Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Aan het definitieve karakter van de op 24 juni 2008 getekende overeenkomst doet niet af dat appellant en zijn werkgever hebben verzuimd om, nadat zij op 24 juni 2008 overeenstemming hadden bereikt, boven de beëindigingsovereenkomst het woord “concept” door te halen. De Raad heeft voorts geen reden om te twijfelen aan de stelling van appellant dat de handmatige aantekening “uitwerking door JKR” niets anders betekende dan dat de bij het gesprek aanwezige directeur HRM de correcties, doorhalingen en aanpassingen van de overeenkomst van 24 juni 2008 conform de afspraken zou verwerken in een typografisch gaaf exemplaar. De Raad merkt daarbij op dat de beëindigingsovereenkomst van 9 juli 2008, behoudens een kleine tekstuele aanpassing, identiek is aan de overeenkomst van 24 juni 2008. De Raad is van oordeel dat de fictieve opzegtermijn moet worden toegerekend aan de periode van 24 juni 2008 tot 1 augustus 2008. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Uitspraak



09/4534 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juli 2009, 08/7553 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als voorzitter en statutair directeur van [naam bedrijf] (hierna: werkgever) op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 24 juni 2008 hebben appellant en zijn werkgever een (concept-)beëindigingsovereenkomst getekend. Vervolgens is appellant bij brief van 9 juli 2008 een door de werkgever getekende definitieve beëindigingsovereenkomst toegezonden, waarvan appellant een exemplaar heeft ondertekend en geretourneerd. De arbeidsovereenkomst is per 1 augustus 2008 met wederzijds goedvinden geëindigd, waarbij aan appellant een financiële vergoeding is toegekend.

1.2. Bij besluit van 20 augustus 2008 (hierna: primaire besluit) heeft het Uwv vastgesteld dat appellant over de periode 1 augustus 2008 tot en met 31 augustus 2008 geen recht op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft op de grond dat de aan appellant verstrekte financiële vergoeding in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst als loon over de voor hem geldende opzegtermijn van één maand wordt toegerekend. Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat geen sprake is van een door beide partijen getekende, schriftelijke beëindigingsovereenkomst, zodat de zogenoemde fictieve opzegtermijn eindigt op 31 augustus 2008. Het bezwaar tegen het primaire besluit is bij besluit van 17 september 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de overgelegde (concept-)beëindigingsovereenkomst van 24 juni 2008 niet kan worden aangemerkt als een “schriftelijke overeenkomst” als bedoeld in artikel 16, derde lid, aanhef en onder c, van de WW . Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op het concept wordt vermeld dat dit door ene “JKR” zal worden uitgewerkt, hetgeen ruimte openlaat voor enige toevoegingen in de definitieve versie en voorts dat het concept is voorzien van diverse handmatige aanvullingen, doorhalingen en wijzigingen welke niet stuk voor stuk van een paraaf van beide partijen zijn voorzien. Dit alles in onderlinge samenhang bezien maakt volgens de rechtbank dat, eerst nadat de uitwerking van het concept zijn schriftelijke neerslag heeft gevonden in een schriftelijk stuk, gesproken kan worden van een schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 16, derde lid, aanhef en onder c, van de WW . Daarom heeft het Uwv volgens de rechtbank terecht de opzegtermijn doen ingaan op 1 augustus 2008 en terecht geweigerd appellant over de periode van 1 augustus 2008 tot en met 31 augustus 2008 voor een WW-uitkering in aanmerking te brengen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep nader toegelicht dat op 10 juni 2008 met de werkgever de punten zijn vastgesteld waarover overeenstemming diende te worden bereikt en is afgesproken dat hij 14 dagen de tijd zou nemen om zich te beraden op de gewenste uitkomst. Op grond van deze inleidende bespreking heeft de werkgever een conceptovereenkomst opgesteld met de vastgestelde punten. Tijdens de bespreking op 24 juni 2008 hebben appellant en zijn werkgever overeenstemming bereikt en als bewijs daarvan de tijdens dat gesprek handmatig aangevulde overeenkomst gedateerd en ondertekend. Appellant heeft het origineel van deze overeenkomst meegenomen en de werkgever een fotokopie. De aantekening “uitwerking door JKR” op de overeenkomst betekent volgens appellant niets anders dan dat een deel van de afspraak was dat [naam directeur], directeur HRM van de werkgever, de ondertekende versie van 24 juni 2008 in schone vorm uit zou werken.

3.2. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat eerst van een schriftelijke beëindigingsovereenkomst sprake was toen appellant de brief van 9 juli 2008 voor akkoord tekende.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 16, derde lid, aanhef en onder c, van de WW wordt de fictieve opzegtermijn, indien de dienstbetrekking is ge ëindigd met wederzijds goedvinden, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum waarop de beëindiging schriftelijk is overeengekomen, dan wel, bij gebrek aan een schriftelijke beëindigingsovereenkomst, aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd.

4.2. De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden op welk moment de beëindiging van de arbeidsovereenkomst schriftelijk is overeengekomen. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit reeds op 24 juni 2008 het geval was. Appellant en zijn werkgever hebben tijdens de bespreking op 24 juni 2008, aan de hand van het door de werkgever opgestelde concept, definitieve overeenstemming bereikt over de inhoud van de beëindigingsovereenkomst. Zij hebben deze overeenstemming vervolgens bekrachtigd door het plaatsen van hun handtekening onder de ingevulde

(concept-)beëindigingsovereenkomst. Appellant en de werkgever waren aan dit onderhandelingsresultaat gebonden. Zij hadden vanaf dat moment niet meer de vrijheid om nog wijzigingen aan te brengen in de overeenkomst.

4.3. Aan het definitieve karakter van de op 24 juni 2008 getekende overeenkomst doet niet af dat appellant en zijn werkgever hebben verzuimd om, nadat zij op 24 juni 2008 overeenstemming hadden bereikt, boven de beëindigingsovereenkomst het woord “concept” door te halen. De Raad heeft voorts geen reden om te twijfelen aan de stelling van appellant dat de handmatige aantekening “uitwerking door JKR” niets anders betekende dan dat de bij het gesprek aanwezige directeur HRM de correcties, doorhalingen en aanpassingen van de overeenkomst van 24 juni 2008 conform de afspraken zou verwerken in een typografisch gaaf exemplaar. De Raad merkt daarbij op dat de beëindigingsovereenkomst van 9 juli 2008, behoudens een kleine tekstuele aanpassing, identiek is aan de overeenkomst van 24 juni 2008.

4.4. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de fictieve opzegtermijn moet worden toegerekend aan de periode van 24 juni 2008 tot 1 augustus 2008.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd evenals het bestreden besluit. Het Uwv zal, met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen, opnieuw moeten beslissen op de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit.

6. De Raad is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt het Uwv op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature