Uitspraak
09/3393 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 februari 1991, 1989/532, op het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van het Ambtenarengerecht te Utrecht van 31 mei 1989, 1988/318.
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)
Datum uitspraak: 18 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de Raad van 7 februari 1991.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het verzoek om herziening is aan de orde gesteld ter zitting van 25 februari 2010. Verzoeker en de minister hebben laten weten niet te zullen verschijnen.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
1.1. Bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd heeft de Raad in de door verzoeker aangedragen argumenten geen grond kunnen vinden voor het oordeel dat verzoekers uitkering op onjuiste wijze is vastgesteld. Daartoe heeft de Raad overwogen dat artikel 4, vierde lid, van de Tijdelijke rechtspositieregeling taakverdeling w.o. (hierna: TVC-regeling) zoals die regeling aanvankelijk luidde, de TVC-uitkering vaststelt op een bepaald percentage van de “laatstelijk genoten wedde”, welk begrip, in verband met de vervanging van het BBRA 1948 door het BBRA 1984, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1984 isvervangen door het begrip “bezoldiging”. Verder heeft de Raad overwogen dat het feit dat de TVC-regeling niet 100% waterdicht is geformuleerd niet kan wegnemen dat er, gezien de opzet en de strekking van de TVC-regeling, geen enkele twijfel over kan bestaan dat was beoogd voor de TVC-uitkering dezelfde berekenings-basis te kiezen als voor een wachtgeld ingevolge het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb 1959). Artikel 4, vierde lid, van de TVC-regeling verwijst derhalve niet naar het begrip bezoldiging in dezin van het BBRA 1984, doch naar hetgeen daaronder voor de toepassing van het Rwb 1959 wordt verstaan, en daartoe behoort krachtens de expliciete uitzondering genoemd in artikel 4, tweede lid, van het Rwb 1959 niet de waarnemings-toelage bedoeld in artikel 14 BBRA 1984.
2. Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om herziening van de uitspraak van 7 februari 1991 als nieuw feit ingebracht een brief van 25 oktober 1985 van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, gericht aan de leden van de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken.
3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of sprake is van door verzoeker aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb . De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad stelt vast dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid betreft als hiervoor bedoeld. De door verzoeker ingebrachte brief van 25 oktober 1985 is destijds opgesteld in het kader van het ontwerp-besluit, waarin (ook) wijziging werd gebracht in de TVC-regeling, dat uiteindelijk heeft geleid tot het koninklijk besluit van 28 augustus 1986, Stb. 1986, 488. De passage in de brief van 25 oktober 1985 waar verzoeker op doelt kon, mede gezien het gestelde in de nota van toelichting bij dit koninklijk besluit, vóór de uitspraak van 7 februari 1991 redelijkerwijs bij verzoeker bekend zijn en is reeds om die reden niet als nieuw feit aan te merken.
4.2. Verzoeker heeft voorts in zijn verzoek- ten betoge dat de uitspraak waarvan hij herziening vraagt onjuist is - deels eerder aangevoerde argumenten herhaald en deels nieuwe juridische argumenten aangevoerd. Volgens vaste rechtspraak is het bijzondere middel van herziening echter niet gegeven om - eventueel op basis van andere argumenten - een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Daarom zal de Raad, nu en in de toekomst, niet kunnen voldoen aan dewens van verzoeker zich uit te laten over de juistheid van de onder 1.1 weergegeven overwegingen in die uitspraak.
5. Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijke uitspraak. Het verzoek om herziening wordt dan ook afgewezen.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) M. Lammerse.
HD
