Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Overtreding van artikel 9 eerste en tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 .

Uitspraak



Parketnummer: 24-000089-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-654364-07 en 18-652256-06 (tul)

Arrest van 6 mei 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 27 oktober 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1946] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte mr. N.A Heidanus, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 22 april 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 1 jaar. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 4 augustus 2007, in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de[straat 1], een motorrijtuig, (bestelauto), heeft bestuurd;

2.

hij op of omstreeks 4 augustus 2007, in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categoriën van motorrijtuigen, te weten categorie B en E, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straat 1], als bestuurder een motorrijtuig, (bestelauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

3.

hij op of omstreeks 29 september 2007, in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de [straat 2], een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd;

4.

hij op of omstreeks 29 september 2007, in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B en E, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straat 2], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 4 augustus 2007, in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de [straat 1], een motorrijtuig, (bestelauto), heeft bestuurd;

2.

hij op 4 augustus 2007, in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B en E, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straat 1], als bestuurder een motorrijtuig, (bestelauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

3.

hij op 29 september 2007, in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de [straat 2], een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd;

4.

hij op 29 september 2007, in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B en E, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straat 2], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1 en 3, telkens:

overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ;

2 en 4, telkens:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 .

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 4 augustus 2007 en 29 september 2007 een motorrijtuig bestuurd, terwijl hij wist dat aan hem door de rechter een ontzegging van de rijbevoegdheid was opgelegd. Daarnaast heeft verdachte op 4 augustus 2007 en 29 september 2007 een motorrijtuig bestuurd, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte heeft daarmee een rechterlijke uitspraak en een tegen hem genomen administratieve maatregel bij herhaling genegeerd. Zowel de rechterlijke uitspraak als de administratieve maatregel zijn bedoeld om de algemene verkeersveiligheid te bevorderen.

Voorts is uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof gebleken dat verdachte zich ook aan een ander strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit strafbare feit is ad informandum gevoegd op de inleidende dagvaarding (onder parketnummer: 18/655307-07). Dit ad informandum gevoegde strafbare feit, bij de politie door verdachte erkend als door hem te zijn begaan, zal het hof meewegen in de aan verdachte op te leggen straf, welk feit daarmee is afgedaan.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 4 februari 2010, waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld wegens het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994. Bovendien heeft hij de onderhavige misdrijven begaan in een proeftijd van een hem eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

De door de politierechter opgelegde straf is passend en geboden, gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten en verdachtes justitiële documentatie.

In de over verdachte opgemaakte rapporten van Reclassering Nederland d.d. 29 augustus 2008 en 20 november 2009 en de brief d.d. 4 november 2009 van M.J. Buiskool, specialist ouderenkunde, ziet het hof echter aanleiding de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Uit die over verdachte verstrekte inlichtingen blijkt namelijk dat hij onder meer een herseninfarct heeft gehad, waardoor blijvende cerebrale schade is ontstaan. Verder treden bij verdachte steeds weer cardiale complicaties op. Bovendien heeft hij twee beenamputaties ondergaan. Verdachte is, na een verblijf in een verpleeghuis, volgens zijn raadsman inmiddels sinds 1 week opgenomen in een revalidatiecentrum voor een periode van 6 maanden.

Het hof zal verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 1 jaar. Die straf is conform de vordering van de advocaat-generaal. Gezien het voorgaande, zijn er geen termen aanwezig om - zoals de raadsman heeft verzocht - art. 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, dan wel te volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke geldboete.

Tenuitvoerlegging (18-652256-06)

Bij vonnis van de politierechter te Groningen van 19 december 2006 is veroordeelde onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van twee maanden met een proeftijd van drie jaren. Voormeld vonnis is onherroepelijk geworden op 3 januari 2007. De proeftijd is ingegaan op 3 januari 2007. De officier van justitie heeft d.d. 21 november 2007 gevorderd dat last tot tenuitvoerlegging zal worden gegeven van voormelde gevangenisstraf, ten aanzien waarvan bij voormeld vonnis bevel was gegeven dat deze voorwaardelijk niet zou worden ten uitvoer gelegd, om reden dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de bewezen verklaarde feiten.

De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof - gelet op de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde - de afwijzing van de vordering gevorderd.

Nu gebleken is dat veroordeelde het bewezen verklaarde feit heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, is het hof van oordeel dat in beginsel de tenuitvoerlegging kan worden gelast van voormelde gevangenisstraf. Gelet op hetgeen hiervoor in de strafmotivering is overwogen, acht het hof echter termen aanwezig om de vordering van de officier van justitie, conform de vordering van de advocaat-generaal, af te wijzen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van één maand;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van één jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Groningen van 19 december 2006.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van A.L.H. Wilkens als griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature