Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Studiefinanciering; verjaring; inningsbevoegdheid: burgerlijk recht: BW; Nederlandse Antillen; Nederlands-Antilliaans recht; overgangsregeling

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 245162 / HA ZA 05-2468

Vonnis (bij vervroeging) van 2 februari 2011

in de zaak van

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting

STICHTING STUDIEFINANCIERING CURAÇAO,

gevestigd te Willemstad, Curaçao,

eiseres,

advocaat mr. R.D. Rischen,

tegen

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. R. van Rees.

Partijen zullen hierna SSC en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van deze rechtbank van 10 november 2010 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de akte uitlaten van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

toepasselijk recht

2.1. In het vonnis van 10 november 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat de overeenkomst wordt beheerst door het Antilliaanse recht. Deze beslissing van de rechtbank is aan te merken als bindende eindbeslissing omdat uit de door de rechtbank gekozen bewoordingen blijkt dat de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist.

Op grond van vaste rechtspraak geldt voor een dergelijke, bindende eindbeslissing de op beperking van het processuele debat gerichte regel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere, door de rechter nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing zou zijn gebonden.

2.2. In hetgeen [gedaagde] in de akte uitlaten heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding op haar onder 2.1. weergegeven eindbeslissing terug te komen. Naar het oordeel van de rechtbank is van een feitelijke (en daaruit voortvloeiende juridische) misslag geen sprake. Gelet hierop gaat de rechtbank dan ook voorbij aan hetgeen [gedaagde] bij akte uitlaten nog heeft aangevoerd in verband met het toepasselijk recht.

verjaring

2.3. Ten verwere tegen de vordering heeft [gedaagde] zich (onder meer) beroepen op verjaring. In dat kader heeft zij betwist dat de vordering tijdig is gestuit. De rechtbank overweegt als volgt.

2.4. Op grond van artikel 1986 van het oude Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen gold voor een vordering als de onderhavige een verjaringstermijn van dertig jaren. Naar SSC onweersproken heeft gesteld – en mitsdien vast staat – is de litigieuze studieschuld op 1 juli 1996 opeisbaar geworden. Dit brengt met zich dat de dertigjarige verjaringstermijn op 1 juli 1996 is aangevangen.

2.5. Het nu geldende Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen (BW) is op 1 januari 2001 in werking getreden. Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW verjaart een vordering als de onderhavige vijf jaren nadat zij opeisbaar is geworden. Uit artikel 8 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen volgt dat de vijfjarige verjaringstermijn pas met ingang van 1 januari 2002 van toepassing was. Hieruit volgt dat de oude verjaringstermijn van dertig jaren nog tot 1 januari 2002 kon worden gestuit.

2.6. De stelling van SSC dat de verjaring door middel van het exploot van 4 juli 2001 is gestuit, treft alleen doel indien komt vast te staan dat SSC op die datum bevoegd was om deze verklaring te doen.

2.7. Stuiting van de verjaring van een rechtsvordering kan ook door een vertegenwoordiger geschieden. Indien SSC door het Eilandgebied gemachtigd was om de vordering op [gedaagde] te innen, was zij, afhankelijk van de strekking van die machtiging, in beginsel bevoegd om de vordering namens het Eilandgebied te (laten) stuiten. SSC heeft zich in dit verband (onder meer) beroepen op een overeenkomst van lastgeving en volmacht tussen het Eilandgebied en SSC, overgelegd als productie 11 bij akte uitlating productie, waarin als datering het jaartal 1991 is vermeld.

2.8. [gedaagde] heeft de inhoud en datering (1991) van de overeenkomst van lastgeving en volmacht niet weersproken. Daarmee staat vast dat SSC bij de overeenkomst van lastgeving en volmacht namens het Eilandgebied is gemachtigd tot onder meer het (buiten rechte) invorderen van studieschulden zoals die van [gedaagde]. Dit houdt mede een machtiging tot (buitengerechtelijke) stuiting in.

Dit betekent dat SSC bevoegd was om bij exploot van 4 juli 2001 [gedaagde] tot nakoming aan te manen. Daarmee is ingevolge artikel 3:317 lid 1 BW de verjaring van de vordering op [gedaagde] is gestuit.

2.9. Vanaf 5 juli 2001 is een (nieuwe) verjaringstermijn van vijf jaren gaan lopen. Die termijn is (in ieder geval) rechtsgeldig gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding op 22 augustus 2005.

2.10. Voor toewijzing van de vordering is niet nodig dat SSC ten tijde van de inleidende dagvaarding bevoegd was om de vordering op eigen naam en voor zichzelf te innen. Indien zij die bevoegdheid op dit moment heeft, is dat voldoende. Dat SSC op dit moment bevoegd is om de vordering op eigen naam en voor zichzelf te innen volgt uit de akte van cessie van 1 juli 2004, waarvan mededeling aan [gedaagde] is gedaan, reeds doordat die akte bij conclusie van repliek in het geding is gebracht en SSC er een beroep op heeft gedaan.

2.11. Nu de verjaringstermijn steeds tijdig is gestuit, faalt het beroep van [gedaagde] op verjaring.

hoogte van de studieschuld

2.12. SSC vordert in hoofdsom een bedrag van in totaal € 7.440,57 (NLG 16.379,56). Dit bedrag omvat de door of namens het Eilandgebied uit hoofde van de overeenkomst aan [gedaagde] uitbetaalde gelden (NLG 98.207,77), verminderd met de door de Informatie Beheer Groep ontvangen studiefinanciering (NLG 82.745,91), vermeerderd met de reiskosten (NLG 935,00), aldus SSC. [gedaagde] betwist dat de hoogte van de studieschuld een bedrag van in totaal € 7.440,57 bedraagt, althans betoogt dat SSC ten hoogste toekomt het in het exploot van 4 juli 2001 genoemde bedrag van NLG 6.379,56.

2.13. In reactie op het betoog van [gedaagde] dat SSC ten hoogste toekomt het in het exploot van 4 juli 2001 genoemde bedrag heeft SSC aangevoerd dat sprake is van een kennelijke verschrijving in het exploot van 4 juli 2001. De hoofdsom bedraagt NLG 16.379,56 (€ 7.440,57) doch de eerste 1 is per abuis in het exploot weggevallen, zodat daarin het – onjuiste – bedrag van NLG 6.379,59 kwam te staan, aldus SSC. [gedaagde] heeft niet weersproken dat in het exploot van 4 juli 2001 sprake is van een kennelijke verschrijving. Dit staat zodoende vast.

2.14. SSC heeft de hoogte van de studieschuld gespecificeerd en stukken in het geding gebracht waaruit blijkt welke bedragen het Eilandgebied ten behoeve van [gedaagde] heeft uitbetaald dan wel ontvangen. [gedaagde] heeft betwist dat er een bedrag van NLG 98.207,77 aan haar zou zijn betaald en dat er in mindering daarop van de kant van de IBG aan het Eilandgebeid zou zijn betaald een bedrag van NLG 82.745,91.

2.15. Gelet op de gemotiveerde stellingen van SSC had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [gedaagde] gelegen om deze stellingen gemotiveerd te betwisten. Het overleggen van een e-mailbericht van [gedaagde] aan haar advocaat waarin verscheidene bedragen staan genoemd kan op zichzelf genomen niet als een toereikende onderbouwing van haar verweer worden aangemerkt.

Aldus dient als niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken van de juistheid van de door SSC gestelde hoogte van de studieschuld te worden uitgegaan. De vordering ligt dan ook in zoverre voor toewijzing gereed.

nevenvorderingen

2.16. SSC heeft voorts vergoeding van de contractuele rente van 10% per jaar gevorderd vanaf - om haar moverende redenen – 4 augustus 2001. Subsidiair vordert SSC de wettelijke rente. [gedaagde] betwist contractuele rente verschuldigd te zijn en voert daartoe aan dat van één van de omstandigheden als genoemd in artikel 3 lid 5 van de overeenkomst geen sprake is.

2.17. Nu uit de overgelegde stukken niet blijkt dat partijen een rente van 10% per jaar zijn overeengekomen, zal de rechtbank [gedaagde] dan ook veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente en wel vanaf 4 augustus 2001.

2.18. SSC heeft tenslotte vergoeding van de buitengerechtelijke kosten gevorderd van

€ 1.024,24 inclusief BTW. Subsidiair vordert SSC een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 913,92 inclusief BTW, conform rapport Voorwerk II. [gedaagde] betwist buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn en voert daartoe aan dat geen sprake is van redelijk gemaakte kosten.

2.19. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overgelegde stukken voldoende dat SSC kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte heeft gemaakt. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is slechts toewijsbaar voor zover de omvang daarvan redelijk is. De primaire vordering van SSC gaat het in het rapport Voorwerk II gehanteerde forfaitaire tarief, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht, te boven. Uit de stellingen van SSC kan niet worden afgeleid dat zij duidelijk meer buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt dan in dit tarief is besloten. De door SSC gemaakte kosten moeten dan ook als onredelijk worden aangemerkt voor zover zij het forfaitaire tarief overschrijden. De vordering zal daarom worden toegewezen tot het subsidiair door SSC gevorderde bedrag.

2.20. Ten aanzien van de gevorderde BTW over deze kosten oordeelt de rechtbank dat deze kosten geen vergoeding vormen van het salaris voor de advocaat - daarvoor is de proceskostenveroordeling - maar van buitengerechtelijke (deurwaarders)kosten. De ambtelijke werkzaamheden van de gerechtsdeurwaarders zijn met ingang van 1 januari 1991 onderworpen aan het hoge BTW-tarief. Eiseres heeft geen vooraftrek van BTW en kan derhalve de aan de deurwaarder betaalde BTW niet als vermogensschade in mindering brengen. De rechtbank zal de buitengerechtelijke kosten derhalve toewijzen inclusief BTW zoals – overigens onweersproken – gevorderd.

2.21. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SSC worden begroot op:

- dagvaarding € 85,60

- vast recht € 291,00

- salaris advocaat € 1.356,00 (3,0 punten x tarief € 452,00)

Totaal € 1.732,60

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan SSC te betalen het bedrag van € 7.440,57 (zegge: zevenduizendvierhonderdveertig euro en zevenenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 augustus 2001 tot aan de dag der voldoening, alsmede vermeerderd met een bedrag van € 913,92 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten;

3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van SSC tot op heden begroot op € 1.732,60;

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2011.?


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature