Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Omvang geding: Het oordeel van de rechtbank dat bij het bestreden besluit niet is beslist op het bezwaar van appellante tegen het herzieningsbesluit is onjuist. Gezien nadere standpunt van het Uwv komt het besluit voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij het boetebesluit is gehandhaafd. Het Uwv heeft de reistijd, die appellante per dag(deel) dat zij werkte bij de werkgever kon opvoeren, terecht aangemerkt als gewerkte uren. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellante over de reisuren haar normale uurloon ontving en dat de werkgever daarnaast ook nog een reiskostenvergoeding aan haar betaalde.

Uitspraak



09/274 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 4 december 2008, 08/384 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.A. van den Berg, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Beide partijen zijn opgeroepen om ter zitting te verschijnen. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.Z. Groenenberg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is met ingang van 1 januari 2007 op basis van een zogenoemde nulurenovereenkomst voor de duur van een jaar in dienst getreden van de [naam werkgever] te Terneuzen (hierna: werkgever). Appellante werd betaald op basis van de feitelijk door haar gewerkte uren. Deze werden door de werkgever bijgehouden in urenstaten, welke door appellante voor juist werden geparafeerd. In artikel 7 van de overeenkomst met de werkgever, waarin de salari ëring was geregeld, was onder meer bepaald dat appellante per dag(deel) dat zij werkte twee keer een half uur reistijd als werktijd kon opvoeren. Appellante kreeg die reistijd betaald als werktijd. Daarnaast ontving appellante maandelijks een vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren en een reiskostenvergoeding. Omdat appellante op 1 januari 2007 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving heeft zij aan het Uwv opgave gedaan van de door haar gewerkte uren. Deze zijn door het Uwv in mindering gebracht op de WW-uitkering van appellante. In de loop van 2007 is het Uwv gebleken dat appellante op de werkbriefjes slechts de feitelijk door haar gewerkte uren heeft opgegeven, maar niet de reistijd en de niet-genoten vakantie-uren.

1.2. Na informatie te hebben ingewonnen bij de werkgever heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2007 de WW-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2007 herzien (hierna: het herzieningsbesluit), omdat naar zijn mening ook de reisuren en de niet-genoten vakantie-uren moeten worden beschouwd als gewerkte uren. Verder heeft het Uwv bij besluit van 20 december 2007 een bedrag van € 1.024,75 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering in de periode van 1 januari 2007 tot en met 11 november 2007 van appellante teruggevorderd (hierna: het terugvorderingsbesluit) en bij besluit van 9 januari 2008 heeft het Uwv aan appellante een boete opgelegd van € 110,- (hierna: het boetebesluit). Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Het Uwv heeft bij besluit van 20 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog in de aangevallen uitspraak dat het bestreden besluit naar inhoud niet de herziening betrof, maar uitsluitend de terugvordering en de boete. Hieraan verbond de rechtbank de gevolgtrekking dat het herzieningsbesluit geen onderwerp van geschil was en zij heeft de tegen het herzieningsbesluit aangevoerde gronden reeds daarom verworpen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het terugvorderingsbesluit en het boetebesluit in stand konden blijven.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank het geschil te beperkt heeft opgevat en ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over het herzieningsbesluit. Verder heeft zij naar voren gebracht dat zij de door haar gewerkte uren naar waarheid heeft opgegeven en dat de werkbriefjes voor een situatie als de hare onvoldoende duidelijk zijn. Ter zitting van de Raad heeft appellante, nadat het Uwv te kennen had gegeven het boetebesluit niet langer te handhaven, aangegeven haar hoger beroep te beperken tot de vraag of het Uwv de reisuren terecht heeft aangemerkt als gewerkte uren en terecht in mindering heeft gebracht op haar WW-recht. Appellante is van opvatting dat de vergoeding voor twee keer een half uur reistijd per dag(deel) dat zij werkte niet kan worden aangemerkt als vergoeding voor gewerkte uren, omdat zij tijdens die uren beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Appellante heeft verder gewezen op een brief van het Uwv aan haar van 22 januari 2010, waarin het Uwv met betrekking tot een andere periode heeft aangegeven dat de betaling die appellante krijgt voor reistijd wordt beschouwd als reiskostenvergoeding en om die reden niet tot een korting op haar WW-uitkering leidt.

3.2. Het Uwv heeft ten aanzien van de reistijd volhard in zijn standpunt dat deze moet worden gezien als werktijd. Voor zover in de brief van 22 januari 2010 iets anders staat is dat onjuist, aldus het Uwv. Het Uwv is, zo is ter zitting van de Raad medegedeeld, bij nader inzien van mening dat appellante geen verwijt treft van het niet-nakomen van haar inlichtingenverplichting, zodat het boetebesluit niet wordt gehandhaafd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het oordeel van de rechtbank dat bij het bestreden besluit niet is beslist op het bezwaar van appellante tegen het herzieningsbesluit is onjuist. Uit de verwijzing in het bestreden besluit naar het besluit van 13 december 2007 en het daartegen gerichte bezwaarschrift van appellante van 15 januari 2008, alsmede uit de tekst op bladzijde 2 van het bestreden besluit, onder meer bevattende een weergave van artikel 22a van de WW (betrekking hebbend op de herziening van een uitkering) en het daarbij gevoerde beleid en de conclusie dat appellante over de periode van 1 januari 2007 tot en met 11 november 2007 geen recht had op een volledige WW-uitkering, blijkt dat het Uwv bij het bestreden besluit ook het herzieningsbesluit heeft heroverwogen. Dat het vetgedrukte kopje op bladzijde 2 van het bestreden besluit en het dictum op bladzijde 4 van dat besluit geen melding maken van het herzieningsbesluit is hooguit een omissie die overigens niet afdoet aan de kenbare heroverweging daarvan. Dit leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak wegens strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd.

5.1. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad thans het bestreden besluit beoordelen. Daarbij stelt de Raad voorop dat dit besluit reeds gezien het in 3.2 weergegeven nadere standpunt van het Uwv voor vernietiging in aanmerking komt voor zover daarbij het boetebesluit is gehandhaafd.

5.2. Met betrekking tot het herzieningsbesluit overweegt de Raad dat het Uwv de reistijd die appellante per dag(deel) dat zij werkte bij de werkgever kon opvoeren terecht heeft aangemerkt als gewerkte uren. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellante over de reisuren haar normale uurloon ontving en dat de werkgever daarnaast ook nog een reiskostenvergoeding aan haar betaalde. Of zij gedurende die reisuren al dan niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt, is irrelevant nu immers die uren waarin zij geen werkzaamheden voor de werkgever verrichtte maar daarvoor wel loon ontving ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a van de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren , met arbeidsuren zijn gelijkgesteld. Gelet hierop komt de Raad tot het oordeel dat het Uwv terecht het standpunt heeft ingenomen dat de reisuren in mindering moesten worden gebracht op het WW-recht van appellante. De hieruit voortvloeiende korting op de WW-uitkering van appellante van één uur per gewerkte dag of gewerkt dagdeel is daarom juist. Aan de brief van het Uwv aan appellante van 22 januari 2010 gaat de Raad voorbij, nu die brief geen betrekking heeft op de thans aan de orde zijnde periode.

5.3. Appellante heeft tegen het terugvorderingsbesluit geen afzonderlijke grieven aangevoerd. De Raad is niet gebleken dat het terugvorderingsbesluit onjuist is.

5.4. Het vorenstaande brengt met zich dat het beroep tegen het bij het bestreden besluit gehandhaafde herzieningsbesluit en terugvorderingsbesluit ongegrond moet worden verklaard.

6. Nu de aangevallen uitspraak geheel en het bestreden besluit gedeeltelijk wordt vernietigd bestaat aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 644,- + € 31,07 aan kosten van rechtsbijstand en reiskosten in hoger beroep, totaal € 1.319,07.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 maart 2008 gegrond voor zover daarbij het boetebesluit van 9 januari 2008 is gehandhaafd en vernietigt dat besluit in zoverre;

Herroept het besluit van 9 januari 2008;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 maart 2008 voor het overige ongegrond;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.319,07;

Bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van € 146,- (€ 39,- +

€ 107,-) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) P. Boer.

IM


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature