Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Zedenzaak. Terugwijzing door de Hoge Raad.

Naar het oordeel van het hof is uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep in onvoldoende overtuigende mate komen vast te staan dat de verdachte op de wijze zoals hem is ten laste gelegd ontucht heeft gepleegd met de aangeefster, zodat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken. De eerdere bewezenverklaring door het hof van een verkrachting is door de Hoge Raad in stand gelaten. Het hof bepaalt de straf voor dat feit op een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak



Rolnummer: 22-006778-09

Parketnummer: 12-715193-05

Datum uitspraak: 25 juni 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 14 december 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 11 juni 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot 1 mei 2004 te Vlissingen, met [aangeefster 1], die toen de leeftijd van 12 jaren nog niet had bereikt, meermalen, althans eenmaal een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis en/of vinger in de vagina en/of zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangeefster 1] geduwd/gebracht;

2. hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot 6 april 2005 te Aagtekerke, gemeente Veere, in elk geval in het arrondissement Middelburg, terwijl hij, verdachte, toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, meermalen, althans eenmaal ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 2], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, (telkens) bestaande uit het opzettelijk ontuchtig voelen/betasten/strelen aan/van die borsten en/of vagina van voornoemde [aangeefster 2];

3. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot 10 februari 2003 te Vlissingen door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 3], hebbende verdachte die [aangeefster 3] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster 3] duwde/bracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [aangeefster 3] bij de arm(en) heeft vastgepakt en/of vervolgens naar boven heeft meegetrokken en/of haar broek heeft uitgetrokken en/of bovenop haar is gaan liggen en/of (aldus) door die [aangeefster 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede tot ontzetting uit de uitoefening van enig beroep in de zorg voor de duur van 5 jaren. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Dit gerechtshof heeft bij arrest van 2 april 2007 het vonnis waarvan beroep vernietigd en de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen dit arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld, welk beroep kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 15 december 2009 voormeld arrest – voor zover aan zijn oordeel onderworpen - vernietigd voor wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en heeft de zaak naar dit gerechtshof teruggewezen teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Omvang van het hoger beroep

Gelet op voormelde procesgang is met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 15 december 2009 het vonnis waarvan beroep aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging. Het onder 3 tenlastegelegde is voor wat betreft de bewezenverklaring door de Hoge Raad in stand gelaten en mitsdien niet meer aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Op 27 april 2005 heeft [aangeefster 2] in gezelschap van [psycholoog], als psychologe/orthopedagoge werkzaam bij de [stichting], op het politiebureau melding gemaakt van het feit dat verdachte haar heeft lastig gevallen. Op 17 mei 2005 is [aangeefster 2] in een studioverhoor hieromtrent gehoord. In het dossier bevindt zich een ‘verbatim transcriptie’ van dit studioverhoor. Voorts bevindt zich in het dossier een verklaring van eerdergenoemde psycholoog dat [aangeefster 2] haar heeft verteld dat de verdachte aan haar borsten zat en een verklaring van een andere medewerker van [stichting], [medewerker 1 stichting], dat [aangeefster 2] hem heeft verteld dat zij bang was voor de verdachte en dat de verdachte aan haar gevraagd zou hebben of hij aan haar mocht zitten.

Prof. dr. R. Bullens heeft in een rapport van 20 november 2006 zich uitgelaten over de betrouwbaarheid van de door [aangeefster 2] afgelegde verklaringen. Hij komt tot de conclusie dat er geen bezwaren/aanwijzingen naar voren komen op grond waarvan de hypothese ‘[aangeefster 2] spreekt de waarheid’ hoe dan ook zou moeten worden verworpen. Hij noemt haar verklaring ‘mager’, aangezien ze op weinig gedetailleerde wijze beschrijft hoe het (vermeende) seksueel misbruik door verdachte zich zou hebben voltrokken. Voorts blijven enkele zaken onbekend, omdat [aangeefster 2] te kennen geeft dit niet (meer) te weten.

De verklaring van [aangeefster 2] vindt steun in de verklaringen van twee medewerkers van [stichting], die echter niet uit eigen wetenschap verklaren maar relateren hetgeen [aangeefster 2] hen heeft verteld. De verklaring van [aangeefster 2], afgelegd tijdens het studioverhoor, met betrekking tot het incident waarbij de begeleider [medewerker 2 stichting] haar kamer zou zijn binnengekomen terwijl verdachte zich ook in haar kamer bevond en op dat moment (of vlak daarvoor) haar borsten had betast, wordt door die [medewerker 2 stichting], blijkens zijn verklaring tegenover de politie afgelegd, niet bevestigd.

Nu de verklaring van [aangeefster 2] overigens niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen en gelet op de naar het oordeel van het hof voorzichtige wijze waarop prof. dr. Bullens zijn conclusie heeft geformuleerd omtrent de betrouwbaarheid van de door [aangeefster 2] afgelegde verklaringen, blijft er naar het oordeel van het hof aanzienlijke twijfel over de feiten zoals die zijn tenlastegelegd.

Naar het oordeel van het hof is, gelet op het bovenstaande, uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep in onvoldoende overtuigende mate komen vast te staan dat de verdachte op de wijze zoals hem is ten laste gelegd, ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 2], zodat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken.

Strafmotivering

Nu de Hoge Raad de bestreden uitspraak met betrekking tot de strafoplegging heeft vernietigd, dient het hof thans een straf op te leggen voor wat betreft het onder 3 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als verkrachting.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 17 maanden voorwaardelijk, alsmede tot ontzetting uit de uitoefening van enig beroep in de zorg voor de periode van 3 jaar.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijke een passende en geboden reactie vormt.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in hoger beroep overschreden, nu de Hoge Raad pas 10 maanden na instellen van cassatie de stukken ter griffie heeft ontvangen en de behandeling in cassatie niet binnen 2 jaar nadat cassatie is ingesteld is afgerond. Gelet hierop zal het hof de overwogen gevangenisstraf beperken tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

15 (vijftien) maanden.

Bepaalt, dat een op 5 (vijf) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,

mr. T.J.P. van Os van den Abeelen en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. P. Melis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 juni 2010.

Mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature