft betrokken c.q. of belanghebbende in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen. (…)

De inspecteur baseert zich op het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 29 juni 1004, C-60/93 (Aldewereld).(…)

Het HvJ overwoog, dat binnen het stelsel van de Verordening “toepassing van de wetgeving van de woonstaat van de werknemer (..) een ondergeschikte regel (lijkt), die slechts wordt toegepast wanneer die wetgeving een aanknopingspunt heeft met de arbeidsverhouding”. Dat leidde in het geval van Aldewereld tot de conclusie dat “de wetgeving van de woonstaat van de werknemer niet (kon) worden toegepast, aangezien die wetgeving geen enkel aanknopingspunt heeft met de arbeidsverhouding, zulks in tegenstelling tot de wetgeving van de staat waar de werkgever is gevestigd. (…)

Naar het oordeel van het Hof kan uit het arrest Aldewereld (slechts) het volgende worden afgeleid.

(1) De Verordening kan worden ingeroepen als het gaat om een wetsconflict tussen twee (of meer) lidstaten met potentiële dubbele verzekering tot gevolg, zoals in het berechte geval tussen Nederland en Duitsland.

(2) Indien iemand werkzaamheden buiten het grondgebied van de gemeenschap verricht, is de Verordening niettemin van toepassing indien de betreffende arbeidsverhouding voldoende aanknopingspunten heeft met het grondgebied van de gemeenschap. Daarvan is onder meer sprake indien de persoon

(a) in dienst is van een onderneming gevestigd in een lidstaat en

(b) deswege op grond van het nationale recht van die lidstaat (zonder inachtneming van de regels van de Verordening (…), omdat men anders in een cirkelredenering terechtkomt) aldaar aangesloten is bij het stelsel van sociale zekerheid.

(3) Bij een wetsconflict tussen een woonstaat en een staat waar de werkgever is gevestigd en waar de werknemer premies verschuldigd is krachtens de sociale wetgeving van die staat, “wint” de werkgeversstaat.(…)

De theorie van de sterke werking houdt derhalve in dat, indien ingevolge de Verordening de sociale verzekeringswetgeving van een lidstaat van toepassing is, de aangewezen wetgeving geen voorwaarden mag stellen ten aanzien van de woonplaats.”

4. Verdere gegevens

4.1 Ter zitting is door de rechtbank ambtshalve het (aan verweerder reeds bekende) schrijven van de Europese Commissie aan de rechtbank van 11 juli 2009 aan de orde gesteld, dat specifiek ziet op de verzekeringspositie van werknemers op het Nederlands deel van het continentaal plat.

Uit deze brief wordt hier het volgende aangehaald:

“ De Europese Commissie heeft een inbreukprocedure tegen Nederland gestart. Omdat deze procedure nog hangende is, kan ik u hierover geen gedetailleerde informatie geven. Maar inzake het standpunt van de Commissie ter zake, kan ik u het volgende meedelen (dit standpunt werd namelijk reeds meegedeeld aan personen die een klacht tegen Nederland bij de Europese Commissie hebben ingediend).

1. Het continentaal plat behoort tot het grondgebied van een lidstaat

Volgens de Commissie moeten werkzaamheden die worden uitgevoerd op het gedeelte van het continentaal plat dat tot een lidstaat behoort, worden beschouwd als werkzaamheden die op het grondgebied van die lidstaat worden uitgevoerd. In Verordening nr. 1408/71 staat niets over dit aspect van het toepassingsgebied van de verordening en er zijn evenmin andere aanwijzingen om deze vraag te beantwoorden.

Daarom moet een beroep worden gedaan op de beginselen van het internationaal publiek recht die betrekking hebben op de regelgeving op het continentaal plat, en met name op het Verdrag inzake het continentale plateau van 29 april 1958 (het Verdrag van Genève). Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht op de zee, dat op 10 december 1982 in Montego Bay werd ondertekend, is door Nederland geratificeerd op 28 juni 1996. De Gemeenschap is sinds 1 april 1998 partij bij dit verdrag.(…)

Het Internationaal Gerechtshof heeft (...) geoordeeld dat de rechten van de kuststaat met betrekking tot het deel van het continentaal plat dat een natuurlijke verlenging van zijn grondgebied onder zee vormt, ipso facto en ab initio bestaan op grond van de soevereiniteit van de staat op dit grondgebied en door de uitbreiding van de soevereine rechten voor de exploratie van de bodem van de zee en de exploitatie van haar natuurlijke rijkdommen (arrest van 20 februari 1969, ICJ Reports 1969, blz. 3, punt 19).(…)

Voor de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen behoort het continentaal plat dus tot het Nederlandse grondgebied en is het Nederlandse sociale zekerheidsrecht er van toepassing.

Bovendien kan het geografische toepassingsgebied van het EG-Verdrag (…) tot buiten het grondgebied van een lidstaat reiken voorzover een lidstaat zijn soevereiniteitsrechten uitoefent, zoals het Hof van Justitie heeft aangegeven in de arresten Kramer van 14 juli 1976 (…).

2. Over Verordening 1408/71

(…) De bepalingen van titel II hebben met name ten doel ”te beletten dat binnen de werkingssfeer van Verordening nr. 1408/71 vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele sociale zekerheidsbescherming genieten (arrest van 3 mei 1990 in zaak C-21/89, Kits van Heijningen).(…)

In dit geval kan aan de hand van artikel 13, lid 2, onder a, worden bepaald welke wetgeving van toepassing is: een werknemer is onderworpen aan de wetgeving van een lidstaat indien hij op het grondgebied van die lidstaat werkt (…). In de veronderstelling dat het continentaal plat overeenkomstig het arrest Weber tot het Nederlandse grondgebied behoort, ben ik dus van mening dat de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is op de betrokkenen, aangezien zij op het grondgebied van die lidstaat werken.

Zelfs in de veronderstelling dat het continentaal plat niet tot het Nederlandse grondgebied behoort, is de Commissie van mening dat de Nederlandse wetgeving van toepassing zou moeten zijn. Zoals het Hof heeft aangegeven in de zaak Aldewereld (arrest van 29 juni 1994, zaak C-60/93), zijn de enige factoren van aanknoping met de wetgeving van een lidstaat enerzijds de woonplaats van de werknemer en anderzijds de plaats waar de werkgever is gevestigd (…) De toepassing van de wetgeving van de woonstaat van de werknemer in het stelsel van de verordening [lijkt] een ondergeschikte regel, die slechts wordt toegepast wanneer die wetgeving een aanknopingspunt heeft met de arbeidsverhouding. Wanneer de werknemer dus niet woont op het grondgebied van één van de lidstaten waar hij zijn werkzaamheden verricht, wordt gewoonlijk de wetgeving van de staat van de zetel of het domicilie van de werkgever toegepast.(…)

In dit geval is de werkgever van de Portugese werknemers in Nederland gevestigd. Het zou hier dus gaan om een indirecte vorm van discriminatie, die in strijd is met artikel 3, lid 1, van Verordening 1408 /71. Werknemers die op dezelfde boorplatforms werken maar in Nederland wonen (...) kunnen profiteren van de Nederlandse sociale zekerheidsverstrekkingen. De Nederlandse weigering heeft dus een discriminerend effect voorzover zij tot gevolg heeft dat onderdanen van andere lidstaten zich in een minder gunstige positie bevinden dan Nederlandse onderdanen, aangezien zij in principe in een andere lidstaat wonen. De Nederlandse weigering is dus in strijd met artikel 3, lid 1, van Verordening nr. 1408 /71. Bovendien moeten de bepalingen van artikel 39 van het EG-Verdragen van artikel 3, lid 1, van Verordening nr 1408 /71 worden uitgelegd in het licht van hun doelstelling, namelijk bijdragen tot een zo volledig mogelijke vrijheid van verkeer van werknemers (…). Door de weigering van de Nederlandse autoriteiten om de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving volledig toe te passen, geniet [betrokkene] geen sociale bescherming. Het is duidelijk dat die weigering, waarvoor geen enkele rechtvaardiging wordt aangevoerd, EU-werknemers afschrikt om hun recht op vrij verkeer uit te oefenen (…).

4.2 Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank nog bij brief van 30 september 2009 van de Commissie het volgende vernomen:

“De Commissie heeft erop gewezen dat de inbreukprocedure die zij tegen Nederland heeft ingeleid, nog in gang is. Tot nu toe hebben de Nederlandse autoriteiten geen concrete maatregelen genomen om hun wetgeving aan te passen of om de individuele situatie van de werknemers op deze boorplatforms te regelen. Daarom zijn er geen objectieve gegevens waaruit kan worden afgeleid of deze zaak binnenkort aan het Hof van Justitie wordt voorgelegd of dat deze zal worden geseponeerd. (….)

Hieronder treft u de opmerkingen over deze kwestie aan, die de diensten van de Commissie reeds aan verscheidene klagers hebben gestuurd

A) toepasselijke wetgeving

Verordening (EEG) nr. 1408/71, en meer bepaald titel II, vormt (…) een volledig en uniform stelsel van collisieregels, dat volgens vaste rechtspraak verplicht en exclusief is. Deze bepalingen hebben niet alleen tot doel de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen, maar ook te beletten dat binnen de werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 1408/71 vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele sociale zekerheidsbescherming genieten (arrest Martinez Sala). (…)

Volgens het arrest Weber “moet arbeid die een werknemer op vaste of drijvende installaties die zich op of boven het aan een verdragsluitende staat toebehorend deel van het continentaal plat bevinden, in het kader van de exploratie en/of de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen ervan verricht, worden aangemerkt als arbeid verricht op het grondgebied van die staat. (…)

Het Hof van Justitie was van oordeel dat artikel 13, lid 2, onder a, van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 tot gevolg heeft dat een bepaling van de toepasselijke nationale wettelijke regeling krachtens welke de aansluiting bij het verzekeringsstelsel waarin die nationale wettelijke regeling voorziet, afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene woont in de lidstaat op het grondgebied waarvan hij de werkzaamheden in loondienst uitoefent, niet aan de in dat artikel bedoelde personen kan worden tegengeworpen (arrest Kits van Heijningen). Het zal duidelijk zijn dat deze rechtspraak ook van toepassing moet zijn op Portugese werknemers die op een boorplatform werkzaam zijn. Het stellen van een woonplaatsvereiste wordt door het Hof van Justitie namelijk beschouwd als discriminatie op grond van nationaliteit, die in strijd is met het Gemeenschapsrecht. (…)

B) discriminatoir karakter

Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen de non-discriminatieregels van het gemeenschapsrecht zelfs worden toegepast op beroepswerkzaamheden die buiten het grondgebied van de Gemeenschap worden verricht wanneer de arbeidsverhouding desondanks een voldoende nauwe aanknoping met dat grondgebied houdt (arresten Prodest, Lopes da Veiga en Aldewereld). (…)

Volgens het arrest Weber “moet arbeid die een werknemer op vaste of drijvende installaties die zich op of boven het aan een verdragsluitende staat toebehorende deel van het continentaal plat bevinden, in het kader van de exploratie en/of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen ervan verricht, voor de toepassing van art. 5, sub 1, Executieverdrag worden aangemerkt als arbeid verricht op het grondgebied van die staat”.

In dit geval moet worden vastgesteld dat er -volgens het arrest Weber- een nauwe aanknoping met de Nederlandse rechtsorde bestaat. De Commissie is van oordeel dat het op boorplatforms toegepaste bijzondere regime in de praktijk tot indirecte discriminatie leidt die strijdig is met artikel 39, lid 2, van het EG-Verdrag en artikel 3, lid 1, van de Verordening (EEG) nr. 1408/71. Dit regime is immers in nagenoeg alle gevallen alleen van toepassing op migrerende werknemers en niet op de Nederlandse werknemers die op dezelfde boorplatforms werkzaam zijn en die natuurlijk in Nederland wonen. Op deze categorie is de algemene Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing, wat betekent dat zij in aanmerking komen voor alle Nederlandse sociale zekerheidsvoorzieningen. Terwijl alle op boorplatforms werkzame werknemers gelijkgesteld moeten worden met werknemers die op het Nederlandse grondgebied werkzaam zijn, is ten slotte het stellen van een woonplaatsvereiste om toegang te krijgen tot uitgebreide sociale zekerheidsbescherming een verkapte vorm van discriminatie op grond van nationaliteit”.

5. Analyse van de rechtbank

5.1 Uit het vorenoverwogene blijkt dat eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aan het nationale recht, noch aan het bilaterale Verdrag met Spanje aanspraak op verzekering kan ontlenen.

5.2 De rechtbank merkt daarbij in het bijzonder nog op, dat artikel 3a ZW alleen aanspraken op verzekering biedt voor zover die uit het internationale recht voortvloeien. De rechtbank vraagt zich juist af in hoeverre het internationale recht (met name het recht van de Europese Unie) basis biedt voor dergelijke aanspraken.

5.3 Zoals kennelijk ook wordt gedaan door de Europese Commissie, zou het arrest Weber zo kunnen worden uitgelegd dat daaruit dient te worden afgeleid dat de territoriale werkingssfeer van EG-Verordening 1408/71 niet is beperkt tot het grondgebied van de lidstaten der Europese Unie, maar zich evenzeer uitstrekt over het continentaal plat. Ook de aangehaalde uitspraak van de CRvB lijkt voorzichtig te wijzen in die richting. Dit is de meest vergaande interpretatie van het Europese recht die leidt tot verzekering van eiser.

5.4 De rechtbank betwijfelt echter of deze interpretatie juist is. Zoals door verweerder al is opgemerkt, wordt deze interpretatie door de Commissie in haar brieven niet helemaal uitgewerkt. Ook de CRvB geeft die uitwerking niet.

5.5 Inhoudelijk vraagt de rechtbank zich met name af of niet een onderscheid gemaakt dient te worden tussen territoir waarop een lidstaat soeverein is, en territoir waarop een lidstaat bevoegd is (beperkte) soevereine rechten uit te oefenen, maar ook de bevoegdheid heeft die uitoefening achterwege te laten (zoals Nederland ten aanzien van de sociale zekerheidswetgeving op het continentaal plat heeft gedaan).

In dit verband wijst de rechtbank erop, dat het EG-Hof in het arrest Weber de door de Nederlandse wetgever in de Wet arbeid mijnbouw Noordzee gemaakte keuze ook uitdrukkelijk noemt, waar onder 35 (direct voorafgaande aan de door de Commissie aangehaalde overweging) het volgende wordt overwogen:

“ 35. Conform deze beginselen van het internationaal publiekrecht bepaalt art. 10, lid 1, WAMN overigens, dat een Nederlandse rechterlijke instantie bevoegd is kennis te nemen van geschillen ter zake van de arbeidsovereenkomst van een persoon die zijn activiteit op of vanaf een mijnbouwinstallatie geplaatst op of boven het Nederlandse deel van het continentaal plat verricht met het oog op het instellen van een opsporingsonderzoek en/of het exploiteren van de natuurlijke rijkdommen ervan”.

Daaruit kan worden afgeleid dat de keuze van de nationale wetgever binnen het gebied van de soevereine rechten van belang is. De Europese Commissie gaat niet in op dit punt, en lijkt aan te nemen dat die vrijheid er niet is, dan wel dat die vrijheid niet relevant is.

De vraag kan (inderdaad) gesteld worden of het EU-recht een lidstaat de vrijheid laat om binnen het onderwerp van exploitatie en exploratie van grondstoffen een onderscheid in rechtsregime te creëren tussen enerzijds het territoir van zijn grondgebied en anderzijds het zich daarbuiten bevindend continentaal plat, indien en voorzover sprake is van functionele jurisdictie aldaar die noodzakelijk samenhangt met het aldaar verrichten van arbeid als werknemer. Anders gezegd: heeft een lidstaat de vrijheid om werknemers die werkzaam zijn binnen de functionele jurisdictie die die lidstaat uitoefent op het continentaal plat, anders te behandelen dan werknemers die werkzaam zijn op het grondgebied van die staat? De rechtbank ziet echter geen juridische aanknopingspunten om te komen tot het oordeel dat een lidstaat niet de vrijheid heeft om een dergelijk onderscheid te maken. Ook de brieven van de Europese Commissie bieden die aanknopingspunten niet.

5.6 De rechtbank neigt vooralsnog dan ook tot het oordeel dat het bestreden besluit (en de door de nationale wetgever gemaakte keuze) niet in strijd is met het arrest Weber en het internationaal publiekrecht.

Daarbij tekent de rechtbank nog aan dat in het arrest Weber de vraag van rechtsmacht aan de orde was: een andere vraag dan hier in geding. Voorstelbaar is dat een lacune in rechtsmacht (nog) minder aanvaardbaar is dan een lacune in sociale bescherming.

5.7 Verder wijst de rechtbank erop dat de nationale Nederlandse wet voor het in het arrest Weber spelende geschil ook uitdrukkelijk rechtsmacht toekende aan een Nederlandse rechter. Anders gezegd: daar was door de nationale wetgever binnen de soevereine rechten een uitdrukkelijke keuze voor toepasselijkheid van het nationale recht gemaakt. Die situatie verschilt in zoverre van de onderhavige.

5.8 Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het arrest Aldewereld in casu dient te leiden tot het aannemen van verzekering van eiser op de datum hier in geding. De rechtbank gaat er daarbij verder van uit, dat het Nederlands deel van het continentaal plat niet valt binnen het grondgebied van Nederland c.q. de Europese Unie.

5.9 Waar het arrest Aldewereld zag op een situatie van werk in Thailand, ziet de rechtbank niet dat dat arrest niet ook betrekking kan hebben op (het Nederlandse deel van) het continentaal plat. De juridische banden van Nederland zijn immers zeker niet zwakker met een situatie op het Nederlands deel van het continentaal plat, dan met een situatie in Thailand. Dit is overigens tussen partijen ook niet in geschil.

5.10 Verweerder stelt (echter) dat het arrest Aldewereld betrekking heeft op een positief wetsconflict (waarin meerdere lidstaten zich bevoegd achten ten aanzien van dezelfde situatie), maar niet op een negatief wetsconflict. Om die reden mist het volgens verweerder toepasselijkheid in de hier voorliggende situatie.

Ook het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch acht dit gegeven doorslaggevend in vorenaangehaald arrest.

5.11 Dat in het arrest Aldewereld geen sprake was van een negatief, maar van een positief wetsconflict is naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist. De rechtbank kent echter twijfel over de vraag of dit gegeven doorslaggevend is, in aanmerking genomen dat niet alleen het voorkomen van dubbele verzekering, maar evenzeer het voorkomen van lacunes een juridisch legitiem doel is (een doel dat ook ten grondslag ligt aan Verordening nr. 1408/71). De rechtbank voegt daar nog aan toe, dat de situatie niet ondenkbaar is dat ten aanzien van een werksituatie op het continentaal plat twee lidstaten zich bevoegd achten. Er zou zich dus ook een situatie van een positief wetsconflict kunnen voordoen, waarop dan dezelfde Verordening nr. 1408/71 van toepassing is. Ook daarom ziet de rechtbank niet dat het element van een positief wetsconflict voorwaardenstellend van aard is.

5.12 Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft in genoemd arrest ook overwogen dat het arrest Aldewereld benadrukt dat de nationale wetgeving een aanknopingspunt dient te bieden met de arbeidsverhouding. Het gerechtshof concretiseert dit vervolgens in (onder meer) een eis van aangesloten zijn bij een stelsel van sociale zekerheid c.q. van een verschuldigd zijn van premies op grond van de nationale wetgeving van de lidstaat van vestiging van de werkgever.

5.13 De rechtbank vraagt zich af of het arrest Aldewereld zo gelezen dient te worden. Weliswaar biedt met name het einde van overweging 14 steun voor een dergelijke uitleg, maar de rechtbank vraagt zich af of de verwijzing naar de aansluiting bij de sociale zekerheidsregeling van een lidstaat daar is bedoeld als voorwaarde, of als een beschrijving van de door het EG-Hof in de zaak Aldewereld onder punt 4 van het arrest reeds vastgestelde feitelijke situatie.

5.14 Die vraag komt eens te meer op in het licht van het gegeven dat het EG-Hof in overweging 25 van het arrest Aldewereld niet de eis stelt dat ook sprake moet zijn van verzekering (c.q. aansluiting) op grond van de wet van het werkland. Er wordt daar immers beslissend geacht of die wet een aanknopingspunt kent tot de arbeidsverhouding. Een aanknopingspunt lijkt de rechtbank een ruimer begrip dan de term aansluitvoorwaarde.

Dat met aanknopingspunt niet wordt gedoeld op aansluitvoorwaarde, leidt de rechtbank ook af uit het gegeven dat volgens genoemde overweging 25 de betrokken persoon volgens het stelsel van de verordening (onderstreping van de rechtbank) valt onder de wetgeving van de Lid-Staat waar de werkgever is gevestigd. De rechtbank wijst er daarbij nog op dat het stellen van aansluitvoorwaarden een nationale, en niet een communautaire bevoegdheid is.

5.15 In het verlengde hiervan vraagt de rechtbank zich af of de door het gerechtshof getrokken conclusie dat op grond van het nationale recht sprake moet zijn van verschuldigdheid van premie (geheel) juist is. In casu vraagt de rechtbank zich specifiek af of in een situatie waarin de nationale wet zowel het verrichten buiten de landsgrenzen van arbeid in dienstbetrekking, als de eis van vestiging van de werkgever in Nederland als voorwaarden voor verzekering kent, niet sprake is van (zowel internationaal als nationaal bezien) voldoende aanknopingspunten als bedoeld in het arrest Aldewereld bij de rechtssfeer van Nederland, die (alsnog) leidt tot verzekering en verschuldigdheid van premie. Met name waar het EG-Hof in overweging 22 van het arrest Aldewereld een groter relatief gewicht toekent aan de vestigingsplaats van de werkgever dan aan de woonplaats van de werknemer zou die vestigingsplaats voldoende aanknopingspunt kunnen vormen, los van de vraag of strikt nationaalrechtelijk bezien wel sprake is van verzekering. Dit lijkt ook de stellingname te zijn geweest van de inspecteur in genoemde zaak die is berecht door het gerechtshof. Alsdan zou de zogeheten sterke werking van Verordening nr. 1408/71 rechtstreeks (via het aanknopingspunt van de vestigingsplaats van de werkgever) tot verzekering kunnen leiden.

5.16 Als minder verstrekkende optie die leidt tot het resultaat dat sprake is van verzekering op grond van Verordening nr. 1408/71, kan nog worden gedacht aan een uitleg waarin wel wordt gekomen tot aanwijzing van de Nederlandse wetgeving als de toepasselijke, en vervolgens wordt aangesloten bij de nationale voorwaarde van verzekering van degenen die hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen in dienst van een in Nederland woonachtige of gevestigde werkgever, waarna (op grond van de sterke werking) de uitsluitingsvoorwaarde van wonen in Nederland buiten toepassing dient te blijven.

5.17 Niet is betwist dat het bestreden besluit strijdig zou kunnen zijn met het recht van vrij verkeer van werknemers, omdat aan eiser een voordeel wordt onthouden. Dit laatste element is in casu significant aanwezig, omdat aan eiser een voordeel dat hij genoot in de situatie dat hij woonde in Nederland, is komen te ontvallen. Dat aan dit element gewicht toekomt, wordt ook geïllustreerd door het gegeven dat een voorgaande verzekering in het hiervoor weergegeven ¨Ruimere Aldewereldbeleid¨ ook een centrale plaats toekomt.

5.18 Met betrekking tot de vraag of die strijd in casu zich ook daadwerkelijk voordoet, overweegt de rechtbank nog dat het gewicht van het woonplaatsvereiste in deze zaak (die betrekking heeft op een werknemersverzekering) een ander is dan dat bij de beoordeling van een verzekering op grond van een volksverzekering. Een woonplaatsvereiste houdt in een volksverzekering immers verband met de kern en basis van die verzekering, terwijl dit in een werknemersverzekering zoals de ZW en de WIA niet het geval is. Daar ligt het zwaartepunt bij het verrichten van arbeid in dienstbetrekking.

Verder wijst de rechtbank erop dat eiser in de gelegenheid is geweest zich aansluitend vrijwillig te verzekeren, van welke gelegenheid hij ook in eerste instantie gebruik heeft gemaakt. Daaraan zou een grond kunnen worden ontleend voor het oordeel dat in casu van een (onrechtmatige) inbreuk op het recht van vrij verkeer van werknemers toch geen sprake is. Voor de volledigheid merkt de rechtbank daarbij nog op, dat het tarief van die vrijwillige verzekering per saldo het gemiddelde bedrijfstaktarief binnen Nederland is. Er is dus geen sprake van een substantieel voor- of nadeliger positie van een vrijwillig verzekerde ten opzichte van een verplicht verzekerde.

Ten slotte wijst de rechtbank erop dat de wooneis zoals die wordt gesteld in artikel 3 van de ZW , een verdacht criterium is omdat het veelal leidt tot discriminatie naar nationaliteit. In casu is dan een bijzonder element dat door die wooneis juist een onderdaan wordt getroffen van de lidstaat die deze wooneis stelt: Nederland. De vraag kan dan gesteld worden of toepassing van die wooneis in casu wel een vorm van discriminatie naar nationaliteit vormt.

5.19 Het vorenoverwogene geeft de rechtbank aanleiding aan het EU-Hof een prejudiciële vraag voor te leggen:

Beslissing

De rechtbank

- verzoekt het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het VWEU antwoord te geven op de volgende vraag:

Staan de van het Europese gemeenschapsrecht deel uitmakende regels, die ertoe strekken het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen, inzonderheid de regels die zijn neergelegd in de Titels I en II van Verordening nr. 1408/71, alsmede de artikelen 39 en 299 van het EG-Verdrag (thans respectievelijk artikel 45 VWEU en 52 VEU juncto 355 VWEU ), eraan in de weg dat de werknemer die werkzaam is buiten het Nederlandse grondgebied op een vaste installatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, voor een in Nederland gevestigde werkgever, niet verzekerd is ingevolge de nationale wettelijke werknemersverzekeringen, uitsluitend omdat hij niet woonachtig is in Nederland, maar in een andere lidstaat (in casu: Spanje), ook indien hij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en ook indien hem de mogelijkheid van een vrijwillige verzekering is geboden tegen in essentie dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de verplichte verzekering?

- houdt de verdere behandeling van het geding aan totdat het Hof arrest heeft gewezen.

Dit verzoek is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.M.T. Plouvier, griffier.

de griffier de rechter


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature