Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het college het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan Assenrade, fase 1" vastgesteld.

Uitspraak



201011006/2/R2.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hattem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het college het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan Assenrade, fase 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 februari 2011, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door S. Dom, werkzaam bij de gemeente, en door mr. V.A. Textor en mr. J.J.M. Pinners, beiden advocaat te Zwolle, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door R. Stapel en bijgestaan door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het uitwerkingsplan vormt een deeluitwerking van het bestemmingsplan "Assenrade" en heeft betrekking op de eerste fase van de woonwijk en een deel van de groenzone bij de entree van de wijk. Het plangebied ligt ten noordwesten van het centrum van Hattem en ten noordoosten van de wijk Gaperslanden. Het uitwerkingsplan voorziet in de bouw van ongeveer 115 woningen.

2.3. Het college stelt dat het uitwerkingsplan onder de werking van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) valt.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met bijlage I, onder 3.1, van de Chw, voor zover van belang, is afdeling 2 van deze wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wro ten behoeve van de bouw van meer dan twintig woningen in een aaneengesloten gebied.

De voorzitter is van oordeel dat een uitwerkingsplan dat is gebaseerd op een uitwerkingsplicht die is opgenomen in een bestemmingsplan dat tot stand is gekomen onder vigeur van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), geen plan is krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Gelet hierop valt het uitwerkingsplan naar het oordeel van de voorzitter niet onder categorie 3.1 van bijlage 1 van de Chw en is afdeling 2 van de Chw derhalve niet van toepassing op het voorliggende besluit.

2.4. Ingevolge artikel 9.1.5, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening , voor zover hier van belang, blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet (1 juli 2008) van toepassing ten aanzien van een uitwerkingsplan waarvan het ontwerp binnen een jaar na dat tijdstip ter inzage is gelegd.

[verzoeker] betoogt tevergeefs dat het uitwerkingsplan in strijd met de procedureregels in het bestemmingsplan "Assenrade" niet ter goedkeuring is aangeboden aan het college van gedeputeerde staten. Uit artikel 9.1.5. van de Invoeringswet Wro volgt dat een uitwerkingsplan dat is gebaseerd op een uitwerkingsplicht die is opgenomen in een bestemmingsplan dat tot stand is gekomen onder vigeur van de WRO en dat na 1 juli 2009 in ontwerp ter inzage is gelegd, tot stand dient te komen met toepassing van afdeling 3.2A van de Wro. Aangezien de Wro niet voorziet in een goedkeuringsvereiste, behoefde het plan niet ter goedkeuring aan het college van gedeputeerde staten te worden aangeboden.

2.5. Voorts heeft het college ter zitting verklaard dat eerst de woningen worden gerealiseerd voordat wordt begonnen met realisatie van de plandelen met de bestemming "Groen". Volgens het college en [belanghebbende] zullen dan ook geen omgevingsvergunningen worden aangevraagd voor deze bestemming totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat in zoverre geen onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het plan te verwachten zijn. Mochten de omstandigheden in de tussentijd wijzigen in die zin dat toch in zoverre uitvoering wordt gegeven aan het plan en daardoor voor een onomkeerbare situatie dient te worden gevreesd, dan kan [verzoeker] een nieuw verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening indienen. Gelet op het voorgaande ontbreekt wat betreft de plandelen met de bestemming "Groen" het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. Het verzoek van [verzoeker] richt zich verder tegen de mogelijkheid in artikel 7.1, onder a, van de planregels om gronden met de bestemming "Wonen" mede te gebruiken voor een aan huis verbonden beroep.

Het feit dat hangende de beroepsprocedure bij de Afdeling een woning mogelijk zal worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroep brengt geen onomkeerbare situatie met zich mee. Tegen gebruik dat aanvangt na de inwerkingtreding van het plan kan immers, indien het besluit tot vaststelling van het plan op dit punt wordt vernietigd, worden opgetreden wanneer dat gebruik niet in overeenstemming is met het planologisch regime dat na de vernietiging geldt. De inwerkingtreding van het plan leidt in zoverre niet tot een juridisch onomkeerbare situatie. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat met het verzoek van [verzoeker] ook in zoverre geen spoedeisend belang is gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

2.7. Voorts voert [verzoeker] aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor de natuurwaarden, met name voor de waterspitsmuis. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft hij het rapport "Second opinion aanvullend onderzoek naar waterspitsmuis te Assenrade", van 3 februari 2011, opgesteld door Bureau Waardenburg B.V., (hierna: rapport Waardenburg) overgelegd.

2.7.1. De voorzitter stelt voorop dat met het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan "Assenrade" de bouw van de woningen in beginsel als een gegeven moet worden beschouwd. De daaruit voortvloeiende gevolgen moeten worden geacht bij dat plan reeds te zijn afgewogen. Met het onderhavige plan wordt ten dele voldaan aan de verplichting tot uitwerking van het bestemmingsplan. Naar aanleiding van de quickscan die aan het bestemmingsplan "Assenrade" ten grondslag ligt is bij de vaststelling van het onderhavige plan een aanvullend onderzoek gedaan naar het voorkomen van de waterspitsmuis. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van Ecogroen van 20 december 2007. Daarin staat dat uit de resultaten van het onderzoek volgt dat de waterspitsmuis niet in het plangebied voorkomt.

2.7.2. In het rapport Waardenburg staan een aantal conclusies op grond waarvan de eindconclusie is getrokken dat op basis van het door Ecogroen opgestelde aanvullende rapport niet goed kan worden beoordeeld of de waterspitsmuis in het plangebied voorkomt. Volgens het rapport Waardenburg zijn het aanwezige biotoop binnen het plangebied van het uitwerkingsplan en de door Ecogroen gebruikte methodiek onvoldoende beschreven.

2.7.3. In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd ziet de voorzitter vooralsnog geen aanleiding om te oordelen dat in het aanvullende rapport van Ecogroen onvoldoende inzicht is gegeven in de gebruikte methodiek en de gevolgde werkwijze, zodat reeds daarom aanleiding zou bestaan voor het oordeel dat het college niet van deze rapporten had mogen uitgaan. In de quickscan die ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan "Assenrade" is een biotoopbeschrijving opgenomen van de waterspitsmuis. Volgens het aanvullende rapport van Ecogroen is aan de hand van deze beschrijving op de drie gunstigste locaties in het gebied, die in bijlage 1 bij het rapport zijn aangegeven met een groene streep, onderzoek gedaan naar het voorkomen van de waterspitsmuis. In aanmerking genomen het late tijdstip waarop het rapport Waardenburg in de procedure is overgelegd, is de voorzitter van oordeel dat het college de argumenten over het gebruikte aas, de wijze waarop de vallen zijn geplaatst en over de duur van het veldonderzoek op voldoende wijze ter zitting heeft weerlegd. Nu voor het rapport Waardenburg geen veldwerk is verricht en vooral is volstaan met de conclusie dat niet goed kan worden beoordeeld of de waterspitsmuis in het gebied voorkomt, doch niet op grond van eigen onderzoek concreet is onderbouwd dat de waterspitsmuis daar wel voorkomt, ziet de voorzitter in het rapport Waardenburg voorshands onvoldoende aanleiding voor de verwachting dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat het aanvullende rapport van Ecogroen zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont, dat het college zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet mocht baseren.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.8. Volgens de uitwerkingsregels in artikel 6.2.1. van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Assenrade", voor zover thans van belang, geldt voor het inrichten van het gebied dat bij het projecteren van bebouwing rekening wordt gehouden met eventueel voorkomende archeologische waarden.

Volgens de plantoelichting heeft de Archeologische Dienst Zwolle aangegeven dat voor het plangebied van het uitwerkingsplan geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Verder staat daarin dat met de Archeologische Dienst is afgesproken dat zij aanwezig zal zijn bij graafwerkzaamheden in het gebied waar de archeologische verwachtingswaarde 50 procent is.

In hetgeen is aangevoerd ziet de voorzitter op voorhand onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat in het plan onvoldoende rekening is gehouden met mogelijke in het gebied voorkomende archeologische waarden en dat het plan derhalve in zoverre is vastgesteld in strijd met de uitwerkingsregels.

2.9. Ook in het betoog van [verzoeker] dat het plan niet uitvoerbaar is vanwege het ontbreken van een planschadeovereenkomst ziet de voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat het college heeft aangegeven dat ter zake van de grondexploitatie in februari 2010 een anterieure overeenkomst is gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over alle kostensoorten en over de verdeling van die kosten tussen partijen. Hierbij is volgens het college rekening gehouden met de uitkomsten van de planschadeanalyse.

2.10. In hetgeen [verzoeker] verder in zijn beroepschrift heeft aangevoerd omtrent mogelijke overlast door het gebruik van lichtmasten bij de bestemming "Verkeer", de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit en de waterhuishouding en de mogelijke geurhinder van twee veehouderijen, ziet de voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, nu op voorhand daarin geen althans onvoldoende aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de verwachting dat dit in de bodemprocedure zal leiden tot het oordeel dat het college het plan niet had mogen vaststellen.

Gelet op het vorenstaande en mede gelet op de belangen die zijn gemoeid met de bouw van de woningen ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Smit-Colenbrander, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Smit-Colenbrander

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

432.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature