Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Intrekking bijstandsuitkering. Verblijf in buitenland langer dan 4 weken. Omvang geding. Hoorplicht. Geen sprake van “reformatio in peius”. Het besluit wordt vernietigd omdat het College heeft verzuimd te beoordelen of er in het geval van appellant aanleiding was om een zeer dringende reden aan te nemen. De medische gegevens die appellant in verband met zijn gezondheidstoestand heeft overgelegd, geven onvoldoende aanleiding voor het aannemen van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid van de WWB . Niet is gebleken dat appellant door zijn medische toestand niet in staat was tijdig naar Nederland terug te reizen. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit worden in stand gelaten.

Uitspraak



08/3148 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 mei 2008, 07/5384 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend. Mr. de Glas heeft hierop bij brief van

4 september 2008 gereageerd.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 22 juni 2010. Partijen - waarvan appellant met voorafgaand bericht - zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 18 juli 2005 niet op zijn werk bij “[werkgever]” gemeld. Pogingen om vervolgens (telefonisch) contact met appellant te verkrijgen zijn mislukt. Op 24 augustus 2005 is getracht een huisbezoek af te leggen. Het pand, waarin appellant heeft opgegeven een kamer te huren, stond leeg. Deze bevindingen hebben er toe geleid dat het College bij besluit van 3 november 2005 de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2005 heeft ingetrokken op de grond dat appellant onvoldoende inlichtingen over zijn woonsituatie heeft verstrekt waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.2. Bij besluit van 13 maart 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 november 2005 ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van de rechtbank van 5 september 2007, 06/2031, heeft de rechtbank - met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten - het besluit van 13 maart 2006 wegens een motiveringsgebrek vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Partijen hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

1.4. Bij besluit van 19 november 2007 heeft het College, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, het bezwaar tegen het besluit van 3 november 2005 gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Het College heeft vervolgens de bijstand van appellant ingetrokken over de periode van 23 augustus 2005 tot en met 14 oktober 2005 op de grond dat appellant vanaf 23 augustus 2005 langer dan vier weken verblijf hield in het buitenland. Hierbij is verwezen naar artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet werk en bijstand (WWB).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 november 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het College de bevoegdheid toekwam de bijstand van appellant over de periode van 23 augustus 2005 tot en met 14 oktober 2005 in te trekken op de grond dat appellant niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan door zijn verblijf in het buitenland niet aan het College te melden.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast, dat het College bij besluit van 19 november 2007 aan de intrekking van de bijstand van appellant ten grondslag heeft gelegd, dat ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB geen recht op bijstand bestaat gedurende de periode van 23 augustus 2005 tot en met 14 oktober 2005.

4.2. De Raad oordeelt ambtshalve dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door te beoordelen of het College bevoegd was tot intrekking van de bijstand van appellant op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden. De Raad ziet hierin, mede gelet op het feit dat artikel 8:69, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van openbare orde is, aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen en te doen wat de rechtbank zou behoren te doen.

4.3. Appellant heeft aangevoerd dat hij ten onrechte voorafgaand aan het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar van 19 november 2007 niet opnieuw is gehoord. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2007, LJN AZ7525 - houdt artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet een algemene verplichting in tot het opnieuw horen van een belanghebbende bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de rechtbank waarbij de eerdere beslissing op het bezwaar is vernietigd. Dat neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om belanghebbenden bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar opnieuw te horen. De Raad is van oordeel dat een zodanige situatie zich in dit geval niet voordoet. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant in bezwaar tegen het besluit van 3 november 2005 zijn standpunt omtrent de noodzaak van zijn verblijf in Marokko gedurende de periode in geding reeds mondeling heeft toegelicht onder overlegging van (medische) gegevens en dat deze feiten en omstandigheden - die overigens niet ter discussie staan - ook aan het besluit van

19 november 2007 ten grondslag liggen.

4.4. De Raad is voorts - anders dan appellant - van oordeel dat het besluit van 19 november 2007 overeenkomstig artikel 7:11, van de Awb is genomen. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen - zie de uitspraak van 25 juni 2003, LJN AI0054 - brengen de systematiek en uitgangspunten van de Awb ter zake van het beslissen op een bezwaarschrift mee dat een aangevochten besluit in volle omvang wordt heroverwogen. Ten gevolge daarvan kan blijken dat een besluit niet kan worden gehandhaafd hetgeen er vervolgens toe kan leiden dat daarvoor een ander besluit in de plaats wordt gesteld. Dit betekent dat binnen deze systematiek de eis kan worden gesteld dat het nieuwe besluit nog wel moet zijn te beschouwen als het resultaat van de heroverweging. Dit brengt tevens mee dat niet snel kan worden geconcludeerd dat de heroverweging is uitgemond in een nieuw primair besluit.

4.4.1. In het onderhavige geval betrof het onderwerp van het geschil, na herroeping van de intrekking van de bijstand met ingang van 1 augustus 2005, de beoordeling van het recht op bijstand gedurende de periode van 1 augustus 2005 tot en met de datum van het primaire besluit van 3 november 2005. De Raad is van oordeel dat nu de intrekking van de bijstand van appellante gedurende de periode van 23 augustus tot en met 14 oktober 2005 binnen deze te beoordelen periode valt, niet gesteld kan worden dat het besluit op bezwaar niet langer als het resultaat van een heroverweging is te beschouwen. Daaraan doet niet af dat aan het besluit op bezwaar andere overwegingen en een (deels) een ander feitencomplex ten grondslag zijn gelegd.

4.4.2. De Raad volgt appellant ook niet in zijn grief dat met het besluit van 19 november 2007 sprake is van “reformatio in peius”. Van een verslechtering van de positie van appellant is immers geen sprake nu bij besluit van 19 november 2007 de intrekking van de bijstand met ingang van 1 augustus 2005 is herroepen en nader is bepaald op de periode van 23 augustus 2005 tot en met 14 oktober 2005.

4.5. Vervolgens komt de Raad tot een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 19 november 2007 en overweegt hieromtrent als volgt.

4.5.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.

4.5.2. Vaststaat dat appellant van 25 juli 2005 tot 14 oktober 2005 in Marokko heeft verbleven. Het College heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de onder 4.5.1 genoemde bepaling in de weg stond aan bijstandsverlening over de periode van 23 augustus 2005 tot en met 14 oktober 2005.

4.5.3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college, gelet op alle omstandigheden aan een persoon die geen recht op bijstand heeft in afwijking van - onder meer - artikel 13 bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

4.5.4. Het College heeft verzuimd bij zijn besluit van 19 november 2007 te beoordelen of er in het geval van appellant aanleiding was om zeer dringende reden als hiervoor bedoeld aan te nemen. De Raad is van oordeel dat op grond van dit verzuim het besluit van 19 november 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient te worden vernietigd voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken over de periode van 23 augustus 2005 tot en met 14 oktober 2005. De Raad ziet vervolgens aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand te laten. De Raad overweegt hiertoe als volgt.

4.5.5. Volgens vaste rechtspraak is voor het aannemen van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB vereist dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen.

4.5.6. Appellant heeft gesteld dat hij in verband met zijn gezondheidssituatie genoodzaakt was tot 14 oktober 2005 in Marokko te verblijven. In verband hiermede heeft appellant medische verklaringen van 2 augustus 2005 en 15 september 2005 overgelegd, waaruit blijkt dat appellant 45 dagen respectievelijk 30 dagen rust moest houden wegens depressieve klachten. Zoals uit de gedingstukken valt op te maken, stelt het College zich op het standpunt dat deze gegevens onvoldoende grond bieden om het bestaan van een acute noodsituatie aan te nemen.

4.5.7. De Raad volgt dit standpunt van het College. Ook de Raad ziet in hetgeen appellant heeft gesteld met betrekking tot zijn gezondheidstoestand en de medische gegevens die hij in verband hiermede heeft overgelegd onvoldoende aanleiding voor het aannemen van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid van de WWB . De Raad merkt hierbij op dat uit de overgelegde gegevens geenszins blijkt dat appellant door zijn medische toestand niet in staat was tijdig naar Nederland terug te reizen.

4.5.8. Het voorgaande houdt in dat het College niet de bevoegdheid toekwam om, in afwijking van de onder 4.5.1 en 4.5.3 genoemde bepalingen, de bijstandsverlening aan appellant ook voor de resterende duur van zijn verblijf in het buitenland voort te zetten.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 november 2007 voor zover daarbij de bijstand over de periode van 23 augustus 2005 tot en met 14 oktober 2005 is ingetrokken;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dit besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant; in beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan appellant en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M. Mostert.

JvS


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature