Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Administratiekosten. Het doorberekenen van administratiekosten is niet in strijd met verdragsbepalingen.

Uitspraak



WAHV 200.069.282

14 januari 2011

CJIB 132229587

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch

van 18 mei 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoodeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 207,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen, met 33 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 4 juli 2009 om 12.50 uur op de Rijksweg A59 links te Vlijmen met het voertuig met het kenteken [00-AB-AB].

2. De betrokkene verzoekt de inleidende beschikking te vernietigen danwel de sanctie drastisch te verlagen en voert daartoe een aantal argumenten aan. Ten eerste voert de betrokkene aan dat de beslissing van de kantonrechter geen concreet en volledig waarheidsgetrouw beeld geeft van het zeer ongebruikelijke en onregelmatige verloop van de mondelinge behandeling van de zaak. Niet is vermeld dat de bode ter zitting zijn excuses maakte omdat de betrokkene naar een verkeerde zaal was gestuurd. Vanwege andere gemaakte afspraken was de betrokkene door tijdgebrek niet in staat zijn beroepschrift inhoudelijk mondeling toe te lichten en inhoudelijk te reageren op het mondelinge inhoudloze juridische pleidooi van de betreffende officier van justitie.

3. In het proces-verbaal noch in de beslissing van de kantonrechter hoeft te worden vermeld dat een betrokkene later arriveerde en waarom. Voor zover de betrokkene bedoelt aan te voeren dat hij in zijn belangen is geschaad omdat hij vervolgens onvoldoende tijd en gelegenheid heeft gekregen om zijn standpunt nader toe te lichten, overweegt het hof het volgende. Het had op de weg van de betrokkene weg gelegen om dit punt ter zitting van de kantonrechter naar voren te brengen en zo nodig te verzoeken om meer tijd dan wel aanhouding van zijn zaak. Niet gesteld of gebleken is dat de betrokkene een dergelijk verzoek heeft gedaan. De kantonrechter hoeft een verzoek om aanhouding overigens niet toe te wijzen. Verder blijkt uit de beslissing van de kantonrechter dat de betrokkene ter zitting een op schrift gestelde toelichting met bijlagen heeft overgelegd. Deze stukken bevinden zich ook in het dossier. De kantonrechter heeft op 18 mei 2010 op het beroep beslist. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de kantonrechter de ter zitting overgelegde stukken niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Het is het hof niet gebleken dat de betrokkene in zijn belangen is geschaad doordat hij ter zitting mogelijk minder tijd heeft gekregen om zijn beroep toe te lichten dan hij zelf wenselijk achtte.

4. De betrokkene heeft in zijn tegen de beslissing van de officier van justitie gerichte beroepschrift aangevoerd dat de officier van justitie hem ten onrechte niet heeft gehoord. In zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking heeft de betrokkene vermeld:

"Voor een mondelinge toelichting wordt Ondergetekende graag door u integraal gehoord op tel. (…)."

5. Ingevolge artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, WAHV moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Van het horen kan op grond van het bepaalde in artikel 7:17 Awb worden afgezien, indien - voor zover hier van belang - het beroep kennelijk ongegrond is.

6. In de motivering van zijn beslissing d.d. 26 augustus 2009 overweegt de officier van justitie dat het beroep kennelijk ongegrond is en dat hij daarom voorbij gaat aan het eventuele verzoek van de betrokkene om te worden gehoord. Dat is onjuist gelet op de omstandigheid dat de officier van justitie in deze motivering van zijn beslissing ook schrijft dat nader onderzoek is ingesteld vanwege de door de betrokkene aangevoerde argumenten. In dat geval kan immers niet worden geoordeeld dat het beroep kennelijk - dat wil zeggen aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is - ongegrond is. De officier van justitie had de betrokkene in dit geval dan ook moeten horen.

7. Gelet op hetgeen onder 6 is overwogen kan de beslissing van de officier van justitie niet worden gehandhaafd. Dit brengt mee dat de kantonrechter ten onrechte het tegen de officier van justitie gerichte beroep ongegrond heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter op de voet van artikel 13, eerste lid, WAHV , had behoren te doen, te weten het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en beoordelen of de onderliggende sanctiebeschikking in stand kan blijven.

8. Het voorgaande in aanmerking genomen, behoeft het argument van de betrokkene dat de beslissing van de officier van justitie niet is ondertekend geen bespreking meer.

9. Het hof stelt voorop dat in de procedure bij het hof slechts ter beoordeling staat de vraag of aan de betrokkene terecht een sanctie is opgelegd in het kader van de WAHV en of er redenen zijn om tot matiging van het bedrag van de opgelegde sanctie over te gaan. Het hof zal daarom, evenals de kantonrechter, voorbij gaan aan de door de betrokkene aangevoerde argumenten dat er politiemensen zijn die zich tijdens het werk niet aan de verkeersregels houden, dat er kritiek is op de in ons land geldende maximumsnelheid, dat de betrokkene kritiek heeft op de huidige wijze van verkeershandhaving en besteding van de opbrengsten daarvan en dat hij zich daarin gesteund weet door de ANWB en een politicus, dat een aantal langs de A59 wonende inwoners van Vlijmen tegen de plaatsing van de geluidswal is en dat de tijdelijke maatregel om de snelheid ter plaatse van 120 km/u naar 100 km/u alleen is ingesteld op verzoek van de actiegroep "Hoor de A59". Wat er ook zij van die argumenten, zij kunnen de betrokkene niet ontheffen van zijn aansprakelijkheid voor zijn eigen verkeersgedragingen.

10. De betrokkene voert verder aan dat de gedraging onvoldoende vaststaat omdat deze niet met bewijzen is onderbouwd en mogelijk is verricht met een mobiele dus onbetrouwbare radarsnelheidsmeter. De foto geeft geen onomstotelijk uitsluitsel over de exacte plaats van de gedraging op de A59. Het voertuig op de foto rijdt niet op de linker weghelft, zoals in het zaakoverzicht is vermeld, maar op de rechter weghelft en wellicht ter hoogte van een afslag. Het bord 100 km/h staat bij hectometerpaal 129,5 verscholen achter een groot verkeersbord dat een inhaalverbod voor vrachtwagens aangeeft en hectometerpaal 128,4 staat bij afrit 44 in de tegengestelde rijrichting.

11. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

12. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

"De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte radarsnelheidsmeter/lusdetectiemethode.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 138 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 133 km per uur.

Toegestane snelheid: 100 km per uur.

Overschrijding met: 33 km per uur.

De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van procureurs-generaal, reg.nr. 2006A008, uitgevoerde correctie op de afgelezen snelheid van het meetmiddel.

De bestuurder werd ter plaatse niet staande gehouden. Er werd volstaan met bekeuren op kenteken.

De geldende limiet werd bepaald door borden A1. De borden werden voorafgaand aan en na afloop van de handhaving gecontroleerd en stonden:

bij hectometerpaal 129,5 links en rechts van de rijbaan.

IJkdatum: 29-06-2009 (…)

Soort weg: autosnelweg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg

Rijrichting van: Den Bosch

Rijrichting naar: Zevenbergen

Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer 128,4. (…)

Merk van het voertuig: Seat

Type van het voertuig: Cordoba; 1.4 16V 55KW BKY (…)

De gedraging vond plaats buiten de bebouwde kom.”

13. Het dossier bevat verder twee prints. Op een ervan is een foto met daarop een rijdend voertuig te zien en in de balk bovenaan de foto is te lezen dat op 4 juli 2009 om 12:50 uur met een Multanova 6F een snelheid van 138 km/h is gemeten. Op de tweede print is als uitvergroot kenteken van het voertuig te lezen [00-AB-AB]. Op beide prints is als locatie vermeld De Rijksweg A59 links, hectometerpaal 128,4 en als ijkdatum van het gebruikte radarapparaat 29 juni 2009.

14. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De opmerkingen van de betrokkene over de foto kunnen de betrokkene om twee redenen niet baten. Ten eerste berusten de opmerkingen over de positie van het voertuig en de daarbij door de verbalisant vermelde hectometerpalen naar het oordeel van het hof op een onjuiste lezing van de verklaring van de verbalisant. Met "De Rijksweg A59 links" wordt niet de door het gecontroleerde voertuig gevolgde rijstrook bedoeld maar de rijbaan van Den Bosch richting - uiteindelijk - Zevenbergen. Rijdend over deze rijbaan is de betrokkene eerst bij hectometerpaal 129,5 het aldaar blijkens de verklaring van de verbalisant aan weerszijden van de weg geplaatste bord A1 met daarop 100 gepasseerd en is vervolgens ter hoogte van hectometerpaal 128,4 de snelheid van zijn voertuig gemeten.

15. Ten tweede kan het argument dat de foto geen uitsluitsel geeft over de exacte plaats van de gedraging de betrokkene niet baten omdat de betrokkene op basis van de in de inleidende beschikking vermelde gegevens omtrent de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats, waar de gedraging is geconstateerd, geacht mag worden zelf na te kunnen op welke gedraging de administratieve sanctie betrekking heeft (vgl. Hof Leeuwarden 26 januari 2005, WAHV 04/00910, LJN AS8373, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Slechts in het geval door fouten van politie en/of justitie bij de betrokkene redelijkerwijs misverstand kan zijn ontstaan omtrent de gedraging waartegen hij zich moet verdedigen, bestaat er aanleiding de sanctiebeschikking te vernietigen. Daarvan is echter geen sprake, nu de betrokkene niet betwist op de in beschikking vermelde datum en tijd ter plaatse te hebben gereden.

16. De stelling dat een mobiele radarsnelheidsmeter per definitie onbetrouwbaar is, is niet juist. Dat het meetresultaat in deze zaak niet betrouwbaar is, is door de betrokkene niet nader onderbouwd. Het argument dat het ijkrapport ontbreekt is daartoe onvoldoende, omdat geen rechtsregel voorschrijft dat het ijkrapport tot de stukken in het dossier behoort.

17. Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van het hof vast dat de gedraging is verricht.

18. De betrokkene voert ook aan dat hij niet is staande gehouden, dat de verbalisant de identiteit van de bestuurder niet heeft vastgesteld, hem geen aankondiging van beschikking heeft gegeven en zich niet heeft gelegitimeerd.

19. Artikel 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij een radarsnelheidsmeting geen reële mogelijkheid bestaat tot staandehouding van de bestuurder (vgl. Hoge Raad 4 april 2000, 425-99-V). Dit argument kan de betrokkene evenmin baten.

20. Uit het voorgaande vloeit voort dat er geen aanleiding bestaat de inleidende beschikking te vernietigen. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er redenen zijn de sanctie te matigen.

21. De betrokkene voert in dit verband aan dat de verkeersveiligheid gelet op het tijdstip van de vermeende gedraging zeer waarschijnlijk niet in het geding is geweest en dat het bedrag van de sanctie gelet op zijn inkomen - WAO- fors is.

22. De in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen als bedoeld in artikel 2 WAHV brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts in het geval van bijzondere omstandigheden waardoor de opgelegde sanctie evident in geen verhouding meer staat tot de ernst van de gedraging bestaat aanleiding voor het matigen of op nihil stellen van de sanctie. De omstandigheden dat de betrokkene naar eigen inzicht geen gevaar zou hebben veroorzaakt en dat hij een WAO-uitkering ontvangt, leiden naar het oordeel van het hof niet tot de conclusie dat moet worden afgeweken van het voor gedragingen als de onderhavige vastgestelde bedrag.

23. Tot slot voert de betrokkene aan dat de administratiekosten van € 6,- niets te maken hebben met de sanctie, een typisch voorbeeld zijn van grondwettelijke discriminatie en een gevaarlijk precedent scheppen voor vele andere bedrijven en overheidsinstellingen.

Aldus werpt de betrokkene de vraag op of de overheid aan een burger kosten in rekening mag brengen in een procedure die betrekking heeft op het opleggen van een sanctie met een punitief karakter.

24. Op 1 juli 2009 is een aantal bepalingen inwerking getreden op grond waarvan administratiekosten worden doorberekend aan degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd.

25. De in artikel 22, tweede lid, WAHV aan de lagere regelgever gegeven opdracht tot het geven van voorschriften omtrent de inning van sancties, is verruimd tot voorschriften die betrekking hebben op de administratiekosten.

26. Artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 luidt:

"Degene aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd, is administratiekosten verschuldigd. De omvang van deze kosten wordt bepaald bij ministeriële regeling. (…)

De administratiekosten worden samen met de administratieve sanctie in rekening gebracht."

27. Artikel 1 van de Regeling vaststelling administratiekosten verkeersboetes luidt:

"De administratiekosten, bedoeld in artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 , bedragen per administratieve sanctie € 6."

28. Door de betrokkene is niet gesteld dat deze lagere regelgeving het kader van de door de wetgever gegeven opdracht te buiten gaat en daarmee een deugdelijke wettelijke basis ontbeert.

29. Met betrekking tot de door de wetgever aan de lagere regelgever gegeven opdracht overweegt het hof dat het de rechter niet is toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen (artikel 11 Wet algemene bepalingen). Hij kan slechts toetsen of een geldend wettelijk voorschrift wegens strijd met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties buiten toepassing moet blijven (artikel 94 Grondwet).

30. De betrokkene heeft niet aangegeven met welke een ieder verbindende verdragsbepaling de doorberekening van administratiekosten in strijd zou zijn. Het hof is ook overigens niet gebleken dat de wettelijke regeling in strijd zou zijn met enige een ieder verbindende verdragsbepaling. Dat brengt mee dat de betrokkene de aan hem in rekening gebrachte administratiekosten ter hoogte van € 6,- verschuldigd is.

31. Het hof ziet aanleiding om te bepalen dat de reiskosten van de betrokkene in verband met het bijwonen van de zitting van de kantonrechter d.d. 7 april 2010 worden vergoed. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit in samenhang met artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 worden de reiskosten berekend naar het tarief per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Derhalve zal het hof ter zake van reiskosten in verband met het bijwonen van een zitting een bedrag toekennen van € 4,68 ([woonplaats] - 's-Hertogenbosch v.v. per bus tegen thans geldende tarieven).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 2 september 2009 gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 4,68.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature