Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering overneming loonverplichtingen is terecht. Loonbetalingen per kas zonder kwitantie. Volgens loonstroken, als die al juist zijn, zou per kas betaald zijn. Curator heeft vordering betwist. De geclaimde loonvorderingen zijn te weinig aanwijsbaar en te zeer aan twijfel onderhevig.

Uitspraak



10/689 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 december 2009, 09/286 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 10 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft K.C.L.J. Verhoeven, advocaat te Schijndel, een verweerschrift plus bijlagen ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2010. Betrokkene en mr. Verhoeven waren aanwezig. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene is op 1 februari 2000 in dienst getreden van [naam bedrijf NV] (verder [bedrijf NV]), statutair gevestigd te Curaçao; betrokkene was werkzaam in een bedrijfspand te Best. Op 7 november 2006 zijn door de fiscus bij [bedrijf NV] in beslag genomen goederen executoriaal verkocht, waardoor in feite alle bedrijfsactiviteiten tot een einde kwamen. Op 21 maart 2007 is het faillissement van het bedrijf door de rechtbank te ’s-Hertogenbosch uitgesproken. Bij brief van 20 april 2007 heeft de curator de dienstbetrekking van betrokkene, voor zover deze nog mocht bestaan, opgezegd. Betrokkene heeft op 2 augustus 2007 bij appellant een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW), waarbij zij heeft aangegeven dat vanaf 1 november 2006 geen loon meer is betaald. Bij besluit van 7 september 2007 heeft appellant op deze aanvraag afwijzend beslist omdat betrokkene geen (tijdige) actie had ondernomen om alsnog loonbetalingen van haar werkgeefster te verkrijgen. Het tegen dit besluit namens betrokkene gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 8 december 2008 (hierna het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft appellant gesteld, dat betrokkene niet aan de voorwaarden voor het recht op overname van betalingsverplichtingen voldoet nu zij op 7 november 2006 (de datum waarop de betalingsonmacht feitelijk is ontstaan) niet in dienstbetrekking stond tot [bedrijf NV]. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat het bestaan van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet dan wel onvoldoende aannemelijk is. Daarbij heeft appellant onder meer gewezen op het ontbreken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst, het gegeven dat steeds per kas zou zijn betaald, terwijl stortingsbewijzen niet zijn overgelegd; wel zijn over de periode voor en na 1 november 2006 loonstroken geproduceerd, maar deze roepen juist extra vragen op.

2. De rechtbank heeft het namens betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en beslissingen gegeven over het vergoeden van proceskosten en het betalen van griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank getoetst of op de datum in geding aan de drie uit artikel 7:610, BW voortvloeiende elementen voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst is voldaan, te weten de verplichting loon te betalen, de verplichting persoonlijk arbeid te verrichten en het bestaan van een gezagsverhouding. Ten aanzien van laatstgenoemd element heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat de door appellant opgeroepen twijfel terzake onvoldoende met concrete feiten is onderbouwd. Ook indien alle bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt kan er, volgens de rechtbank, nog een verplichting bestaan om, waar nodig arbeid te (komen) verrichten. Ten aanzien van het element loonbetaling heeft de rechtbank gesteld dat de (ook over de periode na 7 november 2006) overgelegde loonstroken weliswaar vragen oproepen, onder andere over de vermelding erop van verschillende data van indiensttreding, maar dat appellant de stelling van betrokkene dat een en ander op een vergissing berust, onvoldoende heeft weerlegd. Ook het gegeven dat steeds per kas werd betaald – hetgeen ook op verschillende loonstroken is vermeld – heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht, omdat dit ook geschiedde in de periode vóór 1 januari 2006 en appellant het bestaan van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht over het tijdvak voor die datum niet heeft ontkend. Het bestreden besluit berust derhalve op een onvoldoende deugdelijke feitelijke grondslag.

3. Appellant heeft in hoger beroep vooral benadrukt dat omtrent de loonbetaling veel vragen en twijfels bestaan. Zo heeft betrokkene tegenstrijdige verklaringen gegeven met betrekking tot het antwoord op de vraag hoe zij aan de loonstroken die betrekking hebben op de periode na 1 november 2006, is gekomen en had geen van de (twee) personen die volgens betrokkene haar per kas uitbetaalden omstreeks 7 november 2006 nog enige formele binding met [bedrijf NV]. Ook het gegeven dat de curator de loonvordering van betrokkene eveneens heeft betwist, acht appellant niet zonder belang. Ter zitting van de Raad heeft appellant daar nog aan toegevoegd, dat ook van 21 maart 2007 als moment van intreden van betalingsonmacht uitgegaan zou kunnen worden, in welk geval het bepaalde in artikel 62, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW zich tegen overname zou verzetten, terwijl nu betrokkene zelf stelt dat steeds per kas is betaald, het dus niet is uitgesloten dat zij over de geclaimde periode in feite wel betaling heeft ontvangen; bovendien is, afgezien van het ontbreken van een arbeidsovereenkomst, niet gebleken of aangetoond, dat betrokkene op 7 november 2006 een opeisbare vordering jegens [bedrijf NV] had.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Het hoger beroep slaagt niet voor zover het is gebaseerd op het ontbreken van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Immers nu appellant niet betwist dat voorheen, althans voor 1 januari 2006, sprake was van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het BW , moet worden opgemerkt dat een bestaande arbeidsovereenkomst in beginsel slechts op een in het BW geregelde wijze rechtsgeldig kan worden beëindigd. Van een dergelijke rechtsgeldige beëindiging is niet gebleken; daarvan is eerst bij de opzegging door de curator in het faillissement sprake, terwijl de vordering van betrokkene zich – kennelijk – alleen tot die datum van opzegging uitstrekt.

4.3. Het voorgaande neemt niet weg, dat appellant zich er, ter zitting van de rechtbank subsidiair en ter zitting van de Raad meer subsidiair, op heeft beroepen dat volgens vaste jurisprudentie geen recht op overneming van betalingsverplichtingen bestaat indien de desbetreffende vordering niet duidelijk aanwijsbaar of te zeer aan gerede twijfel onderhevig is. Van dit laatste is in de situatie van betrokkene sprake. De Raad wijst er daartoe, naast andere tot twijfel aanleiding gevende omstandigheden, op dat:

-betrokkene niet met elkaar overeenstemmende verklaringen heeft gegeven met betrekking tot het antwoord op de vraag hoe zij aan de loonstroken over de periode

na 7 november 2006 is gekomen, terwijl het onduidelijk is waarop de desbetreffende loongegevens bij het ontbreken van enige resterende administratie van [bedrijf NV] gebaseerd zouden kunnen zijn;

-is gesteld dat betaling steeds per kas plaats vond terwijl in het geheel geen kwitanties of stortingsbewijzen zijn overgelegd;

-zo de loonstroken juist zijn, appellante geen vordering op [bedrijf NV] zou hebben nu zij immers volgens die loonstroken steeds per kas werd betaald;

-zo die betalingen per kas niet hebben plaatsgevonden, onduidelijk is om welke reden deze loonstroken desalniettemin door de werkgever al dan niet als bewijs van betaling zijn verstrekt;

-de enige twee personen die iets over de werkzaamheden van betrokkene op of omstreeks 7 november 2006 zouden kunnen verklaren geen van beiden ten tijde hier van belang nog enige formele binding met [bedrijf NV] hadden;

-de curator eveneens, kennelijk in verband met de bij hem bestaande twijfel over de betalingsplicht van [bedrijf NV] jegens betrokkene, de loonvordering van betrokkene heeft betwist.

Onder deze omstandigheden acht de Raad de geclaimde vorderingen van betrokkene jegens [bedrijf NV] te weinig aanwijsbaar en te zeer aan twijfel onderhevig.

4.4. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de stelling van appellant betreffende het ontbreken van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is verworpen, bevestigd dient te worden. Het bestreden besluit, dat voornamelijk op deze stelling berust, is door de rechtbank terecht vernietigd. Gelet echter op hetgeen onder 4.3. is overwogen ziet de Raad aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

5. De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, te begroten op € 874,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, ten bedrage van € 874,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en

J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2010.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature