Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 22 juni 2009, kenmerk 2009-000809, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aan de gemeente Doesburg vergunning verleend voor het woningbouwproject Beinum west 1e fase in de omgeving van het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden IJssel".

Uitspraak



200904881/1/R2.

Datum uitspraak: 26 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te Doesburg, en anderen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2009, kenmerk 2009-000809, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aan de gemeente Doesburg vergunning verleend voor het woningbouwproject Beinum west 1e fase in de omgeving van het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden IJssel".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] (hierna: [appellant sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2009, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2010, waar [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door G.W. Bäumler, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.F.H.A. Tillie, ir. A. Fopma en ING. A. Hoekstra, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad van de gemeente Doesburg, vertegenwoordigd door A.J.A. Putker, werkzaam bij de gemeente en ING. P.M. van den Brandhof, werkzaam bij Ecogroen Advies, te Zwolle.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden om zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen van gedeputeerde staten projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied aantasten.

Ingevolge artikel 19e, aanhef en onder a, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, houden gedeputeerde staten bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, bepaalt dat voor projecten waarvoor gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, de initiatiefnemer alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied maakt waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder n, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder Natura 2000-gebied verstaan:

1°. gebied dat is aangewezen op grond van artikel 10a, eerste lid,

2°. gebied dat voorlopig is aangewezen als bedoeld in artikel 12, derde lid of

3°. gebied dat voorkomt op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid van richtlijn 92 /43/EEG.

Ingevolge artikel V, eerste lid, van de wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Nbw 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen, gelden de besluiten van de minister houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van Richtlijn 79/409/EEG (hierna: de Vogelrichtlijn) als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998.

2.2. Bij besluit van 24 maart 2000 is het gebied "Uiterwaarden IJssel" aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn. Voorts stond het gebied "Uiterwaarden IJssel" ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op de lijst van gebieden van communautair belang als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 92 /43/EEG (de Habitatrichtlijn).

Daarnaast was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voor het gebied "Uiterwaarden IJssel" het ontwerpbesluit tot aanwijzing als Natura 2000-gebied in procedure gebracht. Uit de toelichting bij dit besluit volgt dat het gebied landschappelijk wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van open water, moerassen en in de uiterwaarden gelegen graslanden.

2.2.1. De vergunning heeft betrekking op het realiseren en het gebruik van het woningbouwproject Beinum west 1e fase. Het betreft de bouw van ongeveer 190 woningen aan de zuidwestzijde van Doesburg.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.3. [appellant sub 2] en anderen kunnen zich niet verenigen met de verlening van de onderhavige vergunning en betogen dat ten onrechte is volstaan met het uitvoeren van een verstorings- en verslechteringstoets. Nu niet kan worden uitgesloten dat het project significante gevolgen zal hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied had volgens hen een passende beoordeling moeten worden uitgevoerd. In dit verband voeren zij aan dat in de verstorings- en verslechteringstoets ten onrechte is uitgegaan van een maximale afstand van 280 meter van het plangebied tot het gebied "Uiterwaarden IJssel".

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het woningbouwproject geen significante effecten zal hebben voor de natuurwaarden van het gebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstelling daarvan. Derhalve kon worden volstaan met het verrichten van een verstorings- en verslechteringstoets, aldus het college. De afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden IJssel" bedraagt volgens het college minimaal 280 meter.

2.3.2. Ten behoeve van de onderhavige vergunning is door Ecogroen Advies een onderzoek verricht om te bezien of de aanleg en het gebruik van het woningbouwproject zullen leiden tot negatieve effecten op de natuurwaarden van het gebied "Uiterwaarden IJssel". De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verstorings- en verslechteringstoets Beinum West fase 1 te Doesburg" van 9 december 2008 (hierna: de verstorings- en verslechteringstoets). In de verstorings- en verslechteringstoets wordt geconcludeerd dat de aanleg en het gebruik van de voorziene woonwijk geen significante effecten zullen hebben op de natuurwaarden van het gebied "Uiterwaarden IJssel", afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan. De Afdeling stelt vast dat uit de verschillende kaarten in de verstorings- en verslechteringstoets en de "Ruimtelijke onderbouwing ontwikkeling woningbouw Beinum West 1e fase" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) en uit de kaart die als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd volgt dat de afstand van het gebied waarop de vergunning betrekking heeft tot het gebied "Uiterwaarden IJssel" ongeveer 280 meter bedraagt. Voor zover [appellant sub 2] en anderen verwijzen naar de kaart "Plandeel VI: hoofdopzet bebouwing", overweegt de Afdeling dat deze kaart niet het gebied weergeeft waarop de vergunning betrekking heeft, maar dat deze kaart een globale weergave vormt van het gehele gebied Beinum West. Derhalve kan uit deze kaart geen conclusie worden getrokken voor de afstand van het plangebied tot het gebied "Uiterwaarden IJssel". Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat in de verstorings- en verslechteringstoets ten onrechte is uitgegaan van een afstand van 280 meter tot het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden IJssel".

2.4. [appellant sub 2] en anderen betogen daarnaast dat aan het vergunningvoorschrift 3 ten onrechte geen termijn is verbonden waarbinnen de noodontsluiting moet zijn afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. In dit verband voeren zij aan dat dit negatieve effecten met zich zal brengen voor de vogelsoorten in het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden IJssel", omdat het verkeer door het gebruik van de Campstede als hoofdontsluiting grotendeels via de Bingerdenseweg zal rijden. Voorts wijzen zij erop dat het gebruik van de Campstede als hoofdontsluiting zal leiden tot verkeersonveilige situaties en een toename van de geluidoverlast op de bestaande woningen.

2.4.1. Het college heeft uiteengezet dat de ontsluiting van Beinum West 1e fase na realisering van alle drie de buurtschappen langs de Breedestraat zal plaatsvinden. De ontsluiting langs de Campstede is van tijdelijke aard en zal in de eindsituatie fungeren als noodontsluiting en ontsluiting voor langzaam verkeer. Ter zitting heeft het college uiteengezet dat het tijdelijke gebruik van de Campstede als hoofdontsluiting naar zijn mening geen extra gevolgen voor de natuurwaarden met zich brengt.

2.4.2. Ingevolge vergunningvoorschrift 3 mag de noodontsluiting over de Campstede naar de Bingerdenseweg na voltooiing van fase 1b alleen nog worden gebruikt voor hulpdiensten en langzaam verkeer en dient de noodontsluiting te worden afgesloten voor het overige gemotoriseerde verkeer. In de verstorings- en verslechteringstoets wordt geconcludeerd dat gelet op de afstand tot het Natura 2000-gebied negatieve effecten op overwinterende en broedvogels binnen het Natura 2000-gebied als gevolg van geluid, licht en bewegingsverstoring tijdens de aanlegfase niet zullen optreden. Daarbij is van belang dat bebouwing, een weg en een dijk aanwezig zijn in het tussengelegen gebied, zo staat vermeld in de verstoring- en verslechteringstoets.

Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat het tijdelijke gebruik van de Campstede als hoofdontsluiting na voltooiing van fase 1a zal leiden tot verstoring van verschillende vogelsoorten, overweegt de Afdeling als volgt. Ten gevolge van het tijdelijke gebruik van de Campstede als hoofdontsluiting zal het verkeer van en naar Beinum West fase 1a worden ontsloten langs de Bingerdenseweg. Een deel van de Bingerdenseweg loopt langs het gebied "Uiterwaarden IJssel". De Afdeling stelt vast dat de Bingerdenseweg reeds fungeert als ontsluiting van een aantal woonwijken. Om die reden wordt deze weg thans reeds vrij intensief gebruikt door gemotoriseerd verkeer. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tijdelijke gebruik van de Campstede als hoofdontsluiting geen extra gevolgen van betekenis voor het gebied "Uiterwaarden IJssel" met zich zal brengen. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat het college vergunningvoorschrift 3 niet zonder nadere termijn in de vergunning heeft kunnen opnemen. Overigens heeft het gemeentebestuur ter zitting toegezegd te zullen onderzoeken of de ontsluiting van Beinum West fase 1a langs de Breedestraat eerder dan na realisering van fase 1b zal kunnen plaatsvinden.

Voor zover [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd dat het gebruik van de Campstede als hoofdontsluiting zal leiden tot een toename van de geluidoverlast op bestaande woningen en voorts verkeersonveilige situaties met zich zal brengen, overweegt de Afdeling dat deze aspecten aan de orde kunnen komen in het kader van de procedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Deze aspecten blijven gelet hierop in de onderhavige procedure buiten beschouwing.

2.5. Volgens [appellant sub 2] en anderen is voorts ten onrechte geen onderzoek verricht naar de cumulatieve effecten van het woningbouwproject Beinum West 2e fase. In dit verband wijzen zij op het structuurplan Beinum West (hierna: het structuurplan), dat zowel betrekking heeft op het onderhavige project, als op het woningbouwproject Beinum west 2e fase.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het woningbouwproject Beinum West 2e fase niet bij de beoordeling van de cumulatieve effecten behoefde te worden betrokken, omdat er nog geen concrete plannen zijn met betrekking tot dit woningbouwproject.

2.5.2. Uit het structuurplan volgt dat dit plan een kader biedt waarbinnen eventuele woningbouwontwikkeling mogelijk is. Ontwikkeling van het woningbouwproject Beinum West 2e fase is mede afhankelijk van de woningbehoefte binnen de gemeente na 2020. Het structuurplan richt zich met name op het in beeld brengen van de bebouwingsmogelijkheden van het woningbouwproject Beinum West 1e fase. Beinum West 2e fase komt voor woningbouwontwikkeling pas in de verre toekomst aan bod, zo staat in het structuurplan vermeld. Gelet op het voorgaande is het woningbouwproject Beinum West 2e fase weliswaar in het structuurplan opgenomen, maar is naar ter zitting door de raad is bevestigd, nog onzeker of op deze locatie daadwerkelijk een woonwijk zal worden gerealiseerd. De Afdeling acht het standpunt van het college dat het woningbouwproject Beinum West 2e fase ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was aan te merken als een toekomstige onzekere gebeurtenis dan ook niet onjuist. Het college heeft bij de beoordeling van cumulatieve effecten dit woningbouwproject derhalve buiten beschouwing mogen laten.

2.6. [appellant sub 2] en anderen brengen voorts naar voren dat de verstorings- en verslechteringstoets niet is gebaseerd op zorgvuldig onderzoek. De gegevens die aan de verstorings- en verslechteringstoets ten grondslag zijn gelegd hebben enerzijds betrekking op een groot gebied en anderzijds is te weinig gebruik gemaakt van lokale deskundigheid, aldus [appellant sub 2] en anderen. In dit verband wijzen zij op telgegevens met betrekking tot een aantal soorten broedvogels en niet-broedvogels, waaronder de kolgans, de grauwe gans, de scholekster, de wulp, de meerkoet, de kievit, de grutto en de tureluur en brengen zij naar voren dat ongeveer 1% ganzenfoerageergebied verloren gaat door realisatie van het project. Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat het project negatieve effecten zal hebben op de kamsalamander.

2.6.1. Het college heeft uiteengezet dat voor de ecologische gegevens is gebruikgemaakt van verschillende databanken van de provincie Gelderland en SOVON Vogelonderzoek Nederland (hierna: SOVON). De effecten van het woningbouwproject op de vogelsoorten zijn volgens het college gering en niet significant. Het plangebied en het nabij gelegen deel van het gebeid "Uiterwaarden IJssel" vormen daarnaast geen geschikt leefgebied voor de kamsalamander, aldus het college.

2.6.2. Blijkens de verstorings- en verslechteringstoets zijn de aan het onderzoek ten grondslag gelegde telgegevens omtrent de soorten waarvoor het gebied "Uiterwaarden IJssel" is aangewezen ontleend aan het SOVON en de Vogelwerkgroep Stad en Ambt Doesborgh. Op basis van deze gegevens is bepaald welke soorten op de planlocatie en in de nabijheid daarvan voorkomen. De telgegevens van SOVON betreffen in het winterhalfjaar maandelijks verzamelde gegevens uit de periode 2000/2001- 2005/2006. Daarnaast zijn er midwintertellingen over dezelfde periode. Deze zijn één etmaal per jaar in januari verzameld. De gegevens zijn gebaseerd op onderzoek in twee telgebieden, te weten het gebied dat de uiterwaard omvat van Doesburg tot Giesbeek en het gebied dat binnendijks is gelegen tussen Doesburg en Zevenaar. Met betrekking tot de ganzensoorten staat voorts in de verstorings- en verslechteringstoets vermeld dat Ecogroen Advies een veldbezoek heeft gebracht aan de telgebieden, teneinde een beeld te krijgen van de aanwezigheid van geschikt rust- en foerageergebied voor zwanen en ganzen. Tevens zijn daarbij gegevens verzameld omtrent de aanwezige groepen ganzen.

Uit voornoemde gegevens blijkt dat de grutto en de tureluur niet voorkomen in de twee telgebieden. De scholekster en de wulp zijn slechts zeer incidenteel, althans in percentages lager dan 0,5 van het instandhoudingsdoel waargenomen. De kolgans, de grauwe gans en de meerkoet komen in percentages van minimaal 0,5 van het instandhoudingsdoel voor in of het binnendijkse of het buitendijkse telvak, zo staat in de verstorings- en verslechteringstoets. In de door [appellant sub 2] en anderen naar voren gebrachte, niet nader onderbouwde, tellingen ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de gegevens met betrekking tot de vogelsoorten die aan de verstorings- en verslechteringstoets ten grondslag zijn gelegd onjuist of onvoldoende representatief zijn. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de omstandigheid dat de in de verstorings- en verslechteringstoets gehanteerde telgegevens betrekking hebben op een groter telgebied dan het plangebied en de directe omgeving daarvan niet zonder meer met zich brengt dat deze gegevens niet representatief zijn. Voorts zijn de aan de verstorings- en verslechteringstoets ten grondslag gelegde gegevens ontleend aan tellingen in verschillende perioden. In de omstandigheid dat in of in de nabijheid van het plangebied mogelijk enkele door [appellant sub 2] en anderen genoemde vogelsoorten zijn waargenomen, behoefde het college dan ook geen aanleiding te zien de in de verstorings- en verslechteringstoets gehanteerde gegevens onvoldoende representatief te achten.

2.6.3. Naar aanleiding van het betoog van [appellant sub 2] en anderen met betrekking tot het verloren gaan van ganzenfoerageergebied, overweegt de Afdeling dat hieromtrent in de verstorings- en verslechteringstoets staat dat door het realiseren van het project een deel van het foerageergebied van de grauwe gans en de kolgans verloren zal gaan. Volgens de verstorings- en verslechteringstoets ondervindt echter een dermate klein gedeelte van de ganzenpopulatie hier effecten van dat geen sprake is van een significant effect op deze soorten ten gevolge van verlies aan foerageergebied. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding deze conclusie niet aannemelijk te achten. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het plangebied op ongeveer 280 meter van het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden IJssel" is gelegen en dat volgens de verstorings- en verslechteringstoets in de directe omgeving voldoende geschikt foerageergebied voor de ganzen aanwezig blijft.

2.6.4. Met betrekking tot de kamsalamander staat in de verstorings- en verslechteringstoets dat het plangebied in verhouding vrij hoog ligt en dat het geen voortplantingswater bevat voor de kamsalamander. Het aangrenzende deel van het Natura 2000-gebied is eveneens ongeschikt als leefgebied voor de kamsalamander, zo staat in de verstorings- en verslechteringstoets. Volgens het college vormt het plangebied voorts geen barrière voor verbinding van populaties en gaat het niet om een in potentie geschikt gebied voor deze soort. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woningbouwproject geen gevolgen zal hebben voor de kamsalamander.

2.6.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college de verstorings- en verslechteringstoets niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Voorts ziet de Afdeling mede gelet op de resultaten van de verstorings- en verslechteringstoets, geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat de aanleg en het gebruik van het woningbouwproject significante gevolgen hebben voor de natuurwaarden van het gebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan.

2.7. [appellant sub 2] en anderen voeren tot slot aan dat geen noodzaak bestaat voor het realiseren van het woningbouwproject. Onvoldoende is aangetoond dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang, aldus [appellant sub 2] en anderen. Voorts vormt de inbreidingslocatie Koppelweg volgens [appellant sub 2] en anderen een alternatieve locatie, waar het college ten onrechte geen onderzoek naar heeft verricht.

2.7.1. Een onderzoek naar eventuele alternatieven voor de aangevraagde activiteiten en de vraag of sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang komen, gelet op artikel 19g van de Nbw 1998, pas aan de orde als uit de passende beoordeling, bedoeld in artikel 19f, eerste lid, volgt dat de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied zullen worden aangetast. Daarvan is hier geen sprake. Het college heeft derhalve van de beoordeling van deze aspecten mogen afzien.

2.7.2. Het college diende op grond van de artikelen 19d en 19e van de Nbw 1998 aan de hand van de aanvraag te beoordelen of de vergunning, rekening houdend met de gevolgen van de aangevraagde activiteit en gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor de betrokken gebieden, bij afweging van de betrokken belangen kon worden verleend. Bij de toets van een vergunningaanvraag op grond van de Nbw 1998 kunnen derhalve belangen zoals de noodzaak van de aangevraagde activiteiten een rol spelen. Het gemeentebestuur heeft blijkens het structuurplan Beinum West een woningmarktonderzoek laten verrichten. Aan de hand van dit onderzoek is de woonvisie "Bouwen aan een vitaal en sociaal Doesburg" vastgesteld. De woonvisie geeft aan dat in de periode 2007-2020 ongeveer 595 woningen nodig zijn om te voldoen aan de vastgestelde woningbehoefte in de gemeente. Een deel van deze woningen wordt gerealiseerd met het project Beinum West 1e fase. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende noodzaak bestaat tot het realiseren van het woningbouwproject Beinum West 1e fase.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.9. [appellant sub 1] voert aan dat het college in het bestreden besluit zijn tijdig naar voren gebrachte zienswijze tegen het ontwerpbesluit ten onrechte volledig buiten beschouwing heeft gelaten. In zijn zienswijze heeft hij betoogd dat in de rapportage die aan het ontwerpbesluit ten grondslag is gelegd, enerzijds gebruik is gemaakt van gegevens die een veel groter gebied bestrijken dan het plangebied en anderzijds te weinig gebruik is gemaakt van lokale deskundigheid. In dit verband wijst hij op telgegevens met betrekking tot een aantal soorten broedvogels en niet-broedvogels in het plangebied. Daarnaast heeft hij in zijn zienswijze naar voren gebracht dat een toename van de kamsalamander onvoldoende wordt gestimuleerd.

2.9.1. Het college erkent dat door een fout de schriftelijke zienswijze van [appellant sub 1] buiten beschouwing is gelaten doordat deze in een ander dossier terecht is gekomen. Het college heeft naar voren gebracht dat de in de zienswijze van [appellant sub 1] aangevoerde aspecten inhoudelijk gezien wel zijn meegewogen bij het bestreden besluit. In dit verband heeft het college verwezen naar de behandeling in het bestreden besluit van de vrijwel identieke zienswijze van de Stichting tot Behoud van de Stadsweiden in Beinum-West. Gelet op het voorgaande is niet in geschil dat het college bij het bestreden besluit de zienswijze van [appellant sub 1] ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. De Afdeling ziet hierin grond voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het recht. Het beroep is gegrond. Het besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Nu de zienswijze van [appellant sub 1] vrijwel identiek is aan een deel van de zienswijze van de stichting Stichting tot Behoud van de Stadsweiden Beinum-West en het college in het bestreden besluit zijn zienswijze inhoudelijk in voldoende mate heeft behandeld, en nu voorts uit hetgeen onder 2.8. is overwogen volgt dat de inhoud van deze zienswijze niet leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

2.11. Ten aanzien van [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 22 juni 2009, kenmerk 2009-000809,

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen ongegrond;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Oudenaarden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010

568-575.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature