Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Ook levering van gas en electriciteit aan een consument valt onder begrip consumentenkoop waarvoor de korte verjaringstermijn van twee geldt (art. 7:28 BW). Het feit dat de basisovereenkomst tot levering van de energie is gesloten vóór de wettelijke invoering van de korte verjaringstermijn doet daaraan niet af. Bepalend is het moment waarop de vordering opeisbaar wordt, zijnde aan het einde van het jaar waarin is is geleverd en de afrekening van dat jaar wordt opgemaakt.

zie ook eindvonnis d.d. 22 november 2010 LJN: BP 2183

Uitspraak



Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector kanton

Locatie Middelburg

zaak/rolnr.: 190737 / 09-4891

vonnis van de kantonrechter d.d. 21 juni 2010

inzake

1. de besloten vennootschap

DELTA COMFORT B.V.,

2. de besloten vennootschap

DELTA KABELCOMFORT B.V.,

3. de besloten vennootschap

DELTA NETWERKBEDRIJF B.V.,

4. de besloten vennootschap

DELTA INFRA B.V.,

5. de besloten vennootschap

DELTA COMFORT SERVICE B.V.,

alle gevestigd te [adres], en

6. de naamloze vennootschap

EVIDES N.V.,

gevestigd te [adres],

eisende partij,

verder in enkelvoud te noemen: [A],

gemachtigde: GGN Zeeland,

tegen

[partij B],

wonende te [adres],

gedaagde partij,

verder te noemen: [B],

in persoon.

het verdere verloop van de procedure

Na het tussenvonnis van 1 februari 2010 is de procedure als volgt verlopen:

- akte [A],

- antwoordakte [B].

de verdere beoordeling van de zaak

1. De kantonrechter handhaaft hetgeen is overwogen en beslist bij het tussenvonnis. De inhoud van dat vonnis moet als hier ingelast worden beschouwd.

Dat geldt ook voor de toelaatbaarheid van het beroep op verjaring ondanks dat dit niet reeds bij het eerste verweer (conclusie van antwoord) is opgeworpen. [A] heeft in dit verband nog gewezen op het bepaalde in artikel 128 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering inhoudende dat het niet reeds bij antwoord aandragen van alle verweer leidt tot verval van het recht op het zich later beroepen op excepties. Het beroep op verjaring is echter geen exceptie in de zin van dit wetsartikel maar een principaal verweer. Indien bij antwoord enig principaal verweer is gevoerd (zoals in deze procedure het geval is), dan mag ook bij latere conclusie nog een nader principaal verweer, zoals een beroep op verjaring worden opgeworpen.

2. Naar aanleiding van dat vonnis heeft [A] gesteld dat haar vordering (anders dan abusievelijk bij repliek was gesteld) betrekking heeft op de periode van oktober 2004 tot juli 2005. De vordering betreft de bedragen van de facturen uit die periode die in een overzicht (dat bij repliek als productie III is overgelegd) is weergegeven. Dit zijn volgens dat overzicht allemaal maandnota's (de kantonrechter begrijpt: voorschotnota's) uitgezonderd de nota van juli 2005 die een eindnota is.

3. Wat betreft de mogelijkheid van verjaring heeft [A] gesteld dat deze niet loopt ten aanzien van voorschotnota's, maar vanaf de datum van de periodieke afrekeningen, zijnde jaarrekeningen of de eindrekening. De kantonrechter onderschrijft dat standpunt. Op het moment dat aan het eind van een jaarperiode of aan het eind van de contractsperiode wordt vastgesteld wat over de afgelopen periode aan water en energie is verbruikt en wat daarvoor de vergoeding is wordt de vordering tot betaling van die vergoeding opeisbaar en begint een verjaring te lopen.

In een als productie II bij repliek verstrekt overzicht zijn alle nota's opgesomd en daaruit blijkt dat er een jaarfactuur is geweest in maart 2004 en in maart 2005. Aangenomen moet worden dat de jaarfactuur van maart 2005 betrekking heeft op wat er in de periode van maart 2004 tot maart 2005 aan water en energie is verbruikt en dat wat daarvoor in totaal verschuldigd is in die jaarfactuur is verwerkt, met dien verstande dat op het totale bedrag in mindering strekt hetgeen al aan voorschotnota's al in rekening is gebracht. De verschuldigdheid van het totale bedrag voor het verbruik in die periode was dus in maart 2005 opeisbaar, zodat vanaf dat tijdstip de verjaring aanving van de vordering tot betaling van het bedrag van de jaarfactuur en de daarin verwerkte voorschotnota's. De verjaringstermijn voor de nota's over de periode van oktober 2004 tot en met maart 2005 is dus gaan lopen eind maart 2005.

De verjaringstermijn voor nota's over de periode van april 2005 tot en met juli 2005 is gaan lopen eind juli 2005. Uitgaande van de verjaringstermijn bedoeld in artikel 307 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, van vijf jaren, zouden de nota 's van de periode van oktober 2004 tot en met maart 2005 dus verjaard zijn op 1 april 2010 en de andere nota's op 1 augustus 2010.

De inleidende dagvaarding dateert van 6 augustus 2009, zodat de verjaringstermijn van vijf jaren nog niet was verstreken bij het uitbrengen van de dagvaarding.

4. De kantonrechter neemt aan dat de overeenkomsten waarop de vordering is gebaseerd aangemerkt moeten worden als een consumentenkoop in de zin van artikel 5 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek , omdat - nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken - moet worden aangenomen dat [B] de energie en het water betrok als natuurlijk persoon niet handelend in het kader van een bedrijf of beroep. Ingevolge het derde lid van dat wetsartikel is de verkoop van water van dat artikel uitgezonderd, zodat de overeenkomsten tot verkoop en levering van water niet als consumentenkoop kan worden aangemerkt en de overeenkomsten tot verkoop en levering van gas en elektriciteit wel.

5. Ingevolge artikel 28 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek geldt voor de vordering tot betaling van de koopprijs van een consumentenkoop een verkorte verjaringstermijn van twee jaren. Voor zover de nota's betrekking hebben op de levering van gas en elektriciteit zouden deze dus al verjaard zijn op 1 april 2007 respectievelijk 1 augustus 2007. Het feit dat de basisovereenkomst dateert van vóór de invoering van deze korte verjaringstermijn doet daaraan – anders dan [A] heeft betoogd – niet af nu de verkoop van de energie waarop de in het geding zijnde nota's betrekking hebben heeft plaats gevonden na die invoering.

6. [A] heeft in een tussenzinnetje ("los van het gegeven dat de verjaring tussentijds is gestuit") nog gesteld dat de verjaring zou zijn gestuit. Deze stuiting zou dan moeten hebben plaats gehad tussen 1april/1 augustus 2005 en 1april/1 augustus 2007. Het had op de weg van [A] gelegen om te onderbouwen op welke wijze deze stuiting(en) dan in concrete zin zou(den) zijn geschied. Nu dit niet is gebeurd gaat de kantonrechter aan de betreffende stelling als onvoldoende gemotiveerd voorbij.

7. Het voorgaande brengt de kantonrechter tot de slotsom dat de vordering van [A] voor zover deze betrekking heeft op de levering van gas en elektriciteit is verjaard. Uit de overgelegde bescheiden blijkt dat de in het geding zijnde nota's mede betrekking hebben op levering van water. Voor dat deel is de vordering van [A] niet verjaard, zodat [A] in het voetspoor van het tussenvonnis zou moeten bewijzen dat het betreffende water daadwerkelijk aan [B] is geleverd.

8. In haar akte na tussenvonnis heeft [A] onweersproken gesteld dat [B] in de periode waarop de vordering betrekking heeft ingeschreven heeft gestaan op het betreffende adres waaraan het water is geleverd. De kantonrechter gaat er aan de hand van de stellingen van partijen van uit dat [B] in ieder geval in het verleden op enig moment in die woning heeft gewoond en dat zij toen een overeenkomst met [A] heeft gesloten tot levering van energie en water. Als zij dan, zoals zij heeft gesteld zes jaar geleden uit die woning is vertrokken, dan had zij dat dienen te melden aan [A] en zij had de inschrijving op dat adres in de gemeentelijke basisadministratie moeten laten verwerken. Nu dit blijkens de onweersproken stelling van [A] niet is gebeurd, mocht [A] erop vertrouwen dat de afname van water in de betreffende woning geschiedde door en voor rekening van [B], tenzij uit andere feiten of omstandigheden aan [A] duidelijk moest zijn dat [B] niet meer in de woning woonde en niet meer voor het verbruik van water aansprakelijk wilde zijn. Zulke feiten of omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken.

De kantonrechter komt derhalve door de stelling van [A] betreffende de inschrijving van [B] op het betreffende adres tot het nadere oordeel dat de vordering van [A] voor wat betreft geleverd water in beginsel toewijsbaar is.

9. Uit de bij repliek overgelegde bescheiden blijkt dat de vordering van [A] (volgens de dagvaarding gebaseerd op de levering van "energie c.s." niet alleen betrekking heeft op de levering van gas, elektriciteit en water en daarmee gepaard gaande kosten, maar ook op "huur geiser" en "Kabel volledig pakket".

Ten aanzien van de huur geiser is het naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zo dat daarvoor de verjaringstermijn geldt van 5 jaar genoemd in artikel 308 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Ten aanzien van het kabelpakket neem de kantonrechter voorshands aan dat dit betrekking heeft op een abonnement op grond waarvan [B] tegen een maandelijkse vergoeding aan [B] toegang had tot radio en televisiesignalen. Ook daarvoor zal naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de verjaringstermijn van 5 jaar gelden bedoeld in artikel 308 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

De kantonrechter brengt onder de aandacht van partijen dat deze verjaringstermijn loopt voor iedere maand (of eventuele andere termijn) dat de huur of abonnementsvergoeding moet worden betaald.

Aangezien partijen aan deze onderdelen van de vordering van [A] nog geen aandacht hebben kunnen besteden zal de kantonrechter, alvorens daarover definitief te oordelen partijen nog in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten.

[A] zal tevens moeten specificeren welk deel van haar vordering betrekking heeft op levering van water, huur van geiser en kabelpakket.

de beslissing

De kantonrechter:

verwijst deze zaak naar de rolzitting van 19 juli 2010 te 10.00 uur, opdat [A] bij nadere conclusie kan ingaan op hetgeen in dit vonnis onder punt 9 is overwogen, waarna [B] daarop nog mag reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R.P. Verhoeven, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature