Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verwerping Salduz-verweer.

Uitspraak



Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004740-09

Uitspraak d.d.: 22 september 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Almelo van 3 december 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 september 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw,

mr H.S.K. Jap A Joe, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 september 2009, in de gemeente [plaatsnaam], opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 35, in elk geval een of meer XTC-pil(len), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amphetamine en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Gevoerde verweren betreffende vormverzuimen

“Onrechtmatig verkregen bewijs”-verweer

De raadsvrouw heeft aangevoerd, kort gezegd, dat de verbalisanten op het moment dat zij in de woning van verdachte een sterke wietlucht roken, eerst aan verdachte de cautie hadden moeten geven alvorens verdachte om toestemming te vragen voor het doorzoeken van zijn woning. Gelet op dit vormverzuim moeten volgens de raadsvrouw de uit de doorzoeking voortgekomen bewijsmiddelen als onrechtmatig verkregen worden aangemerkt, hetgeen volgens de raadsvrouw leidt tot vrijspraak van het tenlastegelegde.

Het hof verwerpt het verweer aangezien het hof evenals de advocaat-generaal van oordeel is dat op het moment dat de verbalisanten in de woning een sterke wietlucht roken en de zich in die woning bevindende persoon - die de latere verdachte bleek te zijn - om toestemming voor de doorzoeking vroegen er ten aanzien van die persoon nog geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit was. Er bestond op dat moment slechts een redelijk vermoeden van aanwezigheid van drugs, zodat op dat moment door de politie aan die persoon nog geen cautie hoefde te worden gegeven.

Ten overvloede overweegt het hof dat het vragen om toestemming voor een doorzoeking van een woning niet is aan te merken als een (aanvang van een) verdachtenverhoor in de zin van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering aangezien er door de verbalisanten geen vragen aan verdachte werden gesteld betreffende zijn betrokkenheid bij een mogelijk strafbaar feit. Ook om deze reden hoefde de cautie niet gegeven te worden.

Naar het oordeel van het hof is er hierbij geen sprake geweest van een vormverzuim, zodat er geen reden is de uit de doorzoeking voortgekomen bewijsmiddelen van het bewijs uit te sluiten.

“Salduz” verweer

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van verdachte bij de politie van het bewijs moeten worden uitgesloten. Hiertoe heeft de raadsvrouw de volgende omstandigheden aangevoerd.

Verdachte is door de politie aangehouden en vervolgens meegenomen naar het politiebureau. Bij aanvang van het verhoor is hij door de politie gewezen op zijn recht om eerst een advocaat te raadplegen. Verdachte heeft hierop tegen de politie gezegd dat hij op dat moment nog niet met een advocaat hoefde te spreken. Toen verdachte eenmaal in verzekering was gesteld heeft hij meegedeeld dat hij niet meer verder wilde verklaren voordat hij met een advocaat had gesproken. Uiteindelijk blijkt dan een dag later na zijn tweede en laatste verhoor dat hij nog steeds geen advocaat heeft gesproken.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat in het politiedossier zich weliswaar een meldingsformulier inverzekeringstelling bevindt waarop haar naam als raadsvrouw van verdachte is vermeld, maar dat haar niet bij staat dat op haar kantoor die melding is ontvangen. Ook het dossier bevat geen faxbericht waaruit blijkt dat de piketmelding daadwerkelijk naar haar kantoor is gefaxt.

Nu niet met zekerheid is vast te stellen dat er door de politie een advocaat is gewaarschuwd, dienen de verklaringen van verdachte tegenover de politie te worden uitgesloten van het bewijs. De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het tenlastegelegde.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

De Hoge Raad heeft uit de rechtspraak van het EHRM afgeleid dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Dit brengt volgens de Hoge Raad mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van bepaalde dwingende redenen zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof is van oordeel dat van een dergelijke situatie in het onderhavige geval geen sprake is geweest op grond van het volgende.

Verdachte heeft aan het begin van zijn eerste verhoor tegenover de politie verklaard dat hij weet dat hij het recht heeft om eerst met een advocaat te spreken voordat hij een verklaring aflegt. Daarna heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd. Vervolgens wordt op een gegeven moment het eerste verhoor (naar het hof begrijpt) onderbroken voor de inverzekeringstelling, naar aanleiding waarvan verdachte verklaard heeft dat hij er de voorkeur aan geeft om de komst van zijn advocaat af te wachten voordat hij verder gaat met het afleggen van een verklaring. Het eerste verhoor wordt dan ook door de politie beëindigd. Hieruit leidt het hof af dat verdachte vóór de aanvang van het verhoor ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op raadpleging van een advocaat, zodat niet kan worden gezegd dat zich een zogenaamde ‘Salduz’ situatie heeft voorgedaan. Het hof zal derhalve deze verklaring niet uitsluiten van het bewijs.

Het hof zal de latere verklaring van verdachte niet tot het bewijs bezigen. Derhalve behoeft het verweer geen verdere bespreking.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 24 september 2009, in de gemeente [plaatsnaam], opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 35, in elk geval een of meer XTC-pil(len), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amphetamine en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 110 (honderdtien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat bij de uitvoering van de taakstraf 2 (twee) uren in mindering worden gebracht wegens de tijd door verdachte in verzekering doorgebracht, te weten totaal 1 (één) dag.

Aldus gewezen door

mr H.W. Koksma, voorzitter,

mr C.G. Nunnikhoven en mr R.W. van Zuijlen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr M.E.B. Rasing, griffier,

en op 22 september 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature