Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 25 september 2009, kenmerk 2009INT248988, heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning krachtens artikel 16 en artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het exploiteren en uitbreiden van een bestaande veehouderij, gevestigd aan de [locatie] te [plaats], die in de buurt ligt van het Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse Plassen & De Haeck" en het beschermd natuurmonument "Kamerikse Nessen".

Uitspraak



201003118/2/R2.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatie Mobilisation For The Environment U.A. (hierna: MOB), gevestigd te Nijmegen,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2009, kenmerk 2009INT248988, heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning krachtens artikel 16 en artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het exploiteren en uitbreiden van een bestaande veehouderij, gevestigd aan de [locatie] te [plaats], die in de buurt ligt van het Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse Plassen & De Haeck" en het beschermd natuurmonument "Kamerikse Nessen".

Bij besluit van 16 februari 2010, verzonden op 19 februari 2010, heeft het college het door MOB hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft MOB bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2010, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft MOB de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 mei 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. drs. M. Uittenbosch en C.T. Zuidema, beiden werkzaam bij de provincie, is verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door ING. C.A. Meulenkamp, werkzaam bij Agra-Matic B.V., als partij gehoord.

Bij brief van 31 mei 2010 heeft de voorzitter partijen medegedeeld dat het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is heropend.

De voorzitter heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 13 juli 2010, waar MOB, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, werkzaam bij Wösten juridisch advies, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Omdat als gevolg van de verleende Nbw-vergunning aan [vergunninghouder] inmiddels is gestart met de bouw van een nieuwe extra varkensstal, wordt door MOB verzocht om schorsing van de Nbw-vergunning teneinde onomkeerbare gevolgen te voorkomen.

MOB betoogt dat bij de vergunningverlening in het kader van de Nbw 1998 ten onrechte is gerefereerd aan de bedrijfssituatie zoals die was vergund in de milieuvergunning uit 2002. Daarbij is voorts aan de reeds bestaande en overmatige ammoniakdepositie onvoldoende gewicht toegekend, omdat het ongewijzigd laten voortduren van bestaande deposities een aantasting betekenen van bestaande natuurwaarden. Ook heeft volgens MOB het college met de enkele overweging dat de ammoniakdepositie gelijk blijft een onjuiste toepassing gegeven aan de Nbw 1998. Voorts betoogt MOB dat onduidelijk is hoe de uitkomsten van het rekenmodel AAgro-Stacks zich verhouden tot het verspreidingsmodel Operationeel Prioritaire Stoffen (hierna: OPS-model). Tevens voert MOB aan dat gebruik van het rekenmodel AAgro-Stacks leidt tot aanzienlijk lagere depositiewaarden dan het verspreidingmodel dat werd gebruikt onder het regime van de Interimwet ammoniak en veehouderij en bijbehorende Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij. MOB twijfelt derhalve aan de betrouwbaarheid van de berekende ammoniakdepositie met AAgro-stacks. Ook is volgens MOB ten onrechte geen concrete depositiewaarde als voorschrift verbonden aan de Nbw-vergunning en had daarnaast slechts een tijdelijke Nbw-vergunning moeten worden verleend.

2.3. In het bestreden besluit stelt het college zich onder andere op het standpunt dat de ammoniakdepositie van de veehouderij ondanks de voorgenomen uitbreiding niet zal toenemen en derhalve geen sprake zal zijn van negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken van de omliggende natuurgebieden.

2.4. Met betrekking tot de beoordeling van eventuele significante effecten op het Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse Plassen & De Haeck" als gevolg van de exploitatie van de gehele veehouderij zoals die na de uitbreiding zal plaatsvinden, overweegt de voorzitter dat ten behoeve van de vergunningverlening een berekening is gemaakt van de ammoniakdepositie met behulp van het rekenmodel AAgro-Stacks, waarvan de uitkomsten zijn opgenomen in bijlage II bij de Nbw-vergunning.

2.4.1. Met betrekking tot de vergelijking door de MOB van het rekenmodel AAgro-Stacks en het OPS-model stelt het college zich op het standpunt dat AAgro-Stacks wordt gebruikt voor berekeningen voor korte afstanden op basis van individuele bronnen - zoals veehouderijen - en dat het OPS-model wordt gebruikt voor berekeningen op regionaal niveau op basis van meerdere bronnen. Ter zitting heeft het college daaraan toegevoegd dat het OPS-model kan worden gebruikt voor het berekenen van achtergronddeposities, maar niet gebruikt kan worden voor de berekening van de ammoniakdepositie van individuele veehouderijen. Nu MOB haar stelling verder niet heeft onderbouwd, bestaat vooralsnog geen aanleiding het standpunt van het college onjuist te achten.

2.4.2. Verder ziet de voorzitter vooralsnog geen aanleiding om aan de berekende ammoniakdepositie van de veehouderij van [vergunninghouder] door middel van het rekenmodel AAgro-Stacks te twijfelen. Hiertoe overweegt de voorzitter dat AAgro-Stacks is ontwikkeld door KEMA en Wageningen UR in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en MOB ter onderbouwing van haar betoog uitsluitend verwijst naar het verspreidingsmodel voor ammoniakdepositie ingevolge de Interimwet ammoniak en veehouderij. Nu die wet en de bijbehorende Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij reeds in 2002 zijn vervallen, valt op voorhand niet in te zien waarom het college geen gebruik heeft mogen maken van het thans gangbare rekenmodel AAgro-Stacks.

2.4.3. Indien de vergunde situatie uit 2002 in het kader van de Wet milieubeheer - weergegeven in tabel 2 van bijlage II behorende bij de Nbw-vergunning - wordt vergeleken met de thans vergunde situatie ingevolge de Nbw 1998 - weergegeven in tabel 3 van die bijlage II - dan blijkt hieruit dat de ammoniakdepositie van de veehouderij niet zal toenemen.

Wat betreft deze vergelijking, verwijst de voorzitter naar de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2010 in zaak nr. 200903784/1/R2. Daarin is overwogen dat voor zover het gaat om ammoniakdepositie op de betrokken gebieden, significante gevolgen kunnen worden uitgesloten als de wijziging of uitbreiding van de intensieve veehouderij niet leidt tot een verhoging van de ammoniakdepositie ten opzichte van de vergunde situatie voordat het gebied op de lijst van gebieden van communautair belang ingevolge de Habitatrichtlijn werd geplaatst, dan wel voordat een aanwijzing als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn van kracht werd. Die vergunde situatie kan worden ontleend aan hetgeen is vergund krachtens de Wet milieubeheer of is vergund krachtens de daaraan voorafgaande Hinderwet.

In het ontwerp-aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse Plassen & De Haeck" is vermeld dat dit gebied bestaat uit het natuurgebied "Nieuwkoopse Plassen", dat op 14 februari 1997 is aangewezen als speciale beschermingszone ingevolge de Vogelrichtlijn, en het natuurgebied "Nieuwkoopse Plassen en De Haeck" dat op 7 december 2004 op de lijst met Habitatrichtlijngebieden is geplaatst.

Ter zitting is door het college gesteld dat de vergunde depositierechten in 2002 slechts een melding als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer betrof en dat de berekening van de ammoniakdepositie in 2002 derhalve is gebaseerd op de bedrijfssituatie zoals die op 3 december 1991 aan de veehouderij is vergund krachtens de Hinderwet. De voorzitter ziet vooralsnog geen aanleiding om aan de juistheid van deze stelling te twijfelen.

Nu niet is gebleken dat de ammoniakdepositie van de veehouderij in de thans vergunde situatie zal toenemen ten opzichte van de destijds verleende vergunning ingevolge de Hinderwet en deze vergunning dateert van vóór de aanwijzing van het gebied "Nieuwkoopse Plassen" als speciale beschermingszone, verwacht de voorzitter niet dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de vergunning in zoverre is verleend in strijd met artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998.

2.5. Het onder 2.4. overwogene laat onverlet dat het bevoegd gezag op grond van artikel 19e van de Nbw 1998 rekening dient te houden met de gevolgen die een project of andere handeling, gelet op de instandhoudingsdoelstelling kan hebben op een Natura 2000-gebied. In deze afweging dient betrokken te worden dat een vergunningaanvraag als hier beschreven, gelet op de vergunningplicht op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 die mede ziet op de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, niet alleen betrekking heeft op de wijziging of uitbreiding van de intensieve veehouderij, maar op de exploitatie van de gehele intensieve veehouderij zoals die na wijziging of uitbreiding zal plaatsvinden.

De voorzitter overweegt dat het college, om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, op grond van artikel 19e van de Nbw 1998, beleid kan voeren dat inhoudt dat een vergunning slechts wordt verleend indien maatregelen worden getroffen om een verdere reductie van de ammoniakdepositie te bewerkstelligen.

Ter zitting is door het college gesteld dat beleid om te komen tot een verdere reductie van de totale ammoniakdepositie in ontwikkeling is en dat in afwachting daarvan thans bij individuele vergunningverlening wordt uitgegaan van het voorkomen van een toename. Na afweging van alle betrokken belangen en gelet op hetgeen MOB op dit punt heeft aangevoerd, heeft het college in de omstandigheid dat nog geen beleid inzake ammoniakreductie is vastgesteld in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om van vergunningverlening aan [vergunninghouder] af te zien.

2.6. Wat betreft het beschermd natuurmonument "Kamerikse Nessen" is ter zitting toegelicht dat het college ten aanzien van de beoordeling van de schadelijkheid van ammoniakdepositie op beschermde natuurmonumenten de vaste gedragslijn hanteert dat activiteiten worden vergund ingevolge de Nbw 1998 indien de ammoniakdepositie op het desbetreffende beschermd natuurmonument afneemt dan wel gelijk blijft aan de reeds bestaande depositiewaarde. Gezien de omstandigheid dat vooralsnog niet is gebleken dat de ammoniakdepositie van de veehouderij in de thans vergunde situatie zal toenemen en dat MOB niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vergunde activiteiten niet voldoen aan de provinciale vaste gedragslijn ter zake, ziet de voorzitter op voorhand geen grond voor het oordeel dat de vergunning in zoverre is verleend in strijd met artikel 16, eerste lid, van de Nbw 1998.

2.7. Hetgeen MOB voor het overige heeft aangevoerd behoeft in het kader van het verzoek om een voorlopige voorziening geen nadere bespreking, omdat het al dan niet slagen van deze beroepsgronden op zichzelf niet aan de vergunningverlening in de weg behoeft te staan.

2.8. Het vorenstaande leidt de voorzitter tot het oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat in afwachting van de bodemprocedure een voorlopige voorziening wordt getroffen.

2.9. Gelet hierop dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Langeveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

317-571.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature