Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Promis; art. 6 WVW; dodelijk ongeval;

De rechtbank stelt vast dat verdachte, als bestuurder van een racefiets, rijdende in een groep van ongeveer 13 racefietsers, in een waaierformatie over de openbare weg, met een snelheid van 40 kilometer per uur en op 20 à 30 centimeter afstand van zijn voorganger heeft gereden.

Verdachte heeft een fietsster bij het inhalen met zijn bovenlichaam geraakt, waardoor deze is gevallen en uiteindelijk overleden. Conclusie is dat verdachte schuld heeft aan het ongeval. Verdachte heeft een eigen verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid. Hij kan deze verantwoordelijkheid niet bij anderen leggen door zich te beroepen op het gebruik binnen zijn wielerploeg dat voorliggers achterliggers waarschuwen voor mogelijke obstakels.

Verwerping van verweer met betrekking tot het causaal verband tussen het verkeersongeval en de dood van het slachtoffer.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uur.

Uitspraak



RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/704519-08 (P)

Datum uitspraak : 17 juni 2010

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboortedatum en –plaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres en woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 april 2009 en 3 juni 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. E.P. Vroegh, advocaat te Haarlem, en door de verdachte naar voren is gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 03 augustus 2008 te Warmenhuizen, gemeente Harenkarspel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een (race)fiets, daarmede rijdende over de weg, de Westfriesedijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- op (zeer) korte afstand (in een zogenaamde waaiervorm) (rechts) achter één of meer voor hem rijdende fietser(s) te rijden en/of

- zich er niet, althans onvoldoende van te vergewissen dat voor hem op diezelfde weg verkeer zou kunnen bevinden en/of

- zijn snelheid niet zodanig aan te passen dat tijdig stoppen mogelijk is

- en niet bij voortduring zicht voor hem op die weg te houden,

waarna hij, verdachte, in aanrijding of botsing is gekomen met een bestuurster van een fiets die (uiterst) rechtsrijdend in dezelfde richting als verdachte over genoemde weg reed, waardoor die bestuurster van die fiets (genaamd [slachtoffer]) werd gedood, althans zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen (gebroken sleutelbeen en/of één of meer gebroken ribben en/of een gebroken schaambeen met inwendige bloeding);

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 augustus 2008 te Warmenhuizen, gemeente Harenkarspel, als bestuurder van een voertuig (racefiets), daarmee heeft gereden op de weg, de Westfriesedijk, en toen, terwijl hij (in een zogenaamde waaiervorm) op (zeer) korte afstand (rechts) achter één of meer voor hem rijdende fietser(s) heeft gereden, zich er niet, althans onvoldoende van heeft vergewist dat voor hem op diezelfde weg verkeer zou kunnen bevinden en/of zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat tijdig stoppen mogelijk was en/of niet bij voortduring zicht voor hem op die weg heeft gehouden, waarna hij, verdachte, in aanrijding of botsing is gekomen met een bestuurster van een fiets die (uiterst) rechtsrijdend in dezelfde richting als verdachte over genoemde weg reed, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 3 augustus 2008 heeft op de Westfriesedijk te Warmenhuizen een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij verdachte, die in formatie met circa 13 leden van zijn wielerploeg op een racefiets reed, tegen een fietsster, [slachtoffer], is aangereden. [Slachtoffer] is daarbij ten val gekomen. Ongeveer anderhalve dag na het ongeval is zij op 87-jarige leeftijd in het ziekenhuis overleden.

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) dan wel dat door zijn gedraging(en) gevaar op de weg werd veroorzaakt en/of het verkeer werd gehinderd (overtreding van artikel 5 WVW).

Ook dient de rechtbank antwoord te geven op de vraag of de dood van [slachtoffer] is veroorzaakt door het ongeval.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde geconcludeerd en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Naar haar mening heeft verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen op de wijze zoals in de tenlastelegging bij de vier gedachtestreepjes omschreven. Dit levert een aanmerkelijke verkeersfout en schuld in de zin van artikel 6 WVW op.

De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het causaal verband tussen het ongeval en de dood van [slachtoffer] op basis van de rapporten van de gemeentelijk lijkschouwer dr. H.B. Schaap voldoende vaststaat.

Voorts is de officier van justitie van mening dat, nu zijdens de verdediging geen concrete aanwijzingen naar voren zijn gebracht die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat een andere oorzaak dan het door het ongeval ontstane letstel het overlijden van [slachtoffer] zou verklaren, het verzoek van de raadsvrouw tot kennisneming, c.q. toevoeging aan het dossier van het medisch dossier van [slachtoffer] dient te worden afgewezen.

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Verdachte is niet nalatig of onvoorzichtig geweest en er is in haar visie dan ook geen sprake van schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 . Zij voert hiertoe aan dat verdachte een ervaren wielrenner is, die met zijn, eveneens ervaren, ploeggenoten op een rustige weg fietste. Binnen de wielerploeg is gebruik dat voorliggers achterliggers waarschuwen voor obstakels. Geen van de wielrenners vóór verdachte heeft hem gewaarschuwd voor de aanwezigheid van [slachtoffer] die rechts op de weg fietste; het merendeel van die fietsers heeft haar niet gezien. Volgens de raadsvrouw kan niet worden uitgesloten dat [slachtoffer] door een onbekende oorzaak ten val is gekomen, zoals een zwieper aan haar stuur of door de wind. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zich niet schuldig te voelen aan het ongeval, omdat hij vertrouwd heeft op het systeem van waarschuwen dat binnen zijn wielerploeg gebruik is.

Voorts heeft de raadsvrouw gesteld dat het causaal verband tussen het verkeersongeval en de dood van het slachtoffer niet is komen vast te staan. Zij meent dat zonder inzage in het medisch dossier van [slachtoffer] onvoldoende bekend is geworden of zij al letsel of zwakheden had vóór de val. Daarmee is volgens de verdediging niet vast te stellen wat de oorzaak van haar dood is geweest.

In het verlengde hiervan heeft de raadsvrouw het voorwaardelijk verzoek gedaan om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde zou komen, inzage te krijgen in het medisch dossier van [slachtoffer] en toevoeging van deze stukken aan het dossier.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

De feitelijke omstandigheden van het geval

De rechtbank stelt het volgende vast. Op 3 augustus 2008 vond op de Westfriesedijk te Warmenhuizen (gemeente Harenkarspel) een aanrijding plaats tussen de bestuurder van een racefiets, te weten verdachte, en een fietsster, [slachtoffer].

Bij onderzoek door twee verkeersdeskundigen van de politie naar de toedracht van dit ongeval is ter hoogte van de botsplaats in de noordoostelijke berm een indruk van een stuur en van een hand aangetroffen.

[Slachtoffer] heeft als bestuurster van haar damesfiets rechts gereden over de rijbaan van de Westfriesedijk in noordwestelijke richting. Verdachte reed als bestuurder van zijn racefiets eveneens over de rijbaan van de Westfriesedijk, in gelijke richting als [slachtoffer]. Verdachte maakte deel uit van een groep wielrenners en naderde [slachtoffer] aan de achterzijde. De groep wielrenners haalde [slachtoffer] links in. Ook verdachte haalde [slachtoffer] links in en botste bij deze manoeuvre in elk geval met zijn bovenlichaam tegen het lichaam van [slachtoffer]. Ten gevolge hiervan is [slachtoffer] ten val gekomen in de noordoostelijke berm van de Westfriesedijk.

Op grond van verdachtes eigen verklaringen staat verder vast dat hij op 3 augustus 2008 met een groep van ongeveer dertien wielrenners over de Westfriesedijk in Warmenhuizen reed. Vanwege de wind reed men in een zogeheten waaier, waarbij de voorste man aan de linkerkant van de weg reed. Verdachte reed op de zevende of achtste positie in de groep, aan de rechterkant van de waaierformatie en van de weg. Er werd gereden met een snelheid van 40 kilometer per uur. De wielrenners reden ‘in elkaars wiel’, hetgeen, naar verdachte heeft verklaard, wil zeggen op korte tot zeer korte afstand van elkaar. Over zichzelf verklaart verdachte dat hij ten tijde van het ongeval aan de rechterkant van de weg reed, ongeveer op de witte streep aan de rechterkant van de weg, dat hij 40 kilometer per uur reed en dat de afstand tussen hem en zijn voorganger ongeveer 20 à 30 cm bedroeg. Verdachte voelde dat hij met zijn schouder iets raakte, waarvan hij later zag dat het de fietsster, [slachtoffer], was en hierdoor kwamen zij beiden ten val. Verdachte heeft het slachtoffer voor de aanrijding niet gezien. Hij heeft verklaard dat hij haar ook niet kon zien, omdat hij dicht op zijn voorganger reed en niet langs hem kon kijken.

[Getuige 1], die voorop reed in de groep wielrenners, is gehoord door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. Hij zag [slachtoffer] fietsen en zag dat zij ‘keurig’ rechts van de weg fietste, op de onderbroken witte streep aan de rechterkant. [Getuige 2] reed achter verdachte en heeft, voordat de aanrijding plaatsvond, [slachtoffer] zien fietsen. Daarbij heeft hij haar niet zien slingeren of naar links zien uitwijken.

Schuld

Aan verdachte is primair overtreding van artikel 6 WVW ten laste gelegd. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan het ontstane verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW , komt het volgens vaste rechtspraak aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW (vgl. HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252).

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van bovenstaande weergave van de feitelijke omstandigheden van het geval staat vast dat verdachte, als bestuurder van een racefiets, in een groep mede-wielrenners, op de openbare weg, met een snelheid van 40 kilometer per uur en op een zodanig korte afstand van zijn voorganger heeft gereden dat hij niet of nauwelijks zicht had op de weg en het overige verkeer voor hem. Hierdoor heeft hij een voor hem rijdende fietsster niet tijdig gezien om zijn snelheid aan te kunnen passen en te stoppen of uit te wijken. Een botsing was onvermijdelijk.

Deze omstandigheden in aanmerking genomen, acht rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dus schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Verdachte heeft er op gewezen dat onder wielrenners die in groepsverband op de openbare weg rijden, de ongeschreven regel geldt dat men elkaar in woord of gebaar waarschuwt voor obstakels op de weg of bij het inhalen van medeweggebruikers. Dit is volgens verdachte ook het gebruik in zijn wielerploeg. Verdachte heeft te kennen gegeven zich niet schuldig te voelen aan het ongeval, maar zich juist zelf slachtoffer te voelen van het feit dat er door zijn ploeggenoten niet is ‘gesignaleerd’. Wanneer men in een groep wielrent is men nu eenmaal, vanwege het beperkte zicht, afhankelijk van zijn voorgangers, aldus verdachte.

De rechtbank is van oordeel, dat de individuele verkeersdeelnemer te allen tijde zelf verantwoordelijk blijft voor zijn eigen gedrag in het verkeer en de gevolgen daarvan voor de verkeersveiligheid. Verdachte heeft er zelf voor gekozen om zich in een risicovolle verkeerssituatie te begeven door op de openbare weg met hoge snelheid bij voortduring zo dicht op zijn voorganger te rijden dat deze zijn zicht op de weg wegnam en hem geen reactietijd restte om ongevallen te voorkomen. Het is naar het oordeel van de rechtbank onaanvaardbaar om, zoals verdachte in zijn verweer doet, zijn eigen verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid bij anderen te leggen. Daarbij is dan nog niet vermeld dat het door verdachte geschetste waarschuwingssysteem verre van waterdicht is, hetgeen verdachte zelf ook zou moeten weten. Zo verklaren immers verdachtes ploeggenoot, [getuige 3], dat in beginsel iedereen zich aan het systeem houdt, maar af en toe iemand het wel eens vergeet, zijn ploeggenoot, [getuige 4], dat hij [slachtoffer] helemaal niet gezien heeft, mogelijk omdat hij erg gefocust was op zijn voorgangers en zijn ploeggenoot, [getuige 1], die in de waaierformatie meer naar links fietste, dat hij geen signaal heeft gegeven omdat hij vrij zicht naar voren had.

Causaal verband ongeval – overlijden slachtoffer

De rechtbank stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of er causaal verband bestaat tussen het door verdachte veroorzaakte ongeval en de dood van het slachtoffer volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van het ongeval aan de verdachte kan worden toegerekend. Daarbij staat een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid van een alternatieve gang van zaken niet aan vaststelling van het causaal verband in de weg (vgl. HR 13 juni 2006, NJ 2007, 48).

Op 5 augustus 2008 is [slachtoffer] in het Medisch Centrum Alkmaar overleden. Omtrent de doodsoorzaak heeft dr. H.B. Schaap, als schouwarts verbonden aan de forensische Geneeskundige eenheid Noord-Holland Noord, op 5 augustus 2008 gerapporteerd dat [slachtoffer] is overleden aan een bloeding in de buik ten gevolge van een gebroken schaambeen. Op verzoek van de verdediging is deze conclusie door dr. Schaap nader geadstrueerd in een aanvullend rapport van 20 mei 2009. De rechtbank stelt vast dat uit dit rapport blijkt dat dr. Schaap voor zijn bevindingen het medisch dossier van de Intensive Care afdeling (IC) van het Medisch Centrum Alkmaar (MCA) heeft geraadpleegd. Het rapport meldt het volgende:

[Slachtoffer] is na een fietsongeval op 3 augustus 2008 om 10.15 uur opgenomen in het MCA. Na onderzoek kwamen de volgende letsels aan het licht: een breuk van het bovenste en onderste bot van het schaambeen links; een gebroken sleutelbeen links; gebroken ribben 2 t/m 7 links; kneuzingshaarden in de hersenen en diffuse bloedinkjes onder het hersenvlies; een gebroken schedelbasis. Om 13.00 uur werd zij opgenomen op de IC. Op 4 augustus 2008 werd in de loop van de middag een CT-scan gemaakt van buik en borst omdat sprake was van een bolle buik. Hierbij werd een slagaderlijke bloeding geconstateerd onder in de buik bij de breuk in het schaambeen. Gezien de slechte vooruitzichten werd het risico van ingrijpen te groot gevonden. Op 5 augustus 2008 om 00.45 uur is [slachtoffer] overleden.

De conclusie van de deskundige luidt onder meer dat de bloedingen in het kleine bekken hoogst waarschijnlijk zijn veroorzaakt door het lek raken van een slagader ten gevolge van de breuken in het schaambeen.

In zijn tweede aanvullend rapport d.d. 9 september 2009 heeft dr. Schaap zijn conclusie herhaald dat het hoogst waarschijnlijk is dat er een causaal verband is tussen het gebroken schaambeen en het overlijden van [slachtoffer], omdat het kapotte vat vlakbij de schaambeenbreuk was. Over de waarschijnlijkheidsgraad merkt de deskundige op dat er altijd een zeer kleine mogelijkheid is dat er een aneurysma (ziekelijke bloedvatverwijding) aanwezig was. Dit lijkt echter hoogst onwaarschijnlijk, aldus dr. Schaap, gelet op de bevindingen op de CT-scan en de plaats van de bloeding.

De rechtbank is van oordeel dat hiermee vaststaat dat de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs als gevolg van het door verdachte veroorzaakte ongeval, aan de verdachte kan worden toegerekend. De bevindingen van de deskundige laten geen ruimte voor een reële alternatieve doodsoorzaak. De door verdachte en zijn raadsvrouw aangehaalde waarnemingen van verdachte en zijn ploeggenoten over de toestand van [slachtoffer] direct na het ongeval en over de kalme wijze van optreden van het ambulancepersoneel, leveren nog geen begin van aannemelijkheid van een dergelijke alternatieve doodsoorzaak op, niet in de laatste plaats omdat verdachte en zijn ploeggenoten niet bijzonder medisch onderlegd zijn. Ook voor de door de raadsvrouw geopperde speculaties omtrent de algehele gezondheidstoestand van het slachtoffer bestaat geen enkel aanknopingspunt.

Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging

Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het causaal verband tussen het ongeval en het overlijden van [slachtoffer], volgt dat het onderzoek dienaangaande toereikend is geweest om de zaak te kunnen beoordelen. Er bestaat derhalve geen noodzaak om het onderzoek te heropenen teneinde het medisch dossier van [slachtoffer] in te zien en in het dossier te voegen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 augustus 2008 te Warmenhuizen, gemeente Harenkarspel, als verkeers-deelnemer, namelijk als bestuurder van een racefiets, daarmede rijdende over de weg, de Westfriesedijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend

- op zeer korte afstand achter een voor hem rijdende fietser te rijden en

- zich er onvoldoende van te vergewissen dat voor hem op diezelfde weg zich verkeer zou kunnen bevinden en

- zijn snelheid niet zodanig aan te passen dat tijdig stoppen mogelijk is en

- niet bij voortduring zicht voor zich op die weg te houden,

waarna hij, verdachte, in botsing is gekomen met een bestuurster van een fiets die rechtsrijdend in dezelfde richting als verdachte over genoemde weg reed, waardoor die bestuurster van die fiets, genaamd [slachtoffer], werd gedood.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde; kwalificatie

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar omdat nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in ogenschouw genomen.

Verdachte heeft als beoefenaar van de amateur-wielersport, in groepsverband op de openbare weg rijdend, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden een botsing met een fietsster veroorzaakt. Deze fietsster, [slachtoffer], is later op 87-jarige leeftijd aan de gevolgen van dit ongeval overleden.

Het valt verdachte aan te rekenen dat hij zijn verantwoordelijkheid voor de veiligheid van zijn medeweggebruikers niet in acht heeft genomen. Ten behoeve van zijn eigen sportbeleving heeft hij, door te hard en te dicht op elkaar met onvoldoende zicht te rijden, keuzes gemaakt die voor andere verkeersdeelnemers een zeer gevaarlijke situatie creëerden.

Door het ongeval is groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer]. Uit de ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring komt naar voren dat de kinderen en kleinkinderen grote moeite hebben met het feit dat zij, doordat hun moeder en grootmoeder na het ongeval niet meer aanspreekbaar is geweest, niet behoorlijk afscheid van haar hebben kunnen nemen.

De rechtbank houdt voorts rekening met het op naam van verdachte staand Uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 28 april 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een verkeersdelict, noch voor enig ander strafbaar feit.

De rechtbank is van oordeel dat een werkstraf behoort te worden opgelegd, op de wijze zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen toegevoegde waarde in een voorwaardelijk strafdeel. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte, die ter zitting heeft verklaard na het gebeurde voorzichtiger te zijn gaan fietsen, lering heeft getrokken uit het gebeurde en zijn verkeersgedrag dienovereenkomstig aanpast.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

I Verklaart bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders primair ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

II Veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 40 (veertig) dagen.

Bepaalt dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.E. van der Veen, voorzitter,

mr. M.E. Francke en mr. R. Hirzalla, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Helder en mr. B.A. Schenk, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2010.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature