Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 . Voor beantwoording van de vraag of een verdachte schuld heeft gehad aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Verdachte heeft nadat hij een flauwe bocht was doorgereden de controle over de auto verloren. Hij is met het rechterachterwiel in de rechts van de weg gelegen berm terechtgekomen. De auto is geslipt, doorgeschoten en tegen bomen gebotst. Als gevolg van het ongeval is een inzittende overleden en heeft een inzittende zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Verdachte reed voorafgaande aan het ongeval met hoge snelheid, in elk geval met een snelheid die hoger lag dan de ter plaatste toegestane maximumsnelheid. Het hof is van oordeel dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen. Het hof neemt de landelijk geldende oriëntatiepunten als uitgangspunt, maar ziet aanleiding hiervan af te wijken. Veroordeeld tot een werkstraf van de maximale duur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegheid.

Uitspraak



Parketnummer: 24-002643-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-830133-09

Arrest van 26 maart 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 16 oktober 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

volgens eigen opgave ter zitting: wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. E.P. Eujen, advocaat te Zuidwolde (Dr.).

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en dat het hof aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid zal opleggen voor de duur van een jaar. De advocaat-generaal heeft subsidiair gevorderd - in het geval het hof overweegt aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen - aan verdachte een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis op te leggen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 15 juni 2008, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (merk: BMW, althans een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg [straat 1], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met de door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge snelheid, in elk geval met een snelheid die hoger lag dan de ter plaatse toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, genoemde weg te berijden en/of (vervolgens) in de rechterberm te gaan rijden, waarna verdachte met de door hem bestuurde auto tegen meerdere naast de weg staande bomen is gebotst, tengevolge waarvan een inzittende van genoemde auto, te weten [slachtoffer 1] werd gedood en/of een inzittende van de auto, te weten [slachtoffer 2] zwaar werd gewond;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 15 juni 2008, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig (personenauto (merk: BMW)), daarmee rijdende op de weg, [straat 1], met hoge snelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en (vervolgens) in de rechterberm is gaan rijden, althans van de rijbaan is geraakt en/of (vervolgens) tegen meerdere naast de weg staande bomen is gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd - kort samengevat en zakelijk weergegeven - dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval. Een enkele verkeersovertreding - in casu een relatief beperkte snelheidsovertreding - is niet voldoende om te komen tot het bewijs van het primair ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Voor de beantwoording van de vraag of een verdachte schuld heeft gehad aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte was nog maar drie maanden in het bezit van een rijbewijs toen hij op 15 juni 2008 samen met zijn vrienden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar een keet in de buurt van [pplaats 2] reed. Daar heeft verdachte - naar eigen zeggen - twee flesjes bier gedronken. Ongeveer een half uur na het drinken van het tweede flesje bier is verdachte samen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in zijn auto - een zwarte BMW - gestapt. Verdachte bestuurde de BMW. Met [betrokkene 1], een klasgenoot, was afgesproken om naar een andere keet in [plaats 3] te gaan. [betrokkene] reed als eerste weg in zijn Fiat Panda, met als passagiers de broers [betrokkene 2] en [betrokkene 4]. Kort na vertrek heeft [betrokkene] verdachte voorbij laten rijden, omdat verdachte de weg kende. Zowel [betrokkene] ("De BMW reed hard, wel boven de 100 kilometer per uur. Ik denk dat ik op het moment van de botsing ongeveer 500 meter achter de BMW reed") als [betrokkene 2] ("Ik denk dat we zo'n 100 kilometer per uur reden. De afstand tussen ons en de BMW was ongeveer 500 meter") als [betrokkene 4] ("De BMW reed snel en wij volgden") heeft bij de politie verklaard dat verdachte daarna hard reed. Beide auto's hebben onderweg nog een auto ingehaald.

Uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 27 maart 2009 en het proces-verbaal van bevindingen ter zake aanrijding d.d. 2 mei 2009, alsook het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 19 april 2009 blijkt voorts het volgende. Verdachte heeft kort nadat hij een flauwe bocht naar links was doorgereden de controle over de door hem bestuurde personenauto verloren. Op een recht stuk weg is hij met het rechterachterwiel in de rechts van de weg gelegen berm terechtgekomen, waarna de auto is geslipt en doorgeschoten naar de linkerberm. Vervolgens is de BMW achtereenvolgens tegen twee in de linkerberm staande bomen gebotst om daarna al roterend weer terug de weg over te steken en uiteindelijk tot stilstand te komen tegen een boom in de rechterberm.

Het ongeval heeft plaatsgevonden ongeveer 200 meter na de flauwe bocht naar links.

De rijbaan, met aan weerszijden bomen, heeft ter plaatse een breedte van ongeveer 7.0 meter en de toegestane maximumsnelheid bedroeg 80 km/uur. Als gevolg van het ongeval is [slachtoffer 1] overleden en heeft [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting van de rechtbank en het hof verklaard dat hij zich bijna niets meer kan herinneren van het ongeval en de toedracht. Hij weet alleen nog dat hij flink aan het sturen was en dat dit mogelijk in een bocht was.

Met betrekking tot de snelheid waarmee verdachte heeft gereden acht het hof nog van belang dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de afstand van het vertrekpunt tot de plaats van het ongeval zo'n 3 à 4 km bedroeg. In aanmerking genomen de omstandigheid dat de door verdachte bestuurde BMW op het moment van het ongeval zo'n 500 meter was uitgelopen op de door [betrokkene] bestuurde Fiat Panda, is er naar het oordeel van het hof voldoende bewijs voor de stelling dat verdachte ter plaatse harder heeft gereden dan de toegestane 80 km/uur. De hiervoor genoemde getuigenverklaringen geven zelfs aanleiding om te veronderstellen dat die snelheid 100 km/uur of hoger is geweest. Steun daarvoor is ook te vinden in de snelheidsanalyse die door het NFI is uitgevoerd (Monte Carlo analyse) met als conclusie dat de snelheid van de BMW bij aanvang van de aangetroffen spoortekening tenminste 93 km/uur en ten hoogste 127 km/uur bedroeg.

Het hof acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorafgaande aan het ongeval met hoge snelheid heeft gereden, in elk geval met een snelheid die hoger lag dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 80 km/uur.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen en dat wettig en overtuigend bewezen is dat het in de tenlastelegging omschreven ongeval aan zijn schuld, in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , te wijten is.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 juni 2008, in de gemeente [gemeente], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto merk: BMW, daarmede rijdende over de weg [straat 1], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig, met de door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge snelheid, in elk geval met een snelheid die hoger lag dan de ter plaatse toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, genoemde weg te berijden en vervolgens in de rechterberm te gaan rijden, waarna verdachte met de door hem bestuurde auto tegen meerdere naast de weg staande bomen is gebotst, tengevolge waarvan een inzittende van genoemde auto, te weten [slachtoffer 1] werd gedood en een inzittende van de auto, te weten [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Op 15 juni 2008 heeft verdachte een ernstig eenzijdig verkeersongeval veroorzaakt. De door verdachte bestuurde auto is met een te hoge snelheid in de rechterberm terechtgekomen. Hij is doorgeschoten tegen een boom links van de weg, raakte hier nog twee bomen en schoot daarna door tegen een boom rechts van de weg. Zijn vriend, inzittende [slachtoffer 1], is ten gevolge van deze aanrijding om het leven gekomen. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel bekomen.

Verdachte - een beginnende bestuurder - reed met te hoge snelheid over een vrij smalle weg met aan weerszijden bomen. Voorafgaande aan het ongeval had verdachte bier gedronken. Om 23:10 uur - ruim drie uur na het ongeval - heeft verdachte zijn medewerking verleend aan een bloedonderzoek. Het resultaat van de analyse bedroeg op dat moment 0.06 milligram alcohol per milliliter bloed. Daarnaast droegen de passagiers (zeer waarschijnlijk) geen autogordel. Verdachte is - daargelaten de eigen verantwoordelijkheid van de passagiers - als bestuurder verantwoordelijk voor de wijze waarop passagiers in de auto worden vervoerd. Het hof rekent verdachte het naar voren komende gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel aan, temeer nu verdachte ter zitting van het hof heeft aangegeven dit nog steeds niet als verantwoordelijkheid van de bestuurder te beschouwen.

Het is aan verdachtes schuld te wijten dat aan het leven van de nog maar 18-jarige [slachtoffer 1] zo abrupt een einde is gekomen. Daarmee heeft verdachte de nabestaanden onherstelbaar leed berokkend. Daarnaast is aan verdachtes schuld te wijten dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Het ongeval heeft voor [slachtoffer 2] en zijn familie ernstige gevolgen gehad. Het hof heeft kennis genomen van de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] d.d. 1 maart 2010, waarin de gevolgen van het ongeval zijn beschreven. Uit deze verklaring blijkt dat hij nog dagelijks wordt geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. Voor zijn werk is hij volledig afgekeurd. Zijn toekomstplannen heeft hij fors moeten bijstellen.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justiti?le documentatie d.d. 22 januari 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten. Het hof houdt voorts rekening met een omtrent verdachte opgemaakt reclasseringsrapport van 10 augustus 2009.

Het hof neemt ten aanzien van de strafmaat de landelijk geldende oriëntatiepunten als uitgangspunt. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de oriëntatiepunten uitgaan van een verkeersongeval met één slachtoffer. Voor de onderhavige situatie is gelet op de oriëntatiepunten - waarbij het hof uitgaat van een aanmerkelijke verkeersfout - een gevangenisstraf, alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid in beginsel een passende bestraffing.

Het hof ziet echter aanleiding van de oriëntatiepunten af te wijken. Uit voormeld voorlichtingsrapport, alsmede het verhandelde ter terechtzitting van het hof, is gebleken dat verdachte gebukt gaat onder hetgeen gebeurd is. Verdachte kende de slachtoffers en heeft direct contact gezocht met de (direct) betrokkenen om zijn spijt te betuigen. Voorts heeft verdachte zelf ook ernstige (lichamelijke) gevolgen van het gebeurde ondervonden. Deze omstandigheden weegt het hof mee in de straftoemeting.

Het hof ziet in het bovenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - aanleiding om aan verdachte een werkstraf van de maximale duur op te leggen. Daarnaast dient in verband met het gevaarzettende gedrag van verdachte op de weg, alsmede uit het oogpunt van verkeersveiligheid aan verdachte een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van langere duur te worden opgelegd. De door de advocaat-generaal gevorderde en door de rechtbank opgelegde straffen doen onvoldoende recht aan de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Gelet op de ernst van de feiten ziet het hof in de door en namens verdachte gestelde omstandigheid dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn recent gestarte onderneming geen aanleiding om verdachte naast een werkstraf alleen een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 , zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van achttien maanden.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Lam?ris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. H. Heins en mr. P.W.M. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. P.W.M. Huisman buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature