Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

WOB-verzoek om verstrekking kopie kandidatenlijsten (model H1) voor de gemeenteraadsverkiezingen van 3 maart 2010, bestreden besluit onbevoegd genomen, verzoek om toezending van de kandidatenlijsten is aan te merken als verzoek tot het verrichten van een feitelijke handeling, beslissing daarop is geen voor bezwaar vatbaar besluit, zelf in de zaak voorzien.

Uitspraak



RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 10/1044 WOB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaatsnaam],

eiser,

gemachtigde mr. H. van Drunen,

tegen

de voorzitter van het hoofdstembureau van de gemeente Alkmaar,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij e-mailbericht van 23 januari 2010 heeft eiser bij de burgemeester van Alkmaar ter attentie van het Gemeentelijk Bureau Verkiezingen - voor zover hier van belang - verzocht om kopieën van de kandidatenlijsten (model H l) zoals die zijn ingediend en goedgekeurd voor de gemeenteraadsverkiezingen van 3 maart 2010 in de gemeente Alkmaar. Daarbij heeft eiser zich beroepen op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij brief van 18 februari 2010 heeft het sectorhoofd publiekszaken van de gemeente Alkmaar eiser meegedeeld dat de gevraagde stukken niet zullen worden toegestuurd, omdat ze ter inzage liggen en eveneens kunnen worden geraadpleegd op de website van de gemeente Alkmaar.

Bij besluit van 19 april 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en eiser alsnog afschriften toegezonden van de gevraagde kandidatenlijsten, met dien verstande dat op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob de adresgegevens van de kandidaten onzichtbaar zijn gemaakt.

Eiser heeft bij brief van 22 april 2010, door de rechtbank ontvangen op 23 april 2010, beroep ingesteld tegen het besluit van 19 april 2010.

Bij besluit van 7 juli 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar met toepassing van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een nieuw besluit in de plaats gesteld van het besluit van 19 april 2010. Daarin is het standpunt ingenomen dat de kandidatenlijsten met adresgegevens op grond van de Wob aan eiser verstrekt hadden moeten worden, maar dat dit feitelijk niet meer mogelijk is omdat de adresgegevens op de originele documenten zijn verwijderd. Verweerder ziet geen aanleiding om te proberen de adresgegeven alsnog zichtbaar te maken.

De rechtbank heeft de zaak op 12 november 2010 ter zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij S. Groothuis.

De rechtbank heeft bij beslissing van 17 november 2010 het vooronderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld het besluit van 7 juli 2010 te bekrachtigen.

Verweerder heeft het besluit van 7 juli 2010 bekrachtigd bij brief van 19 november 2010.

Nadat partijen daarvoor toestemming hadden gegeven heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, het onderzoek gesloten en bepaald dat op

30 december 2010 uitspraak zal worden gedaan.

Motivering

1.1. Het besluit van 7 juli 2010 is in de plaats gesteld van het besluit van 19 april 2010. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb wordt het beroep tegen het besluit van

19 april 2010 geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 7 juli 2010 (hierna: het bestreden besluit).

1.2. De rechtbank zal het beroep tegen het besluit van 19 april 2010 niet-ontvankelijk verklaren, nu verweerder dit besluit niet heeft gehandhaafd en de rechtbank niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit.

2. De artikelen H 1, I 1, I 3, I 4 en I 17 van de Kieswet , voor zover hier van belang, luiden als volgt:

H 1

1. Op de dag van de kandidaatstelling kunnen bij de voorzitter van het hoofdstembureau of bij het door deze aan te wijzen lid van dat bureau, op de secretarie van de gemeente waar dit bureau is gevestigd, van negen tot vijftien uur, kandidatenlijsten worden ingeleverd. Ten minste drie weken voor de kandidaatstelling brengt de burgemeester van elke gemeente dit ter openbare kennis.

I 1

1. Op de dag van de kandidaatstelling, om zestien uur, houdt het hoofdstembureau een zitting tot het onderzoeken van de kandidatenlijsten.

2. Het hoofdstembureau draagt er zorg voor dat het centraal stembureau op de dag na de kandidaatstelling afschriften van de ingeleverde kandidatenlijsten ontvangt.

3. Indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid, bedoeld in artikel H 2, draagt het hoofdstembureau er zorg voor dat de overige hoofdstembureaus op de dag na de kandidaatstelling een afschrift van de kandidatenlijst ontvangen die voor de desbetreffende kieskring is ingeleverd.

I 3

1. Onmiddellijk nadat de lijsten door het hoofdstembureau zijn onderzocht, worden deze en, indien vereist, de verklaringen van ondersteuning, door de voorzitter ter secretarie van de gemeente waar het hoofdstembureau is gevestigd, voor een ieder ter inzage gelegd.

2. Op de voet van artikel I 1, derde lid, toegezonden afschriften van ingeleverde kandidatenlijsten worden ter secretarie van de gemeente waar het hoofdstembureau is gevestigd ter inzage gelegd, zodra deze zijn ontvangen.

I 4

Op de derde dag na de kandidaatstelling beslist het hoofdstembureau in een openbare zitting die om zestien uur aanvangt, over de geldigheid van de lijsten en over het handhaven van de daarop voorkomende kandidaten, alsmede over het handhaven van de daarboven geplaatste aanduiding van een politieke groepering, en maakt deze beslissingen op de zitting bekend.

I 17

1. Nadat van alle hoofdstembureaus de in artikel I 9, eerste lid, eerste volzin, bedoelde mededeling is ontvangen, maakt de voorzitter van het centraal stembureau de lijsten zo spoedig mogelijk openbaar. Daarbij vermeldt hij tevens welke lijsten tot een lijstencombinatie zijn verbonden.

2. De openbaarmaking geschiedt indien het betreft de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, door plaatsing van de lijsten naar de kieskringen gerangschikt en met vermelding van hun nummers en, in voorkomend geval, de aanduidingen van de politieke groeperingen in de Staatscourant; indien het betreft de verkiezing van de leden van provinciale staten of de gemeenteraad, door de van de nummers en, in voorkomend geval, de aanduidingen van de politieke groeperingen voorziene lijsten ter secretarie van de gemeente waar het centraal stembureau is gevestigd, onderscheidenlijk ter secretarie van de gemeente, voor een ieder ter inzage te leggen. Van de terinzagelegging geschiedt tegelijk openbare kennisgeving door de voorzitter van het centraal stembureau.

Ingevolge artikel E 7, tweede lid, van de Kieswet is de burgemeester voorzitter van het hoofdstembureau.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan eenieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

3.1. Niet in geschil is dat eisers verzoek om kopieën betrekking had op de lijsten die ingevolge artikel H 1 van de Kieswet bij de voorzitter van het hoofdstembureau zijn ingediend en vervolgens, na de procedure als omschreven in artikel I 1 van de Kieswet, op grond van artikel I 3 door de voorzitter van het hoofdstembureau ter inzage zijn gelegd. Verweerder heeft ter zitting uitdrukkelijk aangegeven dat eisers verzoek aldus is opgevat.

3.2. Gelet hierop is de voorzitter van het hoofdstembureau het bestuursorgaan dat op eisers verzoek en op het bezwaar van eiser had moeten beslissen. De brief van 12 maart 2010 is verzonden door het sectorhoofd publiekszaken en op het bezwaar daartegen is beslist door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar. Het bestreden besluit is dus niet door het bevoegde bestuursorgaan genomen. De rechtbank ziet daarin grond voor vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is gegrond.

3.3. Nu de burgemeester in de hoedanigheid van voorzitter van het hoofdstembureau het bestreden besluit bij brief van 19 november 2010 voor zijn rekening heeft genomen, zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen blijven.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser ingevolge de Wob recht heeft op toezending van de kandidatenlijsten inclusief de adresgegevens, maar dat verweerder inmiddels niet meer over deze gegevens beschikt. Op

11 februari 2010 zijn op de originele kandidatenlijsten de adresgegevens weggelakt na een advies van het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. Verweerder ziet geen grond om de adresgegevens te herstellen, gelet op de belangen van de betrokkenen enerzijds en de belangen van eiser anderzijds. Bovendien is niet uit te sluiten dat de documenten daardoor zouden beschadigen. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bezwaar van eiser tegen de brief van 18 febuari 2010 feitelijk niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. De brief van 18 februari 2010 is niet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb , maar als een beslissing op een verzoek om een feitelijke handeling te verrichten. De gevraagde kandidatenlijsten lagen op 23 januari 2010, op het moment dat eiser zijn aanvraag om toezending deed, ter inzage en de Wob heeft geen betrekking op openbare informatie.

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde toegelicht dat de zogenaamde H 1-lijsten aan eiser zijn toegezonden. Dit zijn de lijsten die ter inzage zijn gelegd vanaf 22 januari 2010 en dus ter inzage lagen op 23 januari 2010. Volgens verweerders gemachtigde hebben er nooit andere lijsten ter inzage gelegen; hij weet niet beter dan dat de lijsten die op 19 januari 2010 ter inzage zijn gelegd, dezelfde zijn als de lijsten die op 22 januari 2010 ter inzage zijn gelegd. De procedure als omschreven in artikel I 4 van de Kieswet heeft niet geleid tot wijzigingen. Als dat wel het geval zou zijn geweest, zouden de aanpassingen zijn verwerkt op de originele H 1-lijsten.

5. Eiser heeft zich naar aanleiding van het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het aan verweerder is om de adresgegevens te herstellen of opnieuw te achterhalen. Naar aanleiding van het betoog van verweerder ter zitting heeft eiser aangevoerd dat er een verschil moet zijn tussen de lijsten die ter inzage zijn gelegd op 19 januari 2010 en de lijsten die ter inzage zijn gelegd op 22 januari 2010, gelet op de in de Kieswet beschreven procedure. Ter zitting heeft eiser ter adstructie daarvan voorbeelden overgelegd van model-kandidatenlijsten met de aanduiding H 1 en I 17.

6.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank ervan uit dat de kandidatenlijsten als bedoeld in artikel H 1 van de Kieswet op 19 januari 2010 bij verweerder zijn ingediend en vervolgens, na de procedure als omschreven in artikel I 1 van de Kieswet , op 19 januari 2010 door verweerder ter inzage zijn gelegd als bedoeld in artikel I 3 van de Kieswet .

6.2. Op 21 januari 2010 heeft de procedure als omschreven in artikel I 4 plaatsgevonden, waarna de kandidatenlijsten op 22 januari 2010 openbaar zijn gemaakt als bedoeld in artikel I 17 door ze voor een ieder ter inzage te leggen. De rechtbank ziet geen grond om te twijfelen aan verweerders mededeling ter zitting dat toen feitelijk dezelfde lijsten ter inzage zijn gelegd als de lijsten die op 19 januari 2010 ter inzage waren gelegd.

6.3. De rechtbank verbindt hieraan de conclusie dat de kandidatenlijsten die eiser blijkens zijn verzoek toegezonden wenste te hebben, feitelijk ter inzage lagen op het moment dat eiser zijn aanvraag deed. Alle gegevens waarover eiser wenste te beschikken, te weten de kandidatenlijsten met inbegrip van de adresgegevens van de kandidaten, lagen op dat moment ter inzage. Dat formeel gezien sprake is van andere lijsten, omdat de procedure die is beschreven in artikel I 4 van de Kieswet kan leiden tot wijzigingen op de kandidatenlijsten, doet daaraan geen afbreuk. De vraag of stukken ter inzage liggen op het moment dat iemand daarom verzoekt, is naar het oordeel van de rechtbank immers een vraag van feitelijke aard.

6.4. Nu de gevraagde gegevens op 23 januari 2010 ter inzage lagen, had eiser op die dag bij verweerder de gevraagde stukken kunnen inzien en desgewenst een afschrift kunnen verkrijgen. Onder die omstandigheden was eisers verzoek om toezending van de kandidatenlijsten aan te merken als het verzoek tot het verrichten van een feitelijke handeling. De beslissing op een dergelijk verzoek is niet gericht op rechtsgevolg en derhalve geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb , zodat verweerder het daartegen gerichte bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer BD7377.

7. Uit het voorgaande volgt dat de rechtgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Doende wat verweerder had moeten doen, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door eisers bezwaar tegen de brief van 18 februari 2010 niet-ontvankelijk te verklaren, en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

8. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten heeft de rechtbank, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op

€ 874,00 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 19 april 2010, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 juli 2010, gegrond;

- vernietigt het besluit van 7 juli 2010;

- verklaart het bezwaar van eiser tegen de brief van 18 februari 2010 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 150,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874,00, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. Berkers, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2010 te Alkmaar.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature