Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering WW-uitkering. Appellante heeft niet voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering. Niet voldaan aan de referte-eis van artikel 17 van de WW .

Uitspraak



09/3131 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 mei 2009, 08/1396 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juli 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Beek, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2010. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 16 januari 2008, LJN BC3282. In die uitspraak heeft de Raad, voor zover thans van belang, het besluit op bezwaar van het Uwv van 11 augustus 2006 vernietigd. Bij dat besluit was het besluit tot ontzegging van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aan appellante met ingang van 27 maart 2006, op de grond dat appellante niet had voldaan aan de eis dat zij in de 39 weken voorafgaand aan die datum in ten minste 26 weken had gewerkt, gehandhaafd. Het Uwv stelde zich op het standpunt dat appellante weliswaar al met ingang van 27 september 2005 haar recht op onverminderde doorbetaling van loon en haar arbeidsuren had verloren, maar dat zij eerst met ingang van 27 maart 2006 werkloos was in de zin van de WW, omdat zij toen pas beschikbaar was voor arbeid. De Raad oordeelde in zijn uitspraak dat niet gebleken was dat appellante in de gehele periode van 27 september 2005 tot 27 maart 2006 door houding en gedrag ondubbelzinnig te kennen had gegeven dat zij niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. De Raad verwees in dit kader naar appellantes inschrijving als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) op 8 december 2005 en naar haar vermelding op het aanvraagformulier, dat zij in de periode voorafgaand aan 26 maart 2006 drie sollicitaties heeft verricht. Nu het Uwv geen onderzoek had ingesteld naar de gevolgen hiervan voor de beoordeling van de beschikbaarheid van appellante was de Raad van oordeel dat de vaststelling door het Uwv van de eerste werkloosheidsdag op 27 maart 2006 op onvoldoende onderzoek berustte, zodat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand was gekomen. De Raad heeft het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen hij in zijn uitspraak had overwogen.

1.2. Gevolg gevend aan deze uitspraak van de Raad heeft het Uwv appellante enkele malen benaderd met het verzoek om nadere informatie over de door haar opgegeven sollicitaties. Appellante heeft daarop niet gereageerd.

1.3. Bij besluit van 18 augustus 2008 heeft het Uwv, stellende dat appellante geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek, het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard. Ter nadere motivering van dit besluit heeft het Uwv in de beroepsprocedure bij de rechtbank nog naar voren gebracht dat het feit dat appellante door het CWI is ingedeeld in fase 4 erop duidt dat haar inschrijving als werkzoekende een formaliteit was.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat appellante aannemelijk moest maken dat zij vóór de WW-aanvraag ook beschikbaar was voor de arbeidsmarkt, omdat zij die aanvraag geruime tijd na het moment waarop volgens haar de werkloosheid was ontstaan had ingediend. De rechtbank oordeelde verder dat niet aannemelijk is geworden dat appellante zich daadwerkelijk openstelde voor de arbeidsmarkt, nu zij niet heeft gereageerd op verzoeken van het Uwv om ten aanzien van de sollicitaties meer informatie te verstrekken. Aan het feit dat appellante zich op 8 december 2005 heeft gemeld bij de CWI en zich aldaar heeft ingeschreven als werkzoekende kende de rechtbank geen betekenis toe. De rechtbank verwierp tenslotte de grief van appellante dat het Uwv haar ten onrechte niet heeft gehoord voordat hij het bestreden besluit nam.

3. Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank de bewijslast ten onrechte bij haar heeft gelegd, dat geen sprake is van ondubbelzinnigheid als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 16 januari 2008 en dat ten onrechte geen nieuwe hoorzitting is gehouden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het aan appellante was om aannemelijk te maken dat zij op 27 september 2005, de dag met ingang waarvan zij stelde werkloos te zijn geworden, voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering. De Raad volstaat in zoverre met een verwijzing naar de aangevallen uitspraak.

4.2. De Raad stelt vast dat appellante niet heeft gereageerd op herhaalde verzoeken aan haar en aan haar raadsman om nadere informatie over de vermelde sollicitaties. Hierdoor heeft het Uwv niet kunnen vaststellen dat appellante met ingang van 27 september 2005 feitelijk beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. De enkele inschrijving als werkzoekende bij de CWI duidt evenmin op beschikbaarheid voor arbeid van appellante, nu, naar ter zitting is toegelicht, mede gelet op de daaraan gekoppelde fasering, die inschrijving louter een voorgeschreven formaliteit was.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat niet gebleken is dat appellante met ingang van 27 september 2005 voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering. Het Uwv heeft de eerste werkloosheidsdag dan ook terecht vastgesteld op 27 maart 2006 en terecht appellante met ingang van die dag een WW-uitkering ontzegd wegens het niet voldoen aan de referte-eis van artikel 17 van de WW .

4.4. De rechtbank heeft tenslotte terecht overwogen dat geen aanleiding bestond om appellante opnieuw te horen, nu het standpunt van appellante in de eerdere procedure al voldoende duidelijk naar voren was gekomen en geen nieuwe feiten en omstandigheden bekend waren geworden die aanleiding gaven om appellante wederom te horen.

4.5. Het vorenstaande leidt tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.

5. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, noch voor toewijzing van appellantes verzoek om veroordeling tot schadevergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B. Bekkers.

BvW


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature