Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Verdachte wordt ter zake van overtreding van artikel 28 van de Wet bodembescherming veroordeeld tot een geldboete van € 700,-. Verdachte heeft verontreinigde grond laten afgraven en afvoeren, zonder hiervan eerst mededeling te doen aan de gedeputeerde staten van de provincie.

Uitspraak



Parketnummer: 24-002966-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-660159-07

Arrest van 12 mei 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 17 november 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte

mr. O.A. van Oorschot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een overtreding veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem ten laste gelegde tot een geldboete van € 700,-.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 31 mei 2007 te [plaats], in de gemeente [gemeente], de bodem heeft gesaneerd dan wel handelingen heeft verricht of heeft laten verrichten tengevolge waarvan de verontreiniging van de bodem werd verminderd of verplaatst, zonder van het voornemen daartoe melding te doen bij Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, immers heeft zij toen ontgravingswerkzaamheden verricht, dan wel laten verrichten op het binnenterrein van het pand [adres] aldaar, bestaande die (sanerings)handelingen uit het afschrapen of afgraven van de toplaag van die bodem en/of het afvoeren daarvan en/of het aanbrengen in die bodem van een afwateringssysteem en/of het aanbrengen van een zandcunet.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde. Er zou niet kunnen worden bewezen dat verdachte de bodem heeft gesaneerd, dan wel dat zij handelingen heeft laten verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem werd verminderd of verplaatst. Bij verdachte bestond dan ook niet het voornemen hiertoe. Er zou evenmin sprake zijn geweest van 'ontgravingswerkzaamheden'. Voorts zou verdachte - in tegenstelling tot hetgeen in de tenlastelegging is verwoord - wel een mededeling omtrent de door verdachte te verrichten werkzaamheden op het betreffende perceel hebben gedaan.

Uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat in de ten laste gelegde periode in opdracht van verdachte een laag van ongeveer 10 centimeter grond van het betreffende perceel is afgegraven ten behoeve van het aanleggen van een parkeerterrein. Tevens is er in de bodem een afwateringssysteem en op de bodem een zandcunet aangebracht.

In het dossier bevindt zich een rapport d.d. 25 november 2003 opgesteld door Ingenieursbureau Oranjewoud inhoudende de resultaten van een verkennend bodemonderzoek van het betreffende perceel. De conclusie van het rapport luidt onder meer dat de locatie niet vrij is van verontreinigingen. In de bovengrond komen matig tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen voor en op basis van de Wet bodembescherming is er dan ook vermoedelijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Het hof is op grond van vorenstaande van oordeel dat met het aanleggen van het parkeerterrein verdachte voornemens is geweest handelingen te (laten) verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verplaatst. Vast staat immers dat een (top)laag van de bodem is verwijderd en afgevoerd, terwijl uit vorenbedoeld rapport blijkt dat in het bijzonder deze bovengrond verontreinigd was met zware metalen. Dat het bedrijf dat de grond heeft afgevoerd, heeft verklaard dat het 'schone' grond betrof, doet hier niets aan af, nu niet duidelijk is geworden aan welke normen dit bedrijf de betreffende grond heeft getoetst. Vorenstaande handelingen vallen naar het oordeel van het hof onder de in de tenlastelegging gebruikte term 'ontgravingswerkzaamheden'. Verdachte had derhalve van dit voornemen mededeling moeten doen aan gedeputeerde staten van de provincie Fryslân. Dat verdachte hiervan mededeling zou hebben gedaan bij de gemeente, is niet voldoende.

Op grond van vorenstaande acht het hof het aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

zij in de periode van 1 april 2007 tot en met 31 mei 2007 te [plaats], in de gemeente [gemeente], handelingen heeft laten verrichten tengevolge waarvan de verontreiniging van de bodem werd verplaatst, zonder van het voornemen daartoe melding te doen bij Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, immers heeft zij toen ontgravingswerkzaamheden laten verrichten op het binnenterrein van het pand [adres] aldaar, bestaande die handelingen uit het afschrapen of afgraven van de toplaag van die bodem en het afvoeren daarvan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Strafbaarheid van het feit

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof een beroep gedaan op de in artikel 28, derde lid, van de Wet bodembescherming geformuleerde disculpatie. Verdachte mocht er namelijk op vertrouwen dat de grond niet ernstig vervuild was. Vorengenoemd bodemonderzoek had slechts een indicatief karakter en brengt geen concrete wetenschap van verdachte omtrent de verontreiniging van de bodem met zich mee. Bovendien heeft de gemeente, nadat verdachte haar plannen bekend had gemaakt, geen mededelingen gedaan omtrent de vermoedelijke verontreiniging.

Artikel 28 van de Wet bodembescherming (oud) luidt - voor zover van belang - :

1. Degene die voornemens is de bodem te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, doet van dat voornemen melding bij gedeputeerde staten van de betrokken provincie.

2. (...)

3. Een melding als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven, indien de betrokkene redelijkerwijs kan aannemen dat de sanering of de handeling waarop zijn voornemen betrekking heeft geen geval van ernstige verontreiniging betreft en tevens vaststaat:

1? dat de betreffende hoeveelheid verontreinigde grond of verontreinigd grondwater 50 kubieke meter onderscheidenlijk 1000 kubieke meter niet te boven gaat, of

2? dat uit de aard van de in het eerste lid bedoelde handelingen volgt dat de grond slechts tijdelijk wordt verplaatst en na verplaatsing wordt teruggebracht.

4. (...)

Het hof is - anders dan de raadsman - van oordeel dat verdachte gelet op de inhoud van het vorenbedoelde rapport niet redelijkerwijs kon aannemen dat de ontgravingswerkzaamheden die zouden worden uitgevoerd geen geval van ernstige verontreiniging betroffen. Zoals hierboven is weergegeven, staat in bedoeld rapport nu juist dat de bovenlaag matig tot ernstig was vervuild. Dat de gemeente, nadat verdachte haar voornemen aan haar bekend had gemaakt, niet heeft gewezen op het feit dat het betreffende perceel vermoedelijk ernstig verontreinigd was, doet hieraan niets af, aangezien verdachte de inhoud van het rapport kende.

Nu er geen sprake is van de in het derde lid van artikel 28 van de Wet bodembescherming geformuleerde disculpatie, acht het hof het bewezen verklaarde feit strafbaar.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 28 van de Wet bodembescherming , begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft bij het aanleggen van een parkeerterrein een (top)laag grond waarvan verdachte behoorde te weten dat deze ernstig verontreinigd was, laten afgraven en afvoeren, zonder hiervan eerst mededeling te doen aan de gedeputeerde staten van de provincie. Van een professionele partij als verdachte die projectontwikkelaar is, mag op dit punt meer zorgvuldigheid worden verwacht. Het overtreden voorschrift strekt tot de bescherming van de bodem en het milieu. Door zijn handelen heeft verdachte dit belang geschaad.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 18 februari 2010 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Gelet op deze omstandigheden acht het hof het opleggen van een geldboete, zoals door de rechter in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 28 van de Wet bodembescherming , zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte], tot een geldboete van zevenhonderd euro.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. A.J. Rietveld en mr. J.H. Bosch, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mr. Rietveld voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature