Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Overneming van de betalingsverplichtingen van de werkgever wegens faillissement. Opzegtermijn. Het Uwv heeft met toepassing van de regelgeving de opzegtermijn op goede gronden vastgesteld op 12 weken. Zoals de Raad reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 2 september 2009 (LJN BJ8379) volgt uit artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid dat er, ook al duurt het dienstverband na 1 januari 1999 voort, geen verdere opbouw meer plaatsvindt van de opzegtermijn volgens het recht zoals dat gold tot die datum.

Uitspraak



09/1765 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 februari 2009, 08/706 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Appellant is verschenen bij mr. De Rooij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op [in] 1947, was sedert 1 mei 1971 in dienst bij [naam werkgever]. Op 26 februari 2008 is het faillissement van deze werkgever uitgesproken. Bij brief van 27 februari 2008 heeft de curator de arbeidsovereenkomst van appellant opgezegd.

1.2. Appellant heeft bij het Uwv een aanvraag gedaan om overneming van de betalingsverplichtingen van de werkgever in het kader van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 20 maart 2008 heeft het Uwv bij wijze van voorschot een uitkering in het kader van dat hoofdstuk toegekend en heeft daarbij bepaald dat de opzegtermijn loopt tot en met 21 mei 2008. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het thans bestreden besluit van 14 april 2008 ongegrond is verklaard.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat het Uwv bij het vaststellen van de opzegtermijn, overeenkomstig de uitspraken van de Raad van 27 april 2005, rekening heeft gehouden met het bepaalde in artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid en met artikel 40 van de Faillissementswet (Fw) zoals dat vóór 1 januari 1999 luidde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv met toepassing van die regelgeving de opzegtermijn op goede gronden vastgesteld op 12 weken.

2.1. In hoger beroep bestrijdt appellant het oordeel van de rechtbank. Appellant meent dat de rechtbank een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 64, aanhef en onder b, van de WW . Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 april 2005, LJN AT4656 volgt naar zijn opvatting dat bij de vaststelling van de opzegtermijn als bedoeld in artikel 64, aanhef en onder b, van de WW , de opzegbepalingen volgens “oud” BW dienen worden toegepast. Volgens appellant zou op grond daarvan een opzegtermijn van 26 weken dan wel tenminste 19 weken gelden.

2.2. In verweer verwijst het Uwv, nu er geen nieuwe gezichtspunten zijn aangevoerd, naar zijn standpunt zoals neergelegd in de gedingstukken.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1. Artikel 64, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW , voor zover hier van belang, luidt: “Het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk omvat (…) het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging, (…), met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden.”

3.2. Artikel 40, eerste lid, van de Fw luidt sedert de inwerkingtreding van de Wet Flexibiliteit en zekerheid per 1 januari 1999 als volgt:

“Werknemers in dienst van de gefailleerde kunnen de arbeidsovereenkomst opzeggen en hun kan wederkerig door de curator de arbeidsovereenkomst worden opgezegd, en wel met inachtneming van de overeengekomen of wettelijke termijnen, met dien verstande echter dat in elk geval de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd met een termijn van zes weken.”

3.3. Artikel 40, derde lid, van de Fw , zoals dat gold tot 1 januari 1999, luidde als volgt:

“De curator kan de arbeidsovereenkomst in elk geval beëindigen door opzegging op een termijn van zes weken, welke termijn overeenkomstig artikel 672, tweede lid, van Boek 7, van het Burgerlijk Wetboek wordt verlengd met betrekking tot werknemers die de leeftijd van 45 jaren, doch nog niet die van 65 jaren hebben bereikt.”

3.4. Artikel 672, leden één en twee, van boek 7, van het Burgerlijk Wetboek, luidden tot

1 januari 1999, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. (…) bedraagt de termijn van opzegging voor de werkgever ten minste zoveel weken als de arbeidsovereenkomst na de meerderjarigheid van de werknemer gehele jaren heeft geduurd (…), met dien verstande, dat uit dezen hoofde de opzegtermijn voor de werkgever ten hoogste 13 weken (…) zal bedragen.

2. De termijn van opzegging die krachtens lid 1 voor de werkgever geldt, wordt verlengd met een week voor elk vol jaar, gedurende hetwelk de werknemer na het bereiken van de leeftijd van 45 jaren bij hem in dienst is geweest; de duur van deze verlenging bedraagt evenwel ten hoogste 13 weken.”

3.5. Artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid luidt:

“Voor de werknemer die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn voor opzegging gold dan volgens deze wet, blijft de oude termijn gelden zo lang hij bij dezelfde werkgever in dienst blijft.”

3.6. Zoals de Raad heeft geoordeeld in de door partijen aangehaalde uitspraak van

27 april 2005, dient artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid bij de door de curator in acht te nemen opzegtermijn te worden betrokken. Ingevolge dat artikel moet worden bepaald welke opzegtermijn ten aanzien van betrokkene gold op 1 januari 1999 met toepassing van artikel 40, derde lid, van de Fw , zoals dat luidde tot 1 januari 1999. Zo deze termijn langer was dan zou volgen uit de toepassing van artikel 40, eerste lid, van de Fw , zoals dat artikellid luidde sedert 1 januari 1999, bleef deze langere (oude) opzegtermijn op grond van artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid op appellant van toepassing. Appellant werd in 1992 45 jaar en de dienstbetrekking heeft sedertdien tot 1 januari 1999 zes volle jaren geduurd. De opzegtermijn volgens artikel 40, derde lid, van de Fw , zoals dat artikellid luidde tot

1 januari 1999, bedraagt derhalve 12 weken. Nu de opzegtermijn volgens artikel 40, eerste lid, van de Fw , sedert 1 januari 1999 is beperkt tot zes weken, is de eerstgenoemde opzegtermijn langer en blijft deze van toepassing. Het Uwv heeft derhalve uitgaande van de aanvang van de opzegtermijn op 28 februari 2008 de einddatum van de opzegtermijn correct vastgesteld op 21 mei 2008.

3.7. Zoals de Raad reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 2 september 2009 (LJN BJ8379) volgt uit artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid dat er, ook al duurt het dienstverband na 1 januari 1999 voort, geen verdere opbouw meer plaatsvindt van de opzegtermijn volgens het recht zoals dat gold tot die datum.

3.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moeten worden verklaard.

4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2010.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) P. Boer.

BvW


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature