Uitspraak
09/1543 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in hetgeding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 25 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 25 februari 2009, kenmerk BZ 48005, JZ/B70/2009, door verweerster ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2010. Appellante is daar verschenen, bijgestaan door mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 21 februari 1995 heeft verweerster afwijzend beslist op een aanvraag van mei 1994 van appellante, geboren in 1947, die ertoe strekte om als zogenoemd oorlogsslachtoffer van de tweede generatie met toepassing van artikel 3, tweede lid (oud), van de Wet met de vervolgde te worden gelijkgesteld. Na namens appellante gemaakt bezwaar heeft verweerster deze afwijzing gehandhaafd bij besluit van 7 november 1995. Hierbij is overwogen - kort weergegeven - dat appellante geen ziekten of gebreken heeft die inoverwegende mate in verband staan met de vervolging van haar ouders en de bij hen ontstane vervolgingsklachten.
1.2. De Raad heeft in zijn uitspraak van 6 november 1997 (nr. 95/8733 WUV) het besluit van 7 november 1995 vernietigd en bepaald dat verweerster een nieuw besluit op bezwaar moest nemen. Daartoe heeft de Raad overwogen - kort samengevat - dat bij de uit-gebrachte psychiatrische expertise ten onrechte niet de gegevens over appellantes ouders zijn betrokken en dat daarom een nader onderzoek door een andere psychiater moest worden ingesteld waarbij aan die verplichting wel zou worden voldaan.
1.3. Verweerster heeft vervolgens een nieuwe psychiatrische expertise laten verrichten door prof. dr. M.M.W. Richartz. Deze psychiater heeft in zijn rapport van 24 maart 1998 geconcludeerd dat een bij appellante gediagnosticeerde angststoornis niet bewijsbaar te wijten is aan vervolgingsgevolgen bij de ouders en dat alleen bij het geven van het voordeel van de twijfel een zodanig causaal verband is te aanvaarden. Verweerster heeft daarop bij besluit van 29 juni 1998 het bezwaar van appellante weer ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerster overwogen dat appellantes medische problemen wel zijn te relateren aan de medische vervolgingsgevolgen van haar ouders, maar dat dit niet in overwegende (doorslaggevende) mate het geval is.
1.4. De Raad heeft in zijn uitspraak van 29 november 2001 (nr. 98/5287 WUV) het beroep van appellante tegen het besluit van 29 juni 1998 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Raad overwogen dat verweerster bij de voorbereiding van dat besluit heeft gehandeld in overeenstemming met de uitspraak van de Raad van 6 november 1997. Verder heeft de Raad overwogen dat verweerster bij aanspraken ingevolge de Wet, van personen die behoren tot de ‘tweede generatie’, in redelijkheid de norm kan hanteren dat zij niet van haar bevoegdheid tot gelijkstelling met een vervolgde gebruik maakt, als de klachten niet in overwegende mate in verband staan met de vervolging van de ouders. De Raadheeft verder overwogen dat verweerster op grond van het rapport van prof. dr. Richartz terecht heeft besloten dat een verband in overwegende mate in het geval van appellante niet aannemelijk is geworden.
1.5. In mei 2008 heeft appellante zich weer tot verweerster gewend met een verzoek haar met de vervolgde gelijk te stellen. Gegeven de sluiting van de Wet voor de naoorlogse generatie per 15 juli 1994, heeft verweerster dit verzoek in behandeling genomen als een verzoek om herziening van het door haar eerder genomen besluit. Verweerster heeft het herzieningsverzoek afgewezen bij besluit van 31 juli 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat aan de eerdere afwijzing geen aperte, verweerster verwijtbare, fouten ten grondslag hebben gelegen.
2. De Raad overweegt als volgt.
2.1. Allereerst stelt de Raad vast dat bij wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 519 (in werking getreden op 15 juli 1994) artikel 3, tweede lid, van de Wet ingrijpend is gewijzigd. Op grond van dit gewijzigde artikel 3, tweede lid, van de Wet kunnen uitsluitend nog met de vervolgde worden gelijkgesteld personen, die tijdens de oorlogsjaren in omstandigheden verkeerden, die met vervolging in de zin van de Wet overeenkomst vertonen. Appellante is na de oorlog geboren en behoort daarom niet tot die groep van personen.
2.2. Deze wetswijziging staat er niet aan in de weg dat verweerster aanvragen van na de oorlog geborenen, die op of na 15 juli 1994 worden ingediend en ertoe strekken voordien genomen besluiten tot afwijzing van een verzoek om gelijkstelling te herzien, in behan-deling neemt en op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet beoordeelt. Verweerster heeft ten aanzien van dergelijke verzoeken om herziening een vaste gedragslijn ontwik-keld die inhoudt dat, gegeven de sluiting van de Wet voor de tweede generatie, alleen dan aanleiding bestaat om tot herziening over te gaan als er bij het besluit waarvan herziening wordt verzocht, een aperte, verweerster verwijtbare, fout is gemaakt. De Raad heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat dit beleid het gegeven wettelijke kader niet te buiten gaat of onredelijk is.
2.3. De Raad kan verweerster volgen in het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt dat in het geval van appellante van een aperte, verweerster verwijtbare, fout geen sprake is.
2.3.1. Appellante heeft bij haar herzieningsverzoek een rapport van 16 augustus 1998 van Th.J.G. Dekkers ingebracht. De Raad heeft echter in zijn uitspraak van 29 november 2001 al overwogendat hij in het licht van de aanwezige medisch-specialistische gegevens aan dat rapport van Dekkers niet het gewicht kan hechten dat appellante er aan heeft toegekend.
2.3.2. Ook aan het door appellante in beroep ingezonden rapport van 19 augustus 2009 van psychiater K. Hohmann kan de Raad niet ontlenen dat bij de eerdere beoordeling door verweerster, waaraan een uitgebreid medisch onderzoek van appellante ten grond-slag lag, aperte en verwijtbare fouten zijn gemaakt. De omstandigheid dat Hohmann over de oorzaak van appellantes huidige psychische klachten een andere visie heeft, is voor een zodanige, vergaande conclusie ontoereikend.
2.3.3. Het feit dat aan twee broers en twee zussen van appellante een uitkering op grond van de Wet is verstrekt, vormt evenmin aanleiding om aan te nemen dat verweerster ten aanzien van appellante een aperte, verwijtbare, fout heeft gemaakt. Uit het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat prof. dr. Richartz ook ten aanzien van deze familie-leden heeft geadviseerd. Kennelijk hebben de (conclusies) in die adviezen anders geluid dan ten aanzien van appellante. Los daarvan, blijft de te beantwoorden vraag of verweerster, gelet op de voorhanden zijnde (medische) gegevens ten tijde van het nemen van haar eerdere besluit een aperte, verwijtbare, fout tegenover appellante heeft gemaakt. De beantwoording van die vraag staat los van de besluitvorming ten aanzien van appellantes broers en zussen.
2.3.4. Ten slotte heeft appellante ter onderbouwing van haar herzieningsverzoek aange-voerd dat verweerster bij besluit van 13 juli 2001 aan haar een vergoeding van de kosten van behandeling door een psycholoog heeft toegekend, omdat de oorlogservaringen van haar ouders van zodanige invloed op de opvoeding van appellante zijn geweest dat haar klachten met een grote mate van waarschijnlijkheid met die oorlogservaringen in verband staan. Hieruit leidt appellante af dat verweerster kennelijk zelf op basis van voort-schrijdend inzicht tot de conclusie is gekomen dat haar besluit van 28februari 1995 onjuist was. Verweerster heeft hiertegenover gesteld dat volgens de aan het besluit van 13 juli 2001 ten grondslag liggende ‘Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie’ andere beoordelingscriteria gelden. De Raad kan verweerster hierin niet volgen. Toch kan de grief van appellante niet tot het door haar gewenste gevolg leiden. Gelet op de voorhanden zijnde gegevens ten tijde van het nemen van het eerdere besluit kan immers niet gezegd worden dat verweerster toentertijd een aperte, verwijtbare, fout heeft gemaakt.
3. Gezien het vorenstaande kan niet worden gezegd dat het bestreden besluit de door de Raad te hanteren terughoudende toets niet kan doorstaan. Voor vernietiging van dat besluit bestaat daarom geen grond.
4. Dit betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. Lammerse.
HD
