Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding.

Uitspraak



09/4021 WWB

09/4022 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 juni 2009, 08/620 en 08/621 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Appingedam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. dr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 december 2009 heeft mr. dr. Vermaat bericht dat hij zich terugtrekt als advocaat van appellanten.

Bij brief van 8 maart 2010 heeft mr. S. Akkas, advocaat te Haarlem, bericht dat hij appellanten bijstaat in deze procedure.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2010. Appellanten zijn - zoals vooraf bericht - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door K.J. Hoiting, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Noordoost.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten zijn op 22 september 1997 gehuwd. Tussen appellanten is echtscheiding uitgesproken in januari 2002; de beschikking daarvan is niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.2. Appellante ontving vanaf 7 januari 2000 tot en met 31 oktober 2002, met een korte onderbreking van 13 juni 2000 tot en met 5 juli 2000, bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.3. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellanten samenwonen heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord & Oost Groningen (hierna: sociale recherche) onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht en is diverse instanties om informatie verzocht. Ook zijn getuigen gehoord en zijn appellanten als verdachten verhoord. Van dit onderzoek is op 28 november 2002 een rapportage gemaakt en op 3 december 2002 een proces-verbaal.

1.4. De resultaten van dit onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 2 december 2002 de bijstand van appellante met ingang van 7 januari 2000 in te trekken op de grond dat zij, zonder daarvan aan het College mededeling te doen, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant.

1.5. Bij besluit van 5 december 2002 heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over de perioden van 7 januari 2000 tot en met 31 december 2001 bruto en over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 oktober 2002 netto van appellante, en mede van appellant, teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 31.297,92.

1.6. Bij besluit van 3 februari 2003 heeft het College de netto vordering over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 oktober 2002 verhoogd met loonheffing en premies ziekenfonds ten bedrage van € 3.642,77 en dit bedrag van appellante en mede van appellant teruggevorderd.

1.7. Bij besluit van 9 november 2004 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 december 2002 en de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 5 december 2002 en 3 februari 2003 ongegrond verklaard.

1.8. Bij uitspraak van 24 april 2006 heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 9 november 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover betrekking hebbende op de intrekking van bijstand, en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

1.9. Bij uitspraak van 19 juni 2007, 06/3252 NABW en 06/3253 NABW, LJN BA8773, heeft de Raad op het hoger beroep van appellanten de uitspraak van 24 april 2006 vernietigd, behoudens voor zover daarbij beslist is omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 november 2004 vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit neemt. Deze uitspraak berust onder meer op de vaststelling dat het College in bezwaar, ondanks een daartoe strekkend verzoek van appellanten, niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken, in het bijzonder de processen-verbaal van verhoor van appellanten en van getuigen, ter inzage heeft gelegd. Voorts is vastgesteld dat het College niet de beschikking heeft gehad over de volledige, authentieke, processen-verbaal, zich in feite bij zijn besluitvorming heeft gebaseerd op een samenvatting in het rapport van 28 november 2002, en zich niet (kenbaar) heeft vergewist van de juistheid van de daarin vermelde, voor de besluitvorming van essentieel belang zijnde feiten.

1.10. Bij afzonderlijke besluiten van 22 mei 2009 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 2 en 5 december 2002 ongegrond verklaard. Deze besluiten berusten onder meer op de overweging dat appellanten in de periode in geding niet duurzaam gescheiden leefden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten

van 22 mei 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben daarbij bestreden dat zij in de periode in geding niet duurzaam gescheiden leefden.

4. De Raad komt, zich beperkend tot het onderwerp van geschil, tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van het hier toepasselijke artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake is indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Nu hier de intrekking en terugvordering van bijstand, en dus een belastend besluit, in geding is, is het aan het College om aannemelijk te maken dat in de relevante periode geen sprake was van duurzaam gescheiden leven van appellanten.

4.2. Appellanten betogen dat aan de door appellant afgelegde verklaringen geen betekenis kan worden toegekend, omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was en bij hem, anders dan bij appellante, ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een tolk. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit betoog faalt. Blijkens de processen-verbaal van de vijf verhoren van appellant op 6, 7 en 8 november 2002 zijn zijn verklaringen steeds aan hem voorgelezen en heeft hij de verklaringen per pagina ondertekend. Bij het eerste verhoor heeft appellant verklaard dat hij de Nederlandse taal redelijk begrijpt en spreekt, dat hij sinds 1982 in Nederland woont en dat hij een cursus Nederlands heeft gevolgd. Tijdens het tweede verhoor heeft hij verklaard dat hij de Nederlandse taal redelijk spreekt en begrijpt en dat hij zal aangeven als hij iets niet begrijpt. Aan het eind van ieder verhoor heeft appellant na de voorlezing verklaard dat hij alles goed begrepen had en dat het zo was verwoord als hij had bedoeld. In het laatste verhoor heeft appellant daaraan toegevoegd dat hij met zijn advocaat ook Nederlands spreekt. Gelet hierop en op de inhoud van de uitgebreide, consistente en gedetailleerde verklaringen van appellant is aannemelijk dat appellant de Nederlandse taal voldoende beheerste om bewijskracht aan zijn verklaringen toe te kennen.

4.3. Vaststaat dat appellanten van 29 september 1999 tot en met 30 december 1999 samen ingeschreven hebben gestaan op het [adres A] te [plaatsnaam A]. Appellant heeft zich op 30 december 1999 ingeschreven op het [adres B] te [plaatsnaam B] en op 13 augustus 2000 op het adres Van [adres C] te [plaatsnaam B]. Appellante heeft van 13 juni 2000 tot 5 juli 2000 ook ingeschreven gestaan op het adres Van [adres B] te [plaatsnaam B] en nadien weer op het adres in [plaatsnaam A]. Appellant heeft van de gemeente [plaatsnaam B] een bijstandsuitkering ontvangen van 13 maart 2000 tot en met 30 september 2001. Vaststaat voorts dat appellant van 17 april 2001 tot en met 31 juli 2001 opgenomen was in de loonadministratie van het bedrijf van zijn broer, die boven appellante woonde in hetzelfde flatgebouw. Appellant heeft voorts van 14 september 2001 tot 1 juni 2002 een pizzeria geëxploiteerd in [plaatsnaam]. Appellanten hebben gedurende de genoemde periode van 13 juni 2000 tot 5 juli 2000, in welke periode appellante geen bijstand ontving, verbleven in [plaatsnaam B] en onderzocht of zij hun relatie konden herstellen.

4.4. Appellanten hebben voorts betoogd dat naast hun eigen verklaringen geen steunbewijs voor handen is voor de vaststelling dat zij in de periode in geding niet duurzaam gescheiden leefden. De Raad stelt vast dat gedurende die hele periode de premie van de ziektekostenverzekering van appellanten en de kinderen is afgeschreven van de rekening van appellant. Verder heeft appellant voor zijn kinderen op 8 maart 2001 een aanvraag gedaan om een uitkering uit het participatiefonds, waarbij hij het adres van appellante heeft opgegeven en zijn eigen bankrekening, terwijl appellante eenzelfde aanvraag heeft gedaan op 14 december 2000, waarbij zij haar adres en bankrekening heeft opgegeven. Voorts zijn er verklaringen van getuigen, waaruit kan worden afgeleid dat appellant in de periode in geding niet gewoond heeft op het door hem opgegeven adressen in [w[plaatsnaam B]] hetgeen verder ondersteund wordt door de waarneming tijdens een aldaar gehouden huisbezoek, dat appellant niet beschikte over de huissleutel en probeerde een woning binnen te gaan op een andere verdieping dan waar die woning gelegen was. Voorts hebben omwonenden van het adres in [plaatsnaam A] als getuigen verklaringen afgelegd die aanwijzingen bevatten dat appellanten ten tijde hier van belang niet duurzaam gescheiden leefden. Verder staat vast dat appellant op 20 juli 2001 en op

8 en 21 februari 2002 in contacten met de politie als zijn adres het adres van appellante heeft opgegeven. Appellanten hebben ten slotte erkend dat appellant de nacht voorafgaande aan de aanhouding van appellante in de woning heeft doorgebracht en dat hij zich ten tijde van die aanhouding heeft verborgen en nadien onmiddellijk naar [plaatsnaam B] is gegaan. Dit is voorts door de dochter van appellanten en een getuige bevestigd. Gelet hierop en in het licht van de onder 4.3 als vaststaand aangenomen feiten kunnen appellanten naar het oordeel van de Raad niet volhouden dat naast hun verklaringen geen steunbewijs aanwezig is.

4.5. Appellanten zijn verscheidene malen verhoord en zijn daarbij geconfronteerd met bepaalde feiten en verklaringen van anderen. Appellanten hebben daarbij hun eerdere verklaringen gedeeltelijk herzien. Tijdens de zeven verhoren die appellante op 6, 7 en

8 november 2002 zijn afgenomen heeft zij onder meer het volgende verklaard. Appellant kwam bij haar twee keer per week in de periode dat hij bij zijn broer of in zijn eigen pizzeria werkte. In de overige perioden kwam hij eens per week of per maand. Hij bleef dan wel eens eten, maar nooit slapen. Hij bleef wel eens bij zijn broer slapen. Appellante heeft ook verklaard dat appellant als hij op bezoek kwam wel eens bleef slapen als het laat werd en dat zij dat normaal vond. Die laatste verklaring heeft zij na voorlezing onmiddellijk ingetrokken en meegedeeld dat appellant na 7 januari 2000 geen enkele nacht bij haar en de kinderen in huis heeft geslapen. Ten slotte heeft zij verklaard dat zij vanaf februari 2002 met haar kinderen ieder weekend en in de vakanties heeft verbleven in de pizzeria die appellant in [plaatsnaam] had en daar ook is blijven slapen. Zij hielp dan ook mee in de zaak met afwassen en schoonmaken. Zij deed dan ook de was van appellant. Zij werd niet voor die werkzaamheden betaald. Appellant bleef dan ook wel bij haar slapen van maandag op dinsdag. Zij denkt dat de buren zullen denken dat appellant bij haar woonde. Haar Turkse kennissen weten niet dat appellant niet meer bij appellante woont. Haar jongste kinderen heeft appellante verteld dat appellant in [plaatsnaam B] werkte en daarom niet zo vaak bij hun in huis verbleef. Appellante heeft appellant f. 3.000,-- geleend in september 2001 voor de pizzeria en heeft na de beëindiging van dat bedrijf als terugbetaling van die lening een professionele magnetron en friteuse geaccepteerd.

4.6. Appellant heeft verklaard dat vanaf 7 januari 2000 tot september 2001 hij de meeste tijd bij appellante en de kinderen verbleef en af en toe bij zijn broer en dat appellanten en hun kinderen in die periode eigenlijk hebben samengewoond als gezin op het adres van appellante. In de periode dat hij de pizzeria had in [plaatsnaam], verbleven appellante en de kinderen twee dagen in de week bij hem. Het grootste deel van zijn kleren ligt bij appellante.

4.7. Appellanten kan worden toegegeven dat hun verklaringen niet geheel gelijkluidend zijn, maar zij zijn naar het oordeel van de Raad voldoende om in het licht van de vaststaande feiten en in samenhang met het overige bewijs aannemelijk te achten dat appellanten in de perioden in geding niet duurzaam gescheiden hebben geleefd. Er was immers geen sprake van dat appellanten ieder afzonderlijk hun eigen leven leidden zoals in 4.1 bedoeld.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep faalt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

EK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature