Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 11 september 2009 heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Ede bij besluit van 14 juli 2009 vastgestelde wijzigingsplan "Agrarisch Buitengebied Omgeving Barneveldseweg 17 te Lunteren".

Uitspraak



200908373/1/R2.

Datum uitspraak: 8 december 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2009 heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Ede bij besluit van 14 juli 2009 vastgestelde wijzigingsplan "Agrarisch Buitengebied Omgeving Barneveldseweg 17 te Lunteren".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.E. Davelaar, advocaat te Zwolle, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn [belanghebbende], bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door M.P. Riemersma, werkzaam bij de gemeente, gehoord als partij.

Buiten bezwaar van partijen heeft het college van gedeputeerde staten ter zitting een nader stuk in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college van gedeputeerde staten te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in verbinding met artikel 10:27 van de Awb rust daarnaast op het college van gedeputeerde staten de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college van gedeputeerde staten erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een vergroting van de bouwmogelijkheden ter plaatse van het perceel [locatie] te [plaats] waarop het agrarische bedrijf van [belanghebbende] is gevestigd. Dit plan wijzigt daartoe op grond van de wijzigingsbevoegdheid neergelegd in artikel 20 van het bestemmingsplan "Artikel 30- herziening Agrarisch Buitengebied " de bestemming "Agrarisch ontginningslandschap Ede-Meulunteren" met de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf" in de bestemming "Agrarisch".

Inspraak

2.3. [appellant] betoogt dat het voorontwerp van het plan op grond van de gemeentelijke inspraakverordening voor inspraak ter inzage had moeten worden gelegd. Hierbij voert hij aan dat het niet gaat om een wijziging van ondergeschikt belang, zoals het college van gedeputeerde staten stelt, nu het gaat om een verdubbeling van een bouwblok van een halve naar een hele hectare en het gemeentebestuur een soortgelijk wijzigingsplan wel ter inzage heeft gelegd.

2.3.1. Ingevolge de WRO, zoals deze ten tijde van het bestreden besluit luidde, gelezen in verbinding met de bepalingen behorende bij het bestemmingsplan "Artikel 30- herziening Agrarisch Buitengebied ", vangt de procedure inzake de vaststelling van een wijzigingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Nu het bieden van inspraak geen onderdeel uitmaakt van de in de WRO dan wel in het genoemde bestemmingsplan geregelde procedure kan, indien in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet de mogelijkheid of verplichting is opgenomen inspraak te bieden, het al dan niet schenden van deze verplichting geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de gevolgde wijzigingsprocedure en de daaruit voortvloeiende besluiten met zich brengen. Het feit dat een ander, soortgelijk wijzigingsplan wel ter inzage is gelegd, aangenomen dat dit juist is, maakt dit niet anders. Het betoog van [appellant] treft om die reden geen doel.

Verstedelijkingsrichting

2.4. [appellant] voert aan dat het college van burgemeester en wethouders bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden met de verstedelijkingsrichting zoals opgenomen in een studie van het bureau van Royal Haskoning over landbouwontwikkelingsgebieden.

2.4.1. Het college van gedeputeerde staten stelt in navolging van het college van burgemeester en wethouders dat het onderzoek van Royal Haskoning niet betrokken hoefde te worden bij de vaststelling van het plan aangezien het slechts een studie betreft die geen juridische status heeft en niet planologisch relevant is.

2.4.2. [appellant] heeft zijn bezwaar noch in zijn beroepschrift noch ter zitting nader onderbouwd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het niet betrekken bij de vaststelling van het plan door het college van burgemeester en wethouders van het rapport van Royal Haskoning, dat geen onderdeel uitmaakt van het dossier, niet aan de goedkeuring van het plan in de weg stond. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten in zoverre geen goedkeuring heeft kunnen verlenen aan het plan.

Wijzigingsbevoegdheid

2.5. [appellant] voert aan dat het begrip "volwaardig agrarisch bedrijf" zoals opgenomen in artikel 20, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Artikel 30- herziening Agrarisch Buitengebied " niet is gedefinieerd. Hierdoor is sprake van een vage norm, waardoor de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief begrensd is. Tevens is [appellant] van mening dat het bedrijf van [belanghebbende] niet gezien kan worden als een volwaardig bedrijf zodat het college van burgemeester en wethouders geen gebruik had kunnen maken van de wijzigingsbevoegdheid.

2.5.1. In navolging van het college van burgemeester en wethouders stelt het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt dat het begrip "volwaardig agrarisch bedrijf" voldoende duidelijk is om te kunnen spreken van een voldoende objectief criterium. Hiertoe geeft het college van gedeputeerde staten aan dat dit begrip is omschreven in paragraaf 6.2.1 van de plantoelichting van het vorige bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" dat is vastgesteld op 4 juli 1994. Het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid valt tevens binnen de voor het gebied toepasselijke provinciale en gemeentelijke beleidskaders. Het bedrijf van [belanghebbende] heeft een omvang van 134 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: NGE) en voldoet daarmee, aldus het college van gedeputeerde staten, aan de gestelde norm om te kunnen worden aangemerkt als een volwaardig agrarisch bedrijf.

2.5.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 11, eerste lid, van de WRO berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.

2.5.3. Ingevolge artikel 20, tweede lid, aanhef en derde gedachtestreepje, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Artikel 30- herziening Agrarisch Buitengebied " dat is vastgesteld op 19 december 2002, kan het bestemmingsplan worden gewijzigd ten behoeve van de uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven met dien verstande dat de wijziging ten behoeve van uitbreiding van agrarische bedrijven uitsluitend plaatsvindt, indien het agrarisch bedrijf is aangeduid met "middelgroot" en sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. Ingevolge het vierde gedachtestreepje dient, voor zover van belang, artikel 5 van dat plan op overeenkomstige wijze te worden toegepast ten aanzien van maatvoering en situering van bebouwing. Ingevolge artikel 5, derde lid, onder b, dient bebouwing per bedrijf gegroepeerd te worden op een aaneengesloten vlak van ten hoogste een halve hectare voor een bedrijf met de aanduiding "middelgroot" en één hectare voor een bedrijf met de aanduiding "groot", waarbij maximaal 50% van het vlak bebouwd mag worden.

2.5.4. Met betrekking tot de vraag of de wijzigingsbevoegdheid neergelegd in artikel 20, tweede lid, aanhef en derde gedachtestreepje, van de voorschriften van het bestemmingsplan door voldoende objectieve normen wordt begrensd overweegt de Afdeling het volgende. Artikel 20, tweede lid, aanhef, van de voorschriften van het bestemmingsplan voorziet, voor zover hier van belang, in de mogelijkheid om het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van de uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven. Hieruit volgt dat de agrarische bestemming van een te wijzigen perceel gehandhaafd dient te blijven. Verder volgt uit artikel 20, tweede lid, derde gedachtestreepje, van de voorschriften van het bestemmingsplan dat een wijziging alleen kan zien op percelen van individuele agrarische bedrijven die in het bestemmingsplan reeds zijn aangeduid als "middelgroot". Voorts volgt uit de voorschriften neergelegd in artikel 5 van de voorschriften van het bestemmingsplan dat met de wijziging slechts de omvang van de bouwmogelijkheden wordt vergroot.

Verder overweegt de Afdeling dat om gebruik te mogen maken van de wijzigingsbevoegdheid er ingevolge artikel 20, tweede lid, derde gedachtestreepje, van de voorschriften van het bestemmingsplan sprake moet zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf. Het college van burgemeester en wethouders heeft in de toelichting van het plan gesteld dat een bedrijf met een omvang van 50 NGE als een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt. Uit de toelichting van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" kan worden afgeleid dat 50 NGE door het gemeentebestuur als vaste norm wordt gehanteerd om de volwaardigheid van een agrarisch bedrijf te bepalen. Tevens is ter zitting door het college van gedeputeerde staten onweersproken gesteld dat deze systematiek landelijk en binnen de provincie veelvuldig wordt toegepast. De Afdeling acht de invulling van het college van burgemeester en wethouders van het begrip "volwaardig agrarisch bedrijf" gelet op het voorgaande niet onredelijk.

Nu de wijzigingsbevoegdheid naar aard en omvang beperkt is, duidelijk is welke bestemming na wijziging op het perceel komt te rusten en op welke wijze wordt bepaald of sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, is de Afdeling van oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid in voldoende mate objectief begrensd is.

2.5.5. Met betrekking tot de vraag of het bedrijf van [belanghebbende] als een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt overweegt de Afdeling het volgende. Het college van burgemeester en wethouders heeft in de toelichting bij het wijzigingsplan gesteld dat het bedrijf van [belanghebbende] een omvang heeft van 134 NGE en daarom als een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt. Ter zitting heef het college van gedeputeerde staten aangegeven dat deze omvang ziet op de omvang van het bedrijf na de uitbreiding die door het wijzigingsplan wordt mogelijk gemaakt. Uit de wijzigingsbevoegdheid neergelegd in artikel 20, tweede lid, aanhef en derde gedachtestreepje, van de voorschriften van het bestemmingsplan volgt echter naar het oordeel van de Afdeling dat de wijzigingsbevoegdheid slechts mag worden toegepast als blijkt dat een bedrijf voor wijziging als een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt. Nu het college van gedeputeerde staten van een onjuiste omvang van het bedrijf is uitgegaan en voorts ter zitting door [appellant] gemotiveerd is betoogd dat aan de norm van 50 NGE mogelijk niet wordt voldaan, komt de Afdeling tot het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Grenzen bouwblok

2.6. [appellant] stelt dat onvoldoende duidelijk is waar op het perceel gebouwd mag worden. Tevens heeft [appellant] ter zitting aangevoerd dat de wijzigingsbevoegdheid neergelegd in artikel 20, tweede lid, van het bestemmingsplan "Artikel 30- herziening Agrarisch Buitengebied ", vastgesteld op 19 december 2002, geen ruimte geeft voor het opnemen van de aanduiding "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied" in het wijzigingsplan nu die aanduiding in het bestemmingsplan "Artikel 30- herziening Agrarisch Buitengebied " niet voorkomt. Voorts heeft [appellant] ter zitting aangevoerd dat de uitbreidingsmogelijkheid neergelegd in artikel 6.1, onder b, van de voorschriften van het wijzigingsplan buiten de grenzen van de wijzigingsbevoegdheid valt.

2.6.1. In navolging van het college van burgemeester en wethouders stelt het college van gedeputeerde staten dat op grond van de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied", vastgesteld op 4 juli 1994, en de toelichting bij het onderhavige plan voldoende duidelijk is waar de agrarische bebouwing zich mag bevinden.

2.6.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, sub 1, onder a, van de voorschriften van het wijzigingsplan is per bestemmingsvlak ten hoogste bebouwing ten behoeve van één bedrijf toegestaan. Ingevolge het tweede lid, sub 1, onder b, dient bebouwing per bedrijf te worden gegroepeerd op een aaneengesloten vlak van ten hoogste één hectare waarbij maximaal 50 procent van het vlak bebouwd mag worden. Ingevolge het tweede lid, sub 1, onder c, mag per bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd en ingevolge het tweede lid, sub 1, onder d, mag de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder dan 15 meter bedragen.

Uit artikel 3, tweede lid, onderdeel 1, van de planvoorschriften van het wijzigingsplan volgt de vorm en locatie van het bouwblok. Er is derhalve sprake van een "verbaal bouwblok", hetgeen betekent dat de begrenzing van het bouwblok niet op de plankaart vastligt, maar is geregeld in de planvoorschriften. De Afdeling ziet gezien het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende duidelijk is waar op het perceel bebouwing is toegestaan.

2.6.3. Ingevolge artikel 6.1, onderdeel b, van de voorschriften van het wijzigingsplan kan het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied" de bestemming van de gronden wijzigen ter vergroting met maximaal een halve hectare van het vlak waarbinnen de agrarische bebouwing gesitueerd dient te zijn, waarbij een vergroting tot een maximale oppervlakte van anderhalve hectare mogelijk is. Ingevolge artikel 20, tweede lid, aanhef en vierde gedachtestreepje, van de voorschriften van het bestemmingsplan is, voor zover van belang, artikel 5 van het bestemmingsplan van toepassing ten aanzien van maatvoering en situering van bebouwing. Ingevolge artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de voorschriften van het bestemmingsplan mag bebouwing ten dienste van een bedrijf met de aanduiding "groot" ten hoogste één hectare omvatten.

Nu de wijzigingsbevoegdheid neergelegd in artikel 6.1, onderdeel b, van de voorschriften van het wijzigingsplan de mogelijkheid schept om een vlak waarop de bebouwing gesitueerd moet zijn te vergroten met een halve hectare waardoor maximaal een vlak van anderhalve hectare kan ontstaan, treedt deze wijzigingsbevoegdheid buiten de grenzen van de wijzigingsbevoegdheid neergelegd in artikel 20, tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan. Op grond hiervan komt de Afdeling tot het oordeel dat het plan in strijd is met artikel 20, tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan en met 11, eerste lid, van de WRO voor zover het betreft artikel 6.1, onderdeel b, van de planvoorschriften.

Ontsluiting

2.7. Met betrekking tot de ontsluiting van het perceel voert [appellant] aan dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte niet is uitgegaan van mobiliteit bij een maximale invulling van de gewijzigde bestemming. Daarnaast voert hij aan dat er ten onrechte vanuit is gegaan dat de verkeersbewegingen over twee wegen verspreid kunnen worden.

2.7.1. In navolging van het college van burgemeester en wethouders stelt het college van gedeputeerde staten dat de in de toelichting genoemde toename van het aantal vervoersbewegingen bedoeld is om aan te geven dat de vergroting van het agrarisch bedrijf uitvoerbaar is. Daarnaast heeft het bedrijf een milieuvergunning om één maal per week gebruik te maken van de Bisschopsweg voor ontsluiting waardoor er sprake is van twee ontsluitingsmogelijkheden.

2.7.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de gekozen wijze van ontsluiting zal leiden tot onevenredige verslechtering van de verkeerssituatie ter plaatse. Hierbij neemt zij tevens in aanmerking dat niet in geschil is dat de Bisschopsweg kan worden gebruikt voor transport van en naar het bedrijf, zij het in beperkte mate, zodat het aantal verkeersbewegingen over twee wegen verspreid kan worden.

Luchtkwaliteit

2.8. [appellant] voert verder aan dat het college van burgemeester en wethouders op grond van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) de gevolgen van het wijzigingsplan voor de luchtkwaliteit had moeten onderzoeken.

2.8.1. Het college van gedeputeerde staten stelt in navolging van het college van burgemeester en wethouders dat bij het verlenen van de milieuvergunning voor de uitbreiding is onderzocht of voldaan is aan de eisen zoals opgenomen in de wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteiteisen). Bij een verdere uitbreiding van de activiteiten zal in het kader van de beoordeling van de uitbreiding van de milieuvergunning opnieuw berekend worden of voldaan wordt aan de toepasselijke kaders. De luchtkwaliteit staat, volgens het college van gedeputeerde staten, de uitvoering van het plan niet in de weg.

2.8.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 juni 2010 in zaak nr. 200900558/1/R1) is op 15 november 2007 de wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteiteisen) in werking getreden. Bij deze wet is het Blk 2005 ingetrokken.

Ingevolge artikel V van de ze wet zijn, voor zover thans van belang, titel 5. 2 van de Wet milieubeheer, bijlage 2 van die wet en de op titel 5.2 berustende bepalingen niet van toepassing op een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 7 van het Blk 2005 vastgesteld besluit noch op ter uitvoering daarvan strekkende besluiten. Het wijzigingsplan strekt niet ter uitvoering van een met toepassing van artikel 7 van het Blk 2005 vastgesteld besluit, nu het bestemmingsplan is vastgesteld bij besluit van 19 december 2002 en goedgekeurd bij besluit van 14 september 2004, derhalve voor de inwerkingtreding van het Blk 2005 per 4 mei 2005. Gelet hierop is titel 5.2 van de Wet milieubeheer en de daarbij behorende regelgeving van toepassing.

Artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer biedt een kader voor de beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit voor de uitoefening of de toepassing van de in het tweede lid van dit artikel opgesomde bevoegdheden en wettelijke voorschriften. Vast staat dat in het tweede lid van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer geen bevoegdheden en wettelijke voorschriften zijn opgenomen die thans aan de orde zijn, namelijk de vaststelling van een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 11 van de WRO . Derhalve is artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer in dit geval niet van toepassing. Deze bepaling staat dus evenmin aan goedkeuring van het plan in de weg.

Uitzicht

2.9. [appellant] voert aan dat de nieuwe stal leidt tot verlies van uitzicht. Bij de aankoop van de woning heeft [belanghebbende] volgens hem bovendien aan [appellant] toegezegd dat het uitzicht behouden zal blijven.

2.9.1. Het college van gedeputeerde staten stelt in navolging van het college van burgemeester en wethouders dat het hier gaat om een privaatrechtelijke afspraak die planologisch niet relevant is voor dit wijzigingsplan.

2.9.2. De Afdeling is van oordeel dat de verslechtering van het uitzicht van [appellant], gezien de ligging van de stal, niet zodanig zal zijn dat het college van burgemeester en wethouders bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen van het vergroten van de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie]. Hiertoe neemt de Afdeling verder in aanmerking dat de afstand tussen de woning van [appellant] en de perceelsgrens ongeveer 50 meter bedraagt en de maximaal toegestane bouwhoogte ingevolge artikel 3.2. 2, onder b, gelezen in verbinding met artikel 3.4, onder c, van de planvoorschriften 12 meter bedraagt. Overigens wordt de afscheiding tussen het perceel van [appellant] en [belanghebbende] gevormd door een bomenrij.

Het betoog van [appellant] met betrekking tot de toezegging van [belanghebbende], wat daar ook van zij, is planologisch niet relevant en kan reeds om die reden niet slagen.

Archeologische waarden en flora en fauna

2.10. [appellant] voert aan dat er een archeologisch onderzoek verricht had moeten worden in het plangebied. Tevens betoogt hij dat onduidelijk is of op het perceel onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van beschermde soorten waardoor niet uitgesloten kan worden dat er op het bouwperceel beschermde soorten aanwezig zijn.

2.10.1. [appellant] heeft zich voor zover zijn beroep betrekking heeft op het niet doen van onderzoek naar archeologische waarden en de aanwezigheid van beschermde soorten in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen.

In de zienswijzennota is ingegaan op deze zienswijzen.

[appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen onjuist zou zijn.

Natuurbeschermingswet 1998

2.11. [appellant] voert aan dat de activiteiten van het pluimveebedrijf van [belanghebbende] getoetst hadden moeten worden aan de vereisten neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998). Hij voert aan dat de depositie van ammoniak hoger is dan 1% van de kritische waarde, waardoor op grond van de Nbw 1998 een passende beoordeling had moeten worden gemaakt.

2.11.1. Het college van gedeputeerde staten stelt in navolging van het college van burgemeester en wethouders dat het plan geen gevolgen heeft voor de natuurwaarden van het nabij gelegen Natura 2000 gebied 'De Veluwe' aangezien er geen sprake is van vrije-uitloopkippen en dat derhalve geen sprake is van strijd met de vereisten neergelegd in de Nbw 1998. Verder heeft het college van gedeputeerde staten ter zitting verwezen naar een brief van 29 juni 2010 waarin is uiteengezet waarom volgens het college van gedeputeerde staten in het licht van artikel 19kd van de Nbw 1998 geen sprake is van vergunningplichtige activiteiten als bedoeld in die wet op het perceel [locatie].

2.11.2. Het gebied 'De Veluwe' is bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103).

De Veluwe is verder aangemeld als speciale beschermingszone als bedoeld in Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: Habitatrichtlijn). Bij beschikking van 7 december 2004 is dit gebied geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Het gebied Veluwe is nog niet aangewezen als Habitatrichtlijngebied in de zin van artikel 10a van de Nbw 1998.

2.11.3. Het plangebied ligt volgens de plantoelichting op ongeveer 1,7 kilometer van het gebied 'De Veluwe'. Nu het gebied voorkomt op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, is het gebied ingevolge artikel 1, sub n, onderdeel 3, van de Nbw 1998, een Natura 2000-gebied, als bedoeld in de Nbw 1998.

2.11.4. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998, maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

2.11.5. De Afdeling stelt voorop dat de toetsing van het bestreden besluit door de Afdeling wordt verricht aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Voorts volgt uit artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998 zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 maart 2007 in zaak nr. 200602003/1) dat de daarin neergelegde verplichtingen gelden ten tijde van de vaststelling van een plan als in die bepalingen bedoeld. De brief van het college van gedeputeerde staten van 29 juni 2010, met betrekking tot de vraag of een vergunning krachtens artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 vereist is voor de oprichting van de stal in het licht van het met ingang van 31 maart 2010 in werking getreden artikel 19kd van de Nbw 1998, is daarom niet van belang voor de beoordeling van het thans voorliggende besluit.

2.11.6. Gelet op de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt en de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied 'De Veluwe', acht de Afdeling op voorhand niet uitgesloten dat het plan de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied kan verslechteren. Het college van burgemeester en wethouders heeft evenwel niet inzichtelijk gemaakt welke gevolgen het plan voor de betrokken natuurwaarden zou kunnen hebben. Van enig onderzoek naar deze gevolgen is niet gebleken. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan significante effecten zal hebben op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied 'De Veluwe'. Gezien het voorgaande is het plan vastgesteld in strijd met artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998.

Conclusie

2.12. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op hetgeen werd overwogen onder 2.6.3, aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 20, tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan en met artikel 11, eerste lid, van de WRO voor zover het betreft artikel 6.1, onderdeel b, van de planvoorschriften. Verder is het plan, gelet op hetgeen werd overwogen onder 2.11.6, vastgesteld in strijd met artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college van gedeputeerde staten gehandeld in strijd met de genoemde bepalingen gelezen in verbinding met artikel 10:27 van de Awb .

Voorts geeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, gelet op hetgeen werd overwogen onder 2.5.5, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb .

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de genoemde artikelen dient te worden vernietigd.

Tevens ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder c, van de Awb zelfvoorziend goedkeuring aan het wijzigingsplan te onthouden.

2.13. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant] geen bespreking.

2.14. Het college van gedeputeerde staten dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 11 september 2009, kenmerk 2009-014007;

III. onthoudt goedkeuring aan het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede van 14 juli 2009, kenmerk 589427;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 904,45 (zegge: negenhonderdvier euro en vijfenveertig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Oudenaarden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2010

568-674.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature