Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling wegens poging tot doodslag en bedreiging tot een gevangenisstraf 24 maanden. Deskundige is van mening dat het ontstane letsel kan zijn veroorzaakt door het mes van verdachte, maar niet is uit te sluiten dat het letsel op andere wijze is ontstaan, bijvoorbeeld door een val van de trap waarbij een scherp uitsteeksel is geraakt. In de context van verklaringen van aangever en getuigen acht het hof dit laatste scenario, dat door verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht, niet aannemelijk geworden.

Uitspraak



Parketnummer: 24-002174-10

Parketnummer eerste aanleg: 18-670002-10

Arrest van 23 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 9 september 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1979] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op het beslag en op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en het inbeslaggenomen mes zal verbeurd verklaren. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 3201,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, overeenkomstig de in eerste aanleg gewijzigde tenlastelegging, ten laste gelegd, dat:

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 4 januari 2010, te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [benadeelde] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- met een mes in de hand, die [benadeelde] heeft benaderd en/of

- die [benadeelde] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- die [benadeelde] een mes op de hals, althans het lichaam, heeft gedrukt, althans een mes in de nabijheid van de hals en/of nek, althans het lichaam, van die [benadeelde] heeft gebracht en/of

- die [benadeelde] met een mes in de hals en/of nek, althans het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden, althans getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 04 januari 2010 te [plaats] opzettelijk een persoon (te weten [benadeelde]), heeft mishandeld, door

- deze [benadeelde] stevig vast te pakken en vervolgens stevig tegen een muur te drukken en/of

- de arm van deze [benadeelde] klem te zetten en/of een mes tegen de hals en/of nek te drukken of houden,

waardoor/waarbij die [benadeelde] ten val is gekomen dan wel van de trap is gesprongen, waardoor deze [benadeelde] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden,

ten gevolge van welke mishandeling bij [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt, te weten een complexe enkelbreuk waarvoor operatief ingrijpen vereist was en waardoor die [benadeelde] gedurende ruime tijd niet in staat was om zijn normale bezigheden uit te voeren;

feit 2:

hij op of omstreeks 04 januari 2010 te [plaats] [benadeelde] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [benadeelde] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2]

- met een (groot) mes benaderd en/of

- een (groot) mes getoond/voorgehouden en/of

- met een (groot) mes heeft achtervolgd;

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof gaat op basis van de in het dossier aanwezige verklaringen uit van de volgende feiten.

De vriendin van verdachte, [vriendin], woont in januari 2010 in het pand aan de [adres] te [plaats] op de tweede verdieping. Aangever [benadeelde] woont in hetzelfde pand op de derde verdieping. Op de begane grond bevindt zich een centrale toegangsdeur naar de trapopgang. Op de avond van 4 januari 2010 omstreeks 21.30 uur krijgt [benadeelde] bezoek van [getuige 1] en [getuige 2]. Terwijl [getuige 1] en [getuige 2] staan te wachten tot [benadeelde] de deur voor hen opendoet, gooien zij sneeuwballen tegen het raam van de tweede verdieping. [vriendin] doet het raam open en maakt een opmerking naar de jongens. Ondertussen loopt [benadeelde] van de derde verdieping naar beneden om de deur te openen. Als [benadeelde] de deur geopend heeft, lopen de drie jongens naar boven, waarbij [benadeelde] voorop loopt.

[vriendin], die het gegooi van de sneeuwballen en het daarop volgende lawaai op de metalen trappen in het trappenhuis bedreigend vindt, heeft ondertussen haar vriend, verdachte, wakker gemaakt. Verdachte komt uit bed en pakt een mes uit de keuken. Dit betreft het mes dat op bladzijde 39 van het dossier staat afgebeeld.

Vanaf dit moment lopen de verklaringen over het gebeurde uiteen tussen enerzijds de drie jongens en anderzijds verdachte en zijn vriendin. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen zoals die door de verschillende betrokkenen zijn afgelegd, neemt het hof het volgende in aanmerking.

Verdachte en [vriendin] hebben gedurende het onderzoek, zowel bij de politie als ter terechtzitting van de rechtbank, wisselende verklaringen afgelegd. Ook onderling wijken deze verklaringen van elkaar af.

Aangever [benadeelde] en de beide getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn daarentegen wel consistent in de verklaringen die zij omtrent de gebeurtenissen hebben afgelegd. Deze verklaringen komen op hoofdlijnen onderling met elkaar overeen.

Gelet hierop acht het hof de verklaringen van [benadeelde], [getuige 1] en [getuige 2] betrouwbaar en neemt deze verklaringen als uitgangspunt voor verdere vaststelling van de feiten.

Uit de verklaringen van [benadeelde], [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat [benadeelde] ter hoogte van de eerste verdieping verdachte vanaf de tweede verdieping de trap af ziet lopen. Verdachte heeft op dat moment een mes in de hand. Verdachte drukt [benadeelde] klem tegen de muur en houdt het mes tegen de hals van [benadeelde]. [benadeelde] weet de hand met daarin het mes weg te duwen en springt in paniek de trap af, waarbij hij zijn hak/hielbeen breekt. Later bemerkt [benadeelde] dat hij een wond in zijn hals/nek heeft.

Uit de in het dossier aanwezige rapportages alsmede uit de ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring van [deskundige] forensisch arts, blijkt dat naar haar deskundige mening het ontstane letsel kan zijn veroorzaakt door het mes van verdachte, maar dat niet is uit te sluiten dat het letsel op andere wijze is ontstaan, bijvoorbeeld door een val van de trap waarbij een scherp uitsteeksel is geraakt.

In de context van eerdergenoemde verklaringen van [benadeelde], [getuige 1] en [getuige 2] acht het hof dit laatste scenario, dat door verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht, niet aannemelijk geworden.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde] met een mes in de hand heeft benaderd, [benadeelde] heeft vastgepakt, een mes naar diens hals heeft gebracht en met dit mes in de hals heeft getroffen.

Door met een mes (ernstig) letsel te veroorzaken in een kwetsbaar lichaamsdeel als de hals/nek, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg van zijn handelen aanvaard. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeelde] heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

feit 1 primair:

hij op 4 januari 2010, te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet

- met een mes in de hand, die [benadeelde] heeft benaderd en

- die [benadeelde] heeft vastgepakt en vastgehouden en

- een mes in de nabijheid van de hals en/of nek van die [benadeelde] heeft gebracht en

- die [benadeelde] met een mes in de hals en/of nek heeft getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2:

hij op 04 januari 2010 te [plaats] [benadeelde] en [getuige 1] en [getuige 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [benadeelde]

- met een (groot) mes achtervolgd

en die [getuige 1] en [getuige 2]

- met een (groot) mes benaderd en

- een (groot) mes getoond/voorgehouden en

- met een (groot) mes achtervolgd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

feit 1 primair:

poging tot doodslag;

feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. In de feiten die het hof hierboven heeft vastgesteld ligt echter reeds besloten dat er geen sprake was van een situatie waarin verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Ook was de situatie niet zodanig dat verdachte kon menen dat dit wel het geval was. In het verlengde hiervan kan ook een beroep op noodweerexces niet slagen. Het beroep op noodweer(exces) faalt en behoeft derhalve geen nadere bespreking.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden ook overigens niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 4 januari 2010 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag.

Verdachte heeft door aangever [benadeelde] met een (vervaarlijk uitziend) mes in de hand te benaderen, hem vast te pakken, het mes naar diens hals te brengen en hem vervolgens met het mes in de hals te treffen, het risico genomen dat [benadeelde] het leven zou verliezen. Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde]. Poging tot doodslag is een ernstig geweldsdelict dat een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt en leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Naast het lichamelijk letsel dat [benadeelde] hierbij heeft opgelopen (een wond in zijn hals) leert de ervaring dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daarvan ook nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Dit geldt in deze zaak temeer nu [benadeelde] onverhoeds en zonder enige aanleiding door verdachte is aangevallen. Immers, [benadeelde] wist naar alle waarschijnlijkheid niets van de sneeuwballen die zijn vrienden tegen het raam van [vriendin] hadden gegooid.

Het hof wil aannemen dat ook bij verdachte sprake is geweest van een misverstand, omdat hij niet wist dat de sneeuwballengooiende jongens op bezoek kwamen bij een andere bewoner ([benadeelde]) van het pand. Dit neemt echter niet weg dat verdachte buitenproportioneel heeft gereageerd en dat het gebeurde hem volledig aan te rekenen valt.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens rekening gehouden met het de verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door hem en zijn raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur, zoals door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden is.

Verbeurdverklaring

Het door het hof verbeurd te verklaren goed (te weten: (kap)mes zwart) is daarvoor vatbaar, nu de hiervoor bewezen verklaarde feiten met behulp van dit goed zijn begaan en uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat dit goed toebehoort aan verdachte.

Benadeelde partij [benadeelde]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat de benadeelde partij zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij

door het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 2017,-, bestaande uit € 1900,- smartengeld, € 96,- reiskosten en € 21,- verblijf ziekenhuis en rekening houdend met de reeds door het Schadefonds geweldsmisdrijven uitgekeerde schadevergoeding. Derhalve kan de vordering, die het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, tot dat bedrag worden toegewezen.

Nu de door de benadeelde partij gevorderde posten "verzorging door ouders" en "loondoorbetaling werkgever" geen schade betreft van de benadeelde partij maar van zijn ouders respectievelijk werkgever, dient de vordering op deze onderdelen te worden afgewezen.

Het hof is van oordeel dat de behandeling van de vordering, voor zover het betrekking heeft op de door de benadeelde partij gestelde studievertraging en porto/telefoonkosten een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof bepaalt, gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat dit onderdeel van de vordering daarom niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Gelet op vorenstaande dient de verdachte, als de (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. Het hof heeft de kosten die de hierboven genoemde benadeelde partij heeft gemaakt tot aan deze uitspraak, aan de hand van het liquidatietarief rechtbanken en hoven, begroot op € 1356,- (3 punten voor indienen vordering en verschijning zowel in eerste aanleg als in hoger beroep à € 452,- per punt).

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht , zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd:

(kap)mes zwart;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van tweeduizend zeventien euro;

wijst af het door de benadeelde partij gevorderde ter zake van de verzorging door zijn ouders en de loondoorbetaling door zijn werkgever;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweeduizend zeventien euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot op deze uitspraak begroot op duizend driehonderdzesenvijftig euro - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. W. Landstra als griffier, zijnde mr. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature