Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering terug te komen van eerdergenomen besluit inhoudende niet toe kennen WAJONG-uitkering. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Geen wezenlijk andere gegevens naar voren gebracht ten aanzien van de medische situatie van appellant ten tijde van zijn zeventiende en achttiende verjaardag dan waarmee het Uwv reeds bekend was.

Uitspraak



10/2099 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 25 februari 2010, 08/2972 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. A. van Deuzen, advocaat te Alkmaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de artikelen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2.1. Appellant, geboren [ in 1977] heeft op 5 november 2004 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Bij besluit van 7 februari 2005 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder is dan 25%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant, rekening houdend met zijn medische beperkingen, vanaf zijn achttiende jaar in staat wordt geacht passende werkzaamheden te verrichten. Appellant heeft in dit besluit berust.

2.2. Appellant heeft op 28 maart 2008 wederom een Wajong-uitkering aangevraagd. In dit verband heeft hij een verklaring van 28 april 2008 van zijn dermatoloog/fleboloog F.G. Rosweide en een verklaring van 15 april 2008 van zijn huisarts W. Schuurman ingezonden. Bij besluit van 20 mei 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld niet terug te komen van het besluit van 7 februari 2005, omdat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn. Het tegen het besluit van 20 mei 2008 door appellant gemaakte bezwaar, waarbij een brief van 14 augustus 2008 van de GGD-arts H.P. Knobbe werd overgelegd, is door het Uwv bij besluit van 29 september 2008 (hierna: bestreden besluit) onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de door appellant aangevoerde klachten van eczeem en de daarmee samenhangende therapie alsmede de psychische klachten niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten in de zin van artikel 4:6 van de Awb . Het constitutioneel eczeem en de daarmee samenhangende therapie waren bij het Uwv reeds bekend bij de eerste aanvraag van appellant. Ten aanzien van de psychische klachten heeft de rechtbank met het Uwv vastgesteld dat uit de door appellant ingebrachte informatie niet kan worden afgeleid dat deze reeds in betekenende mate aanwezig waren vanaf appellants zeventiende jaar.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald. Hij heeft nogmaals gesteld dat het Uwv in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant op 16 november 2010 nog nadere informatie ingezonden van zijn dermatoloog en zijn oogarts. Ter zitting van de Raad heeft appellant verzocht een deskundige te benoemen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Tegen het besluit van 7 februari 2005 is geen rechtsmiddel aangewend zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Overeenkomstig het door de rechtbank met juistheid vermelde beoordelingskader van artikel 4:6 van de Awb mag van de gene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

5.3. De van de zijde van appellant in beroep en hoger beroep ingezonden stukken dateren van na het bestreden besluit. Het Uwv heeft deze dus bij de heroverweging niet kunnen betrekken. Reeds om die reden moeten die stukken bij de beoordeling van dat besluit buiten beschouwing blijven.

5.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de medische stukken die het Uwv vóór het bestreden besluit ter beschikking zijn gekomen geen nieuwe feiten en omstandigheden in voormelde zin bevatten. Op dezelfde gronden als de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat deze stukken geen wezenlijk andere gegevens bevatten ten aanzien van de medische situatie van appellant ten tijde van zijn zeventiende en achttiende verjaardag dan waarmee het Uwv reeds bekend was. Het Uwv was dan ook bevoegd het onderhavige verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 7 februari 2005.

5.5. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking

5.6. In het vorenstaande ligt besloten dat geen plaats is voor het inschakelen van een medische deskundige.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

NK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature