Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Vaststelling einddatum loongerelateerde WW-uitkering. Met appellant is de Raad van oordeel dat in het bestreden besluit ten onrechte niet, althans niet volledig, is ingegaan op de gevolgen die de onderbrekingen van het WW-recht in de periode vóór 16 maart 2005 hebben voor de data waarop het recht op loongerelateerde uitkering en het recht op vervolguitkering in zijn geval eindigt dan wel zal eindigen. Het Uwv heeft niet onderkend dat de periode van 17 april 2003 tot en met 17 juni 2003, gedurende welke appellant in 2003 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% heeft ontvangen, daarbij ook in beschouwing had moeten worden genomen bij de vaststelling van de einddatum van de loongerelateerde uitkering op grond van artikel 43, eerste lid, van de WW . Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat dit niet is gebeurd, zodat de door het Uwv in het bestreden besluit vastgestelde datum 6 september 2008, waarop het recht op loongerelateerde uitkering van appellant is geëindigd, niet juist is en nog met 8 weken en 4 dagen moet worden verlengd. De Raad merkt daarbij nog op dat de definitieve einddatum van de vervolguitkering van appellant pas kan worden bepaald nadat het recht op de loongerelateerde uitkering is geëindigd en ook de eerder vastgestelde duur van de vervolguitkering zal zijn verstreken. Hij gaat er van uit dat het Uwv, zodra dat mogelijk is, die datum zal vaststellen en een besluit zal nemen over de datum waarop het recht op de vervolguitkering van appellant zal zijn geëindigd. Afwijzing schadevergoeding. Vernietiging uitspraak. Beroep gegrond. Vernietiging besluit.

Uitspraak



09/3504 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 mei 2009, 08/2193 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juli 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij CNV Hout en Bouw, hoger beroep ingesteld

Het Uwv heeft een verweerschrift, een aanvullend verweerschrift en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2010. Voor appellant is mr. Koekkoek verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 mei 2003 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 3 maart 2003 recht heeft op een zogenoemde loongerelateerde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) voor de duur van 4 jaar en op een vervolguitkering gedurende 2 jaar, op basis van een gemiddeld verlies aan arbeidsuren van 10 per week en een dagloon van € 18,67. Bij besluit van 5 augustus 2003 is de toekenning gedeeltelijk herzien met ingang van 17 april 2003 wegens het ontvangen van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat de WAO-uitkering van appellant was geëindigd op 17 juni 2003 heeft het Uwv in een besluit van 4 september 2003 vastgesteld dat hij met ingang van 18 juni 2003 recht had op loongerelateerde WW-uitkering en vervolguitkering op basis van het genoemde verlies aan arbeidsuren. Hetzelfde recht is vervolgens in 2004, 2005 en 2006 onderbroken geweest gedurende perioden dat appellant arbeidsongeschikt was en ziekengeld ontving en is daarna weer herleefd.

1.2. Bij besluit van 5 december 2006 heeft het Uwv na herleving van appellants WW-recht per 3 december 2006 appellant meegedeeld dat hij WW-uitkering ontvangt tot en met 6 september 2010 als er niets in zijn situatie verandert. Bij besluit van 27 december 2006 heeft het Uwv op basis van in dat besluit genoemde gegevens vastgesteld dat appellant door de onderbrekingen van het WW-recht van appellant wegens ontvangen van ziekengeld (laatstelijk) over de periode van 23 januari 2006 tot 28 augustus 2006 een loongerelateerde uitkering krijgt tot 26 september 2008 en een vervolguitkering tot

26 september 2010. Daarbij is aangetekend dat het Uwv zich in verband met opvolgende ziekmeldingen en besluiten die na 18 september 2006 genomen zijn nog niet uitspreekt over de diverse verschuivingen die in de einddatum van de WW-uitkering nog zullen plaatsvinden.

1.3. Bij besluit van 29 juli 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn loongerelateerde uitkering op 6 september 2008 afloopt en dat hij met ingang van 7 september 2008 een vervolguitkering ontvangt tot en met 6 oktober 2010, als er niets in zijn situatie verandert. De hoogte van de vervolguitkering is gelijk aan de loongerelateerde uitkering. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) is de aanvankelijke einddatum van de loongerelateerde WW-uitkering van 22 augustus 2007 in verband met perioden van ontvangen van ziekengeld met 381 dagen verschoven naar 6 september 2008. De einddatum van de vervolguitkering is bepaald op 6 september 2010. Voorts heeft het Uwv appellant meegedeeld dat met het besluit van 29 juli 2008 het besluit van 27 december 2006 is ingetrokken en dat de in het besluit van 29 juli 2008 genoemde datum van 6 oktober 2010 als einddatum van de vervolguitkering een verschrijving is. Aangezien de vervolguitkering een duur heeft van 2 jaar dient deze laatste datum, uitgaande van 6 september 2008 als datum waarop de loongerelateerde uitkering is geëindigd, 6 september 2010 te zijn. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is volgens het Uwv geen sprake.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank had appellant ingevolge de toepasselijke wettelijke bepalingen tot 6 september 2008 recht op een loongerelateerde uitkering en ingaande 7 september 2008 tot 6 september 2010 in beginsel recht op een vervolguitkering. Aan het besluit van 27 september 2008 noch aan het besluit van 29 juli 2008 heeft appellant een rechtens te honoreren verwachting kunnen ontlenen dat hem tot aan een latere periode dan is aangenomen een loongerelateerde uitkering en een vervolguitkering toekwam.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Uwv zijn WW-rechten niet goed heeft vastgesteld. Hij verwijst daarbij naar de in het besluit van 4 september 2003 genoemde ingangsdatum 18 juni 2003 en naar de in het besluit van 29 juli 2008 genoemde einddatum 6 oktober 2010. Volgens hem is ten onrechte niet ingegaan op de periodes van onderbreking van vóór 16 maart 2005.

3.2. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift en aanvullend verweerschrift zijn standpunt nader toegelicht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 2 mei 2003 blijkt dat de duur van het daarin vastgestelde recht op loongerelateerde uitkering op 4 jaar en de duur van het recht op vervolguitkering op 2 jaar is bepaald, te rekenen vanaf 3 maart 2003. Hoewel dit in het besluit van 4 september 2003 niet in letterlijke bewoordingen als zodanig is gesteld, is dat recht na intrekking per 17 april 2003 herleefd per 18 juni 2003. Bij de beoordeling van het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2008 moest het Uwv van de juistheid van de in het besluit van 2 mei 2003 vermelde ingangsdatum en uitkeringsduur uitgaan.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant aan de besluiten van 27 december 2006 en 29 juli 2008 geen rechtens relevante verwachtingen heeft kunnen ontlenen met betrekking tot de vaststelling van de einddata van de loongerelateerde uitkering en van de vervolguitkering. Ten tijde van het besluit van 27 december 2006 was sedert 3 maart 2003 nog geen 4 jaar verstreken en kon daarom nog niet bekend zijn of eventuele toen nog komende wijzigingen in de situatie van appellant het einde daarvan zouden gaan beïnvloeden. Met betrekking tot de in het besluit van 29 juli 2008 genoemde datum 6 oktober 2010 had het appellant zonder meer duidelijk moeten zijn dat die datum, uitgaande van de door het Uwv in dat besluit aangegeven, toen nog in de toekomst gelegen einddatum van de loongerelateerde uitkering en de eerder vastgestelde duur van de vervolguitkering, op een misslag berustte.

4.3. Met appellant is de Raad van oordeel dat in het bestreden besluit ten onrechte niet, althans niet volledig, is ingegaan op de gevolgen die de onderbrekingen van het WW-recht in de periode vóór 16 maart 2005 hebben voor de data waarop het recht op loongerelateerde uitkering en het recht op vervolguitkering in zijn geval eindigt dan wel zal eindigen. Het Uwv heeft dit gebrek slechts gedeeltelijk hersteld door in het aanvullend verweerschrift zonder meer uit te gaan van de juistheid van 22 augustus 2007 als een eerder berekende einddatum van de loongerelateerde uitkering. Uitgaande van laatstgenoemde datum leiden 4 in 2005 en 2006 gelegen ziekteperioden tot een verschuiving van de einddatum met 381 dagen. Het Uwv heeft dit uiteengezet in het bestreden besluit. De juistheid van die berekening heeft appellant niet betwist. Naar aanleiding van het hoger beroepschrift heeft het Uwv in een aanvullend verweerschrift van 7 oktober 2009 toegelicht dat 3 vóór 16 maart 2005 gelegen perioden van arbeidsongeschiktheid ten grondslag hebben gelegen aan de genoemde datum van 22 augustus 2007. Het Uwv heeft daarbij echter niet onderkend dat de periode van 17 april 2003 tot en met 17 juni 2003, gedurende welke appellant in 2003 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% heeft ontvangen, daarbij ook in beschouwing had moeten worden genomen bij de vaststelling van de einddatum van de loongerelateerde uitkering op grond van artikel 43, eerste lid, van de WW . Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat dit niet is gebeurd, zodat de door het Uwv in het bestreden besluit vastgestelde datum 6 september 2008, waarop het recht op loongerelateerde uitkering van appellant is geëindigd, niet juist is en nog met 8 weken en 4 dagen moet worden verlengd.

4.4. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 43, eerste lid, van de WW vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de einddatum van de loongerelateerde uitkering van appellant bepalen op 6 november 2008. De Raad merkt daarbij nog op dat de definitieve einddatum van de vervolguitkering van appellant pas kan worden bepaald nadat het recht op de loongerelateerde uitkering is geëindigd en ook de eerder vastgestelde duur van de vervolguitkering zal zijn verstreken. Hij gaat er van uit dat het Uwv, zodra dat mogelijk is, die datum zal vaststellen en een besluit zal nemen over de datum waarop het recht op de vervolguitkering van appellant zal zijn geëindigd.

5. Van geleden schade in de vorm van wettelijke rente is niet gebleken, zodat het verzoek van appellant om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente moet worden afgewezen.

6. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het recht van appellant op loongerelateerde WW-uitkering is geëindigd op

6 november 2008;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) K. Moaddine.

IvR


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature