Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft zich op 1 april 2009 schuldig gemaakt aan mishandeling jegens verschillende personen, door tijdens het jaarlijkse 'Paasvee' te Schagen in een drukbezochte discotheek met een busje pepperspray te spuiten.

Uitspraak



RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/810147-09 (P)

Datum uitspraak : 21 oktober 2010

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

7 oktober 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

(primair)

hij op of omstreeks 01 april 2009 in de gemeente Schagen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in dancing [naam discotheek], alwaar zich op dat moment ongeveer 1500, althans een groot aantal, personen bevonden/bevond (terwijl één of meer rookmachines in werking was/waren) aan één of meerdere personen (waaronder [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (één of meermalen) pepperspray, althans een met pepperspray vergelijkbare stof, en/of een zuur en/of een base en/of een stof, die een irriterende en/of prikkelende en/of brandende, in ieder geval een schadelijke, uitwerking heeft op de slijmvliezen en/of de ogen en/of de mond en/of de huid en/of de ademhaling, naar en/of in de richting van bedoelde en/of genoemde personen heeft gespoten,

ten gevolge waarvan er paniek onder (een groot deel van) de aanwezigen is uitgebroken, althans had kunnen uitbreken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(subsidiair)

hij op of omstreeks 01 april 2009 in de gemeente Schagen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het opzet tot mishandelen, in dancing [naam discotheek], alwaar zich op dat moment ongeveer 1500, althans een groot aantal, personen bevonden/bevond (terwijl één of meer rookmachines in werking was/waren) met dat opzet (één of meermalen) pepperspray, althans een met pepperspray vergelijkbare stof, en/of een zuur en/of een base en/of een stof, die een irriterende en/of prikkelende en/of brandende, in ieder geval een schadelijke, uitwerking heeft op de slijmvliezen en/of de ogen en/of de mond en/of de huid en/of de ademhaling, naar en/of in de richting van één of meerdere personen (waaronder [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8]), heeft gespoten, waardoor één of meer bedoelde en/of voornoemde personen letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op woensdag 1 april 2009 vond in Schagen het jaarlijkse Paasvee plaats. Tijdens de festiviteiten heeft in de drukbezochte discotheek [naam discotheek] een incident plaatsgevonden waarbij pepperspray de discotheek in is gespoten. Bij verschillende bezoekers van [naam discotheek] zijn klachten opgetreden als branderige ogen, een branderige en jeukende huid, ademhalingsproblemen en hoofdpijn.

Verdachte heeft bekend op 1 april 2009 pepperspray te hebben gespoten in discotheek [naam discotheek].

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van het primair ten laste gelegde feit, met uitzondering van het ten laste gelegde ‘medeplegen’, waarvan verdachte dient te worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft betoogd dat er sprake is van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daartoe heeft de officier van justitie aangegeven dat er paniek had kunnen uitbreken door de combinatie van de pepperspray en de rookmachines. Als er paniek zou zijn uitgebroken in ernstiger mate dan nu het geval was, dan zijn in een gebouw, waar zoveel mensen aanwezig zijn, de gevolgen niet te overzien. Daarnaast heeft de officier van justitie aangegeven dat er sprake is van een poging zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door verdachte omdat hij niet wist welke stof in het busje zat en het ook een zuur of base zou kunnen bevatten waarbij het letsel erger zou kunnen zijn geweest dan het letsel dat alleen door pepperspray zou zijn ontstaan.

C. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken van het hem primair ten laste gelegde, nu niet uit het dossier blijkt dat bij eenmalig gebruik van pepperspray zwaar lichamelijk letsel (mogelijk) het gevolg zal zijn. Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat zijn cliënt niet het opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ook de paniek die zou kunnen zijn ontstaan in de discotheek levert geen bewijs op voor een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit acht de raadsman van verdachte wel voldoende bewijsmiddelen in het dossier aanwezig.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

De rechtbank stelt het volgende voorop.

Mede gelet op het proces-verbaal wapenexpertise acht de rechtbank bewezen dat het busje waarmee verdachte in de discotheek heeft gespoten pepperspray heeft bevat.

De klachten van de bezoekers van de discotheek, waaronder de hierna onder subsidiair te noemen aangevers stemmen overeen met een weergave van mogelijke effecten uit rapporten, genoemd in het proces-verbaal van bevindingen van 27 april 2009. In een weergave van een rapport van TNO wordt over de mogelijke effecten vermeld:

de ogen (onvrijwillige sluiting en tijdelijke verblinding), de huid (roodheid, pijn en ongevoeligheid), luchtwegen (verlamming van de keel, kortademigheid, hoesten en slijmafscheiding) en motoriek (verlies van controle over de lichaamsmotoriek, dubbelklappen, ernstig trillen en gevoelens van desoriëntatie en paniek).

In een weergave van het Duke-rapport wordt onder meer vermeld dat acute effecten van capsaicine, het werkzame bestanddeel van pepperspray, zijn:

rode plekken en branderigheid op de huid, branderigheid van de neus, hoestbuien, bronchospasmes en verhoogde bloeddruk.

Niet aannemelijk is geworden dat zich een andere substantie in het busje heeft bevonden.

Weliswaar wordt in een briefrapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) , opgemaakt in het kader van een screeningsonderzoek, aangegeven dat de symptomen van de slachtoffers, waaronder een branderig gevoel en rode vlekken op de huid, duiden op het gebruik van een zuur of base. Die conclusie uit een beperkt opgezet onderzoek wordt echter niet nader onderbouwd, terwijl dezelfde symptomen blijkens het bovenstaande passen bij de acute effecten van het gebruik van pepperspray.

Uit het bovenstaande blijkt dat blootstelling aan pepperspray tot meerdere nadelige gevolgen voor de gezondheid kan leiden. In het dossier is echter geen bewijsmiddel voorhanden waaruit blijkt dat bij eenmalige blootstelling aan pepperspray een aanmerkelijke kans bestaat op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Evenmin acht de rechtbank bewezen dat de verdachte, die heeft verklaard op de hoogte te zijn van het gebruik van pepperspray door de politie in daartoe aangewezen situaties, een zodanige kans, indien aanwezig, bewust heeft aanvaard.

Daargelaten dat het tijdstip waarop is gespoten met pepperspray ten opzichte van het in werking treden van de rookmachines niet kan worden vastgesteld, deelt de rechtbank het standpunt van de officier van justitie voor zover inhoudende dat door het spuiten van pepperspray een kans bestaat dat er paniek zou zijn uitgebroken in de discotheek. Daarmee is echter geen aanmerkelijke kans op het oplopen van zwaar lichamelijk letsel als gevolg van paniek gegeven, nog daargelaten de daarna te beantwoorden vraag of de verdachte zich van de kans op een dergelijk gevolg bewust zou zijn geweest..

Gelet op het hiervoor overwogene zal verdachte worden vrijgesproken van het hem primair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

Op grond van:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 oktober 2010 en bij de rechter-commissaris op 6 april 2009;

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 4 april 2009 (dossierpagina 51 en volgende);

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 24 april 2009 (dossierpagina 62 en volgende);

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] d.d. 2 april 2009 (dossierpagina 71 en volgende);

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] d.d. 4 april 2009 (dossierpagina 76 en volgende);

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] d.d. 4 april 2009 (dossierpagina 82 en volgende);

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 6] d.d. 5 april 2009 (dossierpagina 86 en volgende);

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 7] d.d. 7 april 2009 (dossierpagina 91 en volgende);

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 8] d.d. 8 april 2009 (dossierpagina 96 en volgende);

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat hij zich op 1 april 2009 te Schagen schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van meerdere personen door het spuiten van pepperspray in discotheek [naam discotheek].

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

(subsidiair)

hij op 1 april 2009 in de gemeente Schagen met het opzet tot mishandelen in dancing [naam discotheek], alwaar zich op dat moment een groot aantal personen bevond, met dat opzet pepperspray in de richting van meerdere personen, waaronder [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8], heeft gespoten, waardoor voornoemde personen pijn hebben ondervonden.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf gevorderd voor de duur van tweehonderd uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie de opheffing van het geschorste bevel bewaring gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie het volgende gevorderd:

• ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 4] toewijzing van € 40,-;

• ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 6] toewijzing van € 19,99,

voor het overige niet-ontvankelijk verklaring;

• ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] toewijzing van € 351,80;

• ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2] toewijzing van € 455,73;

• ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 3] toewijzing van € 370,-.

De officier van justitie heeft ten aanzien van alle benadeelde partijen ook de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat, nu slechts het subsidiair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou moeten worden opgelegd. In plaats daarvan zou een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke werkstraf passend zijn.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman het volgende betoogd:

• ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 6] kan de post betreffende het T-shirt van

€ 19,99 wel worden toegewezen, maar de inkomstenderving is onvoldoende onderbouwd, zodat dat gedeelte niet-ontvankelijk moet worden verklaard;

• ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 4] dient de inkomstenderving niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu dit onvoldoende is onderbouwd;

• ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 3] is de vordering niet eenvoudig van aard zodat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard;

• ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2] is het bedrag van het vestje wel aannemelijk maar de inkomstenderving is niet onderbouwd; dit deel van de vordering dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard;

• ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] zijn stukken overgelegd van kleding die twee maanden later is aangeschaft, hetgeen niets zegt over de waarde van de kleding op dat moment of van een eventuele verzekering; daarom dient ook deze vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en tevens op grond van de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van de in de tenlastelegging genoemde en meerdere andere personen door met een busje pepperspray te spuiten in een discotheek waar die personen op dat moment aan het dansen waren. Hiermee heeft verdachte die personen irritatie en brandende pijn aan ogen en huid bezorgd alsmede benauwdheidklachten, hoofdpijn en andere klachten. Ook heeft hij angst teweeggebracht bij de slachtoffers en bij andere mensen in hun omgeving en hij heeft met zijn handelen een feestelijke dag voor velen verpest. Gelet op het zinloze karakter van het spuiten en de willekeurigheid van de slachtoffers houdt de rechtbank het er op dat dit een daad uit agressieve baldadigheid was. Verdachte zelf heeft geen verklaring kunnen of willen geven waarom hij dit heeft gedaan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 26 augustus 2010, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van enig misdrijf tot straf is veroordeeld.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is. De rechtbank is van oordeel dat tevens een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, behoort te worden opgelegd, een en ander op de wijze zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

Vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 40,- wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 40,- kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

De gestelde loonderving is voldoende onderbouwd.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 455,73,- wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 455,73,- kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen. Anders dan de verdediging acht de rechtbank de gestelde loonderving alsmede de immateriële schade tot een bedrag van € 200,- voldoende onderbouwd.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

[slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 370,- wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 370,- kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen. Anders dan de verdediging acht de rechtbank zowel de kledingschade als de gestelde immateriële schade eenvoudig van aard.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 351,80 wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 351,80 kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen. Anders dan de verdediging acht de rechtbank de gestelde schade voldoende onderbouwd.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

[slachtoffer 6]

De benadeelde partij [slachtoffer 6], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 102,87,- wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 19,99,- kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij door het ontbreken van bescheiden ter onderbouwing niet van zo eenvoudige aard dat dit deel van die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde kan het gedeelte van de vordering, dat tot niet-ontvankelijkheid zal leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelden.

? De maatregel wordt opgelegd voor het toegewezen schadebedrag van € 40,- ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4].

? De maatregel wordt opgelegd voor het toegewezen schadebedrag van € 455,73 ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

? De maatregel wordt opgelegd voor het toegewezen schadebedrag van € 370,- ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

? De maatregel wordt opgelegd voor het toegewezen schadebedrag van € 351,80 ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

? De maatregel wordt opgelegd voor het toegewezen schadebedrag van € 19,99 ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 6].

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders subsidiair ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 60 dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren voor elke dag.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 40,- (veertig euro) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] te betalen een som geld ten bedrage van € 40,- (veertig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat. Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 455,73,- (vierhonderdvijfenvijftig euro en drieënzeventig cent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] te betalen een som geld ten bedrage van € 455,73, (vierhonderdvijfenvijftig euro en drieënzeventig cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 9 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat. Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 370,- (driehonderdzeventig euro) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] te betalen een som geld ten bedrage van € 370,-, (driehonderdzeventig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat. Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 351,80,- (driehonderdeenenvijftig euro en tachtig cent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 351,80, (driehonderd eenenvijftig euro en tachtig cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat. Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 19,99,- (negentien euro en negenennegentig cent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6] te betalen een som geld ten bedrage van € 19,99, (negentien euro en negenennegentig cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat. Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. E.M. Devis en mr. R. Hirzalla, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. de Jong, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 oktober 2010.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature