Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Beëindiging en terugvordering WW-uitkering. Appellante is op de tweede dag niet meer op het werk verschenen omdat zij zich niet wenste neer te leggen met de anders luidende keuze van de werkgever. Appellante heeft door eigen toedoen geen passende arbeid behouden.

Uitspraak



09/2467 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 maart 2009, 08/4906 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O. Labordus, werkzaam voor DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als verpakkingsmedewerkster. In verband met een verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten van haar werkgever naar Denemarken was zij per 2 juli 2007 in het genot van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2. Op 23 juli 2007 is appellante een arbeidsovereenkomst aangegaan met [naam werkgever] (hierna: [naam werkgever] of de werkgever) op grond waarvan zij per 1 september 2007 voor de periode van één jaar in dienst trad als medewerker labellen en verpakken. Appellante heeft één dag voor deze werkgever gewerkt. Het Uwv is daarvan in november 2007 op de hoogte gebracht. Dit heeft geleid tot een besluit van 5 december 2007, waarbij het Uwv de WW-uitkering per 3 september 2007 heeft beëindigd onder de overweging dat appellante door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden. Bij besluit van 7 december 2007 heeft het Uwv vervolgens de betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 3.159,80 van appellante teruggevorderd.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 5 en 7 december 2007. Dit bezwaar is bij besluit van 26 mei 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij niet de lezing van appellante gevolgd dat de werkgever haar had opgedragen te vertrekken. Omdat appellante het Uwv niet had geïnformeerd, moest de WW-uitkering met terugwerkende kracht worden beëindigd, om welke reden er volgens het Uwv ook onverschuldigd is betaald.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, welk beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellante niet door [naam werkgever] is ontslagen, maar dat op haar initiatief een einde aan het dienstverband is gekomen. De rechtbank overwoog verder dat de eis van de werkgever dat appellante gedurende de inwerkperiode van twee weken haar werkzaamheden op een later tijdstip zou aanvangen niet dermate onredelijk was, dat sprake was van bezwaren die beëindiging van de dienstbetrekking door appellante rechtvaardigen.

3. In hoger beroep heeft appellante haar eerdere stellingen herhaald. Volgens haar was de eerste werkdag een kennismakingsdag en is haar gedurende die dag door de werkgever kenbaar gemaakt dat zij niet meer hoefde te komen. Ook was er volgens haar eerder overeenstemming bereikt over de werktijden, maar werd op de eerste werkdag aangegeven dat zij niet, zoals aanvankelijk was afgesproken, vroeg zou mogen beginnen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos is of blijft, doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer kon worden gevergd. Ingevolge het zevende lid, zoals dat gold ten tijde hier in geding, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, ten derde.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat de arbeid bij [naam werkgever] passend was en dat de dienstbetrekking tussen appellante en haar werkgever is beëindigd. Afgezien van de enkele stelling van appellante dat het de werkgever is geweest die de dienstbetrekking heeft beëindigd, is overigens in het dossier geen steun voor dat standpunt te vinden. Appellante heeft ook niet duidelijk gemaakt om welke reden de werkgever niet langer van haar diensten gebruik wenste te maken. Daarentegen blijkt uit de verklaring die de werkgever tegenover het Uwv heeft afgelegd dat appellante haar werkzaamheden vóór 7.30 uur wilde beginnen zodat zij met haar man mee naar het werk zou kunnen rijden. Verder blijkt daaruit dat de werkgever - afgezien van de inwerkperiode van twee weken - bereid was tegemoet te komen aan deze wens van appellante. Afgaande op die verklaring wilde appellante echter ook in de inwerkperiode op het door haar aangegeven tijdstip starten met de werkzaamheden. Volgens de verklaring van de werkgever is appellante op de tweede dag niet meer op het werk verschenen omdat zij zich niet wenste neer te leggen met de anders luidende keuze van de werkgever.

Nu de Raad geen aanleiding ziet tot twijfel aan de juistheid van de verklaring van de werkgever kan het Uwv worden gevolgd in het in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat appellante door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

4.3. De Raad ziet geen reden om te oordelen dat de werkloosheid appellante niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.4. Tegen de terugvordering van hetgeen onverschuldigd aan WW-uitkering is betaald, zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Er is geen ruimte voor een veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B. Bekkers.

BvW

175


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature