Uitspraak
09/297 BESLU
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
alsbedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het verzoek om schadevergoeding van:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
met als partijen:
betrokkene
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat).
I. PROCESVERLOOP
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2006, 02/3105, in het geding tussen betrokkene en het Uwv.
Bij uitspraak van 16 juni 2009, 06/7046 WAO ( LJN BI9776) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad onder meer bepaald dat het onderzoek onder het in de aanhef van deze uitspraak genoemd nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
Namens de Staat heeft mr. E.J. Daalder, advocaat te ’s-Gravenhage, een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Daarbij heeft mr. Daalder aangegeven dat aan betrokkene een bedrag van € 4.000,– zal worden betaald wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
Bij brief van 3 november 2009 is namens betrokkene het verzoek om schadevergoeding ter zake van de overschrijding van de redelijke termijn ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de Staat te veroordelen in de proceskosten.
Namens de Staat is gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in gevalvan intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. De Raad stelt vast dat het verzoek van betrokkene tot schadevergoeding is ingetrokken omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM .
3. De Raad stelt verder vast dat betrokkene verzocht heeft de Staat te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten met betrekking tot haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad zal op dat verzoek beslissen met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a van de Awb .
4. De Raad ziet geen reden om tot eenveroordeling in de proceskosten te komen, reeds omdat van proceshandelingen in deze procedure die voor vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen, niet gesproken kan worden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek tot toepassing van artikel 8:75 van de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) T.J. van der Torn.
CVG
