Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Echtscheiding. Internationaal: welk recht is op de echtscheiding van toepassing. Ontbreken van een ouderschapsplan

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 22 december 2010

Zaaknummer : 200.069.225/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-6769

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H. Polat te ‘s-Gravenhage,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S. Salhi te [woonplaats].

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 28 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een beschik¬king van 6 april 2010 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De man heeft op 10 augustus 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw is bij het hof op 3 augustus 2010 een aanvullend stuk ingekomen.

Op 18 november 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de advocaat van de man. De vrouw is voorts bijgestaan door de

heer A. Bekdemir, tolk in de Turkse taal. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de echtscheiding uitgesproken tussen: [de man] en [de vrouw] (blijkens de overgelegde uittreksels uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [woonplaats] geheten: [de man] en [de vrouw]) gehuwd [in] 1992 te [woonplaats], [land].

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de tussen partijen uitgesproken echtscheiding.

2. De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking de bestreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de man niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek tot echtscheiding dan wel dat deze wordt afgewezen.

3. De man bestrijdt het beroep van de vrouw en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep dan wel de grieven van de vrouw ongegrond te verklaren, althans af te wijzen.

Echtscheiding

Toepasselijk recht

4. In haar eerste grief stelt de vrouw zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Nederlandse recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing is, nu volgens de vrouw op grond van artikel 1, lid 1 onder a, van de Wet conflictenrecht ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed (hierna: WCE) Turks recht van toepassing is. Immers, het Turks recht is het gemeenschappelijk nationaal recht van partijen, aldus de vrouw. Voorts stelt de vrouw zich in haar tweede grief op het standpunt dat de rechtbank de realiteitstoets ten onrechte, dan wel onjuist, heeft toegepast. Zij voert daartoe aan dat geen sprake is van het ontbreken van een werkelijke maatschappelijke band met [land]. De werkelijke maatschappelijke band van partijen met [land], zowel in objectieve als subjectieve zin, is volgens de vrouw nog steeds tussen partijen sterk aanwezig.

5. Het hof overweegt als volgt. Beide partijen hebben de Turkse nationaliteit. Ingevolge artikel 1, lid 1 onder a, van de WCE wordt de vraag of ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed kan worden gevorderd of verzocht en op welke gronden bepaald door de gemeenschappelijk nationale wet van partijen, tenzij een gemeenschappelijk nationaal recht ontbreekt. Met het ontbreken van een gemeenschappelijk nationale wet wordt gelijkgesteld het geval dat één van de partijen geen werkelijke maatschappelijke band heeft met het nationaliteitsland (realiteitstoets), tenzij beide partijen een rechtskeuze hebben uitgebracht voor hun gemeenschappelijke nationale wet (art. 1 lid 2 WCE). Van een dergelijke rechtskeuze is in dit geval geen sprake. Indien voor één van partijen een werkelijke maatschappelijke band met het land van de gemeenschappelijke nationaliteit kennelijk ontbreekt, is de wet van het land van de gewone verblijfplaats van partijen van toepassing (art. 1 lid 1 onder b WCE). In het onderhavige geval is dat het Nederlandse recht..

6. De man heeft gemotiveerd aangevoerd dat zijn Turkse nationaliteit geen realiteitswaarde heeft. Of voor een partij een werkelijke maatschappelijke band met het land van de gemeenschappelijke nationaliteit kennelijk ontbreekt, wordt bepaald door alle omstandigheden van het geval. Daaronder begrepen de factoren die de betrokken echtgenoot – appellant – aan Nederland binden. Het woord ‘maatschappelijk’ maakt duidelijk dat het bij de vraag naar de band met het land der gemeenschappelijke nationaliteit niet zozeer aankomt op gevoelsmatige (subjectieve) banden met het nationaliteitsland, maar veeleer op economische en sociale (objectieve) banden.

7. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de man op dertienjarige leeftijd van [land] naar Nederland is verhuisd in het kader van gezinshereniging. De man is nadien in Nederland naar school gegaan en is niet in Turkse militaire dienst geweest, De man woont en werkt sinds zijn komst naar Nederland als dertienjarige onafgebroken in Nederland Zijn vrienden en familie wonen eveneens in Nederland en de kinderen van partijen zijn in Nederland geboren, zijn in Nederland opgevoed en gaan hier naar school. Voorts is de man voornemens om in Nederland te blijven wonen. Hij heeft niet de wens terug te keren naar [land].

Gelet op vooromschreven factoren is het hof van oordeel dat, in elk geval voor de man, een werkelijke maatschappelijke band met [land] kennelijk ontbreekt. Daaruit volgt dat een gemeenschappelijk nationaal recht wordt geacht te ontbreken, zodat het Nederlandse recht als het recht van het land waarin partijen hun gewone verblijfplaats hebben van toepassing is op het onderhavige verzoek tot echtscheiding van de man (art. 1 leden 1 onder b en 2 WCE)..

Duurzame ontwrichting

8. In de derde grief stelt de vrouw zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. De vrouw betoogt dat geen sprake is van duurzame ontwrichting. De omstandigheid dat partijen niet samenwonen betekent volgens haar niet dat sprake is van een ontwrichting. Bovendien, zo heeft de vrouw gesteld, heeft de man tot op heden niet duidelijk kunnen maken waarom hij van haar wenst te scheiden.

9. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek de echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten kan worden uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Een huwelijk is duurzaam ontwricht indien de voortzetting der samenleving ondraaglijk is geworden en geen uitzicht bestaat op herstel van enigszins behoorlijke echtelijke verhoudingen.

10. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de man in hoger beroep volhardt in zijn wens tot echtscheiding. Nu de man persisteert bij zijn stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, moet als objectief vaststaand worden aangenomen dat er geen uitzicht bestaat op herstel van de echtelijke verhoudingen. De bestreden beschikking dient ten aanzien van de echtscheiding derhalve te worden bekrachtigd.

Ouderschapsplan

11. In de vierde grief stelt de vrouw zich op het standpunt dat de rechtbank de man ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan.

12. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan. Het hof neemt die gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Gelet hierop faalt de vierde grief van de vrouw. Overigens heeft de vrouw zich niet uitgelaten over het door de man eenzijdig opgesteld ouderschapsplan. Voorts heeft zij niet gegriefd tegen het voorzien in een ouderschapsplan door de rechtbank conform artikel 815, lid 6, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

13. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zo¬ver aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Stollenwerck en Van Veen, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2010.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature