Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding.

Uitspraak



09/691 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

Tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2008, 07/3786 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.F. Menick, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, heeft als opvolgend gemachtigde de gronden van het hoger beroep aangevuld. Bij brief van 29 maart 2010 heeft mr. G.M. Haring de Raad meegedeeld zich in de plaats van mr. Tijhuis te stellen.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 09/678 WWB, plaatsgevonden op 14 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Haring. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN.

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. De afdeling Controle en Opsporing van de gemeente Amsterdam heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand in verband met het vermoeden dat zij een gezamenlijke huishouding voert met [P.]. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 4 september 2006.

1.2. Bij besluit van 9 november 2006 heeft het College op basis van de onderzoeksbevindingen de bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) van appellante met ingang van 9 augustus 2001 ingetrokken op de grond dat zij vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voert met [P.]. Bij besluit van 25 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 november 2006 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Bij besluit van 18 juni 2007 - voor zover van belang - heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 9 augustus 2001 tot en met 31 mei 2006 tot een bedrag van € 73.455,77 van appellante teruggevorderd. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 21 augustus 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat het College bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot terugvordering rekening had moeten houden met het feit dat het College pas zeven maanden na de intrekking van de bijstand tot terug- en invordering van de gemaakte kosten van bijstand is overgegaan. Voorts heeft appellante aangevoerd dat haar financiële en medische situatie het College aanleiding had moeten geven om van zijn bevoegdheid tot terugvordering af te zien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat appellante tegen het besluit van 25 januari 2007 geen rechtsmiddel heeft aangewend, zodat de intrekking van de bijstand met ingang van 9 augustus 2001 in rechte onaantastbaar is geworden. Dit betekent dat de Raad voorbij gaat aan de grieven van appellante voor zover deze betrekking hebben op de intrekking van de bijstand.

4.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand over de periode van 9 augustus 2001 tot en met 31 mei 2006 van appellante terug te vorderen. De Raad ziet niet in dat door het enkele tijdsverloop tussen het nemen van het besluit tot intrekking en het terugvorderingsbesluit het College van deze bevoegdheid geen gebruik zou kunnen maken.

4.3. Het College heeft voorts gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen op grond waarvan het College van terugvordering had kunnen afzien. De financiële en medische omstandigheden van appellante kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor, indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft een belanghebbende als schuldenaar de bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels omtrent de beslagvrije voet neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering .

De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat uit de beschikbare gegevens niet blijkt dat de door appellante geschetste medische problematiek (enkel) verband houdt met de terugvordering. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd evenmin bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregels had moeten afwijken.

4.4. Tot slot merkt de Raad op dat de gemachtigde van het College ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat, mocht de uitspraak van de Raad in de procedure met reg.nr. 09/678 WWB het College aanleiding geven tot wijziging van de hoogte van het op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB van [P.] terug te vorderen bedrag, het terug te vorderen bedrag van Hensen hierop dienovereenkomstig afgestemd zal worden.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J.M. Tason Avila.

RB


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature