Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Loonsanctie werkgever.Onvoldoende re-integratie inspanningen 1e spoor.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 4608 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2010

in de zaak van:

Stichting voor Educatie en Beroepsonderwijs ROC Nova College,

gevestigd te Haarlem,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.J. Wiebosch, advocaat te Haarlem,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

derde partij:

[naam derde partij],

wonende te [woonplaats].

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2009 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat het loon van mevrouw [naam derde partij] (hierna: werkneemster) moet worden doorbetaald tot 1 mei 2010.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 16 april 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 augustus 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 15 september 2009, aangevuld bij brief van 21 oktober 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de werkneemster de rechtbank laten weten als partij aan dit geding te willen deelnemen. De werkneemster heeft geen toestemming gegeven om de medische gegevens aan eiseres (de werkgever) ter kennis te brengen. De rechtbank heeft bij beslissing van 2 april 2010 op grond van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat kennisneming van de genoemde medische stukken niet wordt toegestaan aan eiseres, maar uitsluitend aan de gemachtigde van eiseres, te weten mr. R.J. Wiebosch.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 juli 2010, alwaar voor eiseres zijn verschenen mr. R.J. Wiebosch, advocaat en J. Visbeen, hoofd HRM. Verweerder is verschenen bij mr. W.M.G. van Nieuwburg.

2. Overwegingen

2.1 De werkneemster is op 7 mei 2007 uitgevallen voor haar werkzaamheden als docente NT2 (voor 22 klokuren per week). Per einde wachttijd heeft de werkneemster een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. Verweerder heeft de behandeling van de aanvraag opgeschort en eiseres bij besluit van 5 maart 2009 medegedeeld dat het loon aan de werkneemster moet worden doorbetaald tot 1 mei 2010 omdat eiseres onvoldoende heeft gedaan om de werkneemster te re-integreren.

2.2 Het bestreden besluit berust - kort samengevat – op het standpunt dat eiseres in de eerste periode van de ziekte van de werkneemster te veel tijd verloren heeft laten gaan en in dat verband vastgesteld dat eiseres de mogelijkheden in het 1e spoor onvoldoende heeft onderzocht. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd welke functies binnen haar organisatie niet passend zijn voor de werkneemster en op grond waarvan dat zo is.

2.3 Eiseres betwist, voor zover hier van belang, onvoldoende re-integratie inspanningen te hebben verricht en stelt dat zij mocht vertrouwen op de deskundige adviezen van de Arbodienst. Eiseres houdt er aan vast dat eerst in april 2008 (en niet al in februari 2008) is duidelijk geworden dat een terugkeer in een docentenfunctie binnen de organisatie van eiseres niet meer mogelijk was. Vervolgens is onderzoek ingesteld naar de mogelijkheid van re-integratie in ander werk, resulterend in de conclusie (in augustus 2008) dat naar een administratieve functie moest worden gezocht. Eiseres betoogt dat er wel degelijk voldoende aan activiteiten naar passende werkzaamheden binnen het Nova college is verricht en dat dit onderzoek zeer zorgvuldig is uitgevoerd. Daarbij wordt erop gewezen dat een onderwijsinstelling eenzijdig is en het accent vooral ligt op docentenfuncties. Voorts wordt erop gewezen dat de werkneemster is geplaatst in een soort werkervaringsplaats (Edison) en dat verweerder deze activiteit in de rapportage negeert. Volgens eiseres is de arbeidskundige rapportage vooral gebaseerd op subjectieve indrukken en inschattingen en is daarin ten onrechte ook geen aandacht besteed aan het feit dat, afgaande op de rapportages van de bedrijfsarts, gedurende het eerste ziektejaar de arbeidsongeschiktheid re-integratie activiteiten feitelijk niet mogelijk bleken. Dit oordeel van de bedrijfsarts vindt bevestiging in het APA rapport van 25 augustus 2008. Verweerder heeft de hier opgesomde feiten niet in het besluit meegewogen. De conclusie, dat het 1e spoor ten onrechte is afgesloten, is daarmee onvoldoende gemotiveerd en strijdig met de objectief beschikbare gegevens. Eiseres voegt hieraan toe van mening te zijn dat de motiveringsplicht van verweerder hier verder gaat dan alleen te stellen dat de werkgever zijn activiteiten niet voldoende toetsbaar heeft gemaakt. Verweerder dient daar volgens eiseres ook een eigen oordeel tegenover te stellen.

2.4 De bezwaararbeidsdeskundige heeft in reactie op de beroepsgronden (rapport van 28 januari 2010) - kort samengevat - gesteld dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie en ook zelf kritisch dient te kijken naar de uitgebrachte adviezen. Gewezen wordt op twee uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 18 november 2009. De bezwaararbeidsdeskundige geeft verder aan dat de rapportage van 10 augustus 2009 op zorgvuldige wijze een objectief oordeel is gegeven over de relevante feiten en de conclusies voldoende te hebben gemotiveerd. De bezwaararbeidsdeskundige is daarnaast van mening dat het niet tot de taak van het Uwv behoort om aan te geven welke mogelijkheden er in het 1e spoor nog beschikbaar waren en evenmin of deze tot daadwerkelijke re-integratie zouden hebben geleid al;s zij waren gevolgd. Voorts stelt de bezwaararbeidsdeskundige dat er geen misverstand over kan bestaan dat al in februari 2008 vaststond dat terugkeer van de werkneemster in eigen werk niet mogelijk was en dat het traject daarna veel te lang heeft geduurd. De bezwaararbeidsdeskundige concludeert dat zijn oordeel niet zozeer is gebaseerd op de kwaliteit van het onderzoek, maar op de tijd die het onderzoek heeft gevergd.

2.5 De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Artikel 25, negende lid, WIA bepaalt dat indien bij de behandeling van de WIA- aanvraag, en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 van die wet blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet , opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

2.7 Ingevolge artikel 65 WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

2.8 Artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt sinds 1 januari 2004 als volgt:

“De werkgever bevordert ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.”

2.9 In de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (Regeling van 25 maart 2002, Stcrt. 2002, 60, laatstelijk gewijzigd bij regeling van 16 december 2005, Stcrt. 2005, 249; hierna: de Regeling procesgang) zijn nadere regels gesteld voor de toepassing van artikel 25, negende lid, WIA . Het gaat daarbij met name om verplichtingen van procedureel- administratieve aard.

2.10 In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224, hierna: de Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

2.11 Volgens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien verweerder het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk is ondernomen. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is, maar verweerder de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader als zodanig voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het Uwv de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. Van werkgever en werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf noch bij een andere werkgever.

2.12 Vaststaat dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een bevredigend resultaat, nu geen sprake is van een (gedeeltelijke) werkhervatting. Dit brengt mee dat verweerder gelet op de beleidsregels kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen.

2.13 De rechtbank stelt voorop dat de werkgever verantwoordelijk is en blijft voor de re-integratie en dus ook voor de kwaliteit van de geleverde diensten van onder meer een arbodienst.

2.14 Het besluit tot oplegging van de in geding zijnde loonsanctie is een door verweerder ambtshalve genomen besluit met een voor eiseres belastend karakter. Gelet daarop – en mede in aanmerking genomen de Beleidsregels – is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. Uit artikel 65 WIA volgt dat het bij de beoordeling van de re- integratie-inspanningen gaat om de vraag of de werkgever daartoe in redelijkheid heeft kunnen komen. Verweerder dient zijn besluit in dit verband deugdelijk te motiveren en zal zich daarbij moeten houden aan de uitgangspunten van de Regeling procesgang en het beoordelingskader van de Beleidsregels. Bovenstaande eisen gaan niet zover dat verweerder de concreet door eiseres te nemen stappen ten aanzien van de re-integratie van betrokkene moet formuleren. De concrete invulling is een taak van eiseres als werkgever. Een en ander laat echter onverlet dat het bepaalde in artikel 25, negende lid, WIA meebrengt dat de door verweerder bij het besluit tot oplegging van de loonsanctie gegeven motivering zodanig concreet dient te zijn, dat het de werkgever op basis daarvan voldoende duidelijk kan zijn waaruit zijn tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen bestaat. Immers, alleen dan zal de werkgever overeenkomstig artikel 25, negende lid, WIA in de gelegenheid zijn om die tekortkoming te herstellen.

2.15 De rechtbank onderschrijft dat eiseres als werkgever tekort is geschoten in de zogeheten 1e spooractiviteiten in die zin dat het traject te lang heeft geduurd, waardoor er zonder twijfel kansen verloren zijn gegaan.

2.16 Immers uit de stukken blijkt dat eiseres in elk geval al in februari 2008 duidelijk was dat de werkneemster niet meer in haar eigen werk als docente zou kunnen functioneren. In het plan van aanpak WIA van 6 februari 2008 wordt al als einddoel aangekruist “gehele of gedeeltelijke werkhervatting bij een andere werkgever”. Daarin wordt verder vermeld dat de werkneemster, de leidinggevende en de HR adviseur hebben afgesproken om de verdere re-integratie op 14 maart 2008 te bespreken. In de eerstejaarsevaluatie van het plan van aanpak WIA van 9 april 2008 wordt de vraag of er reden is om het einddoel of aanpak van de re-integratie bij te stellen met “nee” beantwoord. In maart 2008 adviseert de bedrijfsarts over het doen instellen van een belastbaarheidonderzoek. Eerst na drie maanden, in juni 2008, vindt dat onderzoek plaats. Vervolgens duurt het twee maanden (augustus 2008) voordat het APA rapport met eiseres wordt besproken en de werkgever wordt geïnformeerd. Dan volgt pas in november 2008 de rapportage arbeidsmogelijkheden onderzoek van de Arbo Unie met als uiteindelijke conclusie dat de werkneemster is aangewezen op werk buiten het bereik van de eigen werkgever en dan pas komt het traject gericht op het 2e spoor aan de orde. Dat traject wordt dan vervolgens ingezet met het rapport van Lytton in februari 2009. De rechtbank kan hierin niet anders concluderen dan dat eiseres de re-integratie onvoldoende voortvarend heeft aangepakt en dat het traject onnodig lang heeft geduurd. Tussen februari 2008 en november 2008 zijn slechts minimale activiteiten ontplooid. Afgezien van de hierboven omschreven formele stappen is de enige concrete activiteit geweest de plaatsing op een werkervaringsplaats, hetgeen niet als voldoende valt te bestempelen.

2.17 De rechtbank meent voorts dat de mogelijkheden in het 1e spoor onvoldoende zijn onderzocht. In ieder geval is onvoldoende gemotiveerd dat en waarom er voor eiseres geen passende alternatieve functies zijn gezocht binnen de eigen organisatie.

2.18 De onderbouwing in het rapport van de Arbo Unie van november 2008 is summier. Daarin wordt gesteld: “Gekeken is naar functies waarbij sprake is van afgebakende taken, weinig interactie met studenten en collega’s in een prikkelarme omgeving. Functies die gezien deze kaders in beeld komen zijn in de meeste gevallen administratief van aard. Op basis van de aanwezige functies in combinatie met de geldende beperkingen concludeer ik dat er op dit moment bij de eigen werkgever geen passende mogelijkheden zijn”. De rechtbank acht deze onderbouwing niet toereikend. Dit is zo weinig concreet dat niet toetsbaar is of het ingenomen standpunt, dat er geen passende functies binnen de organisatie van de eigen werkgever voorhanden of aanpasbaar zijn, al dan niet reëel is. Evenmin is toetsbaar of het 2e spoor te vroeg of te laat is ingezet. Uit de stukken blijkt nergens welke andere functies zijn besproken en waarom die specifieke functies niet passend zouden zijn in de situatie van de werkneemster. Er blijkt niet of er gericht is gezocht naar een specifieke functie. Uit het dossier komt naar voren dat de werkneemster zelf een suggestie heeft gedaan voor een mogelijk passende functie. Die suggestie is naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte afgewimpeld wegens het te lage functieniveau. Als eerste opstap ter integratie is er een kans gemist. Voorts blijkt dat de eiseres geen functie wilde creëren, terwijl dat laatste wel degelijk van een werkgever mag worden verlangd in het kader van een re-integratietraject. Temeer daar het hier een werkneemster betreft die al vanaf 1991 in dienst was bij eiseres.

2.19 Naar het oordeel van de rechtbank bieden, alles in ogenschouw nemend, de gerapporteerde activiteiten voldoende steun voor het standpunt dat vanwege eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Gelet hierop heeft verweerder op juiste gronden de opgelegde loondoorbetalingverplichting gehandhaafd. Het bestreden besluit kan derhalve stand houden.

2.20 Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard. Voor een proceskosten-veroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, rechter, en op 26 juli 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature