Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Artikel 308 Wetboek van Strafrecht. Gevan genisstraf.

Uitspraak



RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670071-09 (promis)

datum uitspraak: 1 maart 2010

op tegenspraak

raadsman: mr. E. van der Meer

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[naam.verdachte],

geboren te [geboorteplaats.verdachte] op [geboortedatum.verdachte],

wonende aan [adres.verdachte], [woonplaats.verdachte].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 september 2009 en 15 februari 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 september 2008 te [plaats], gemeente De Marne,

grovelijk, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig

zijn minderjarige zoon opdracht heeft gegeven om, en/of zijn minderjarige zoon heeft toegestaan om, in het (schemer)donker, een

onverlichte tractor met daarachter een onverlichte mestkar (waarvan de scherpe

delen onafgeschermd waren) te verplaatsen,

op grond waarvan zijn zoon deze onverlichte tractor met daarachter een

onverlichte mestkar (half) op een onverlichte rijweg heeft

neergezet/geparkeerd, dan wel dat hij zelf in het schemerdonker een onverlichte tractor met daarachter een onverlichte mestkar (waarvan scherpe delen onafgeschermd waren) heeft verplaatst en/of deze onverlichte tractor met daarachter een onverlichte mestkar half, dan wel deels op een onverlichte rijweg heeft heengezet.

ten gevolge waarvan de bestuurder van een bromfiets op de rijweg (te weten [slachtoffer]) die tractor met mestkar niet, althans onvoldoende, heeft

kunnen zien en (in volle vaart) tegen de achterkant van die mestkar is

aangebotst

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar

lichamelijk letsel, te weten inwendige bloedingen, gapende borstwonden,

beschadigde linkerlong, verwijdering tweederde van de rechterlong, meerdere

gebroken ribben, gebroken bovenbeen, gebroken bovenarm, gebroken sleutelbeen,

gebroken bovenkaak, gebroken neus, gebroken jukbeenderen en blindheid, heeft

bekomen;

art 308 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte heeft toegestaan dat zijn zoon de tractor met mestwagen (in de staat waarin deze zich bevonden) te verplaatsen in het donker op een openbare weg.

De gevolgen waren voorzienbaar, verdachte is aanmerkelijk onvoorzichtig geweest.

De officier van justitie baseert dit op de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], het proces-verbaal van bevindingen op pagina 24 omtrent het letsel en de verkeersongevallenanalyse.

De officier van justitie stelt dat verdachte niet de waarheid spreekt. Ook in het geval de lezing van verdachte zou worden gevolgd is het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Standpunt verdediging

De raadsman voert aan dat het enige bewijs de verklaring is van [getuige 1]. Zijn verklaring bij de rechter-commissaris was een volwassen verklaring, waaruit blijkt dat na het ongeval de tractor met mestwagen door onder andere hem is verplaatst. Ten aanzien van [getuige 3] stelt de raadsman dat hij wel wat heeft gehoord, maar niets heeft kunnen zien. De geluiden die hij heeft gehoord, worden door hem geïnterpreteerd. De verklaring over het verplaatsen van de tractor is geen eigen waarneming.

De verklaring van [getuige 2] bevat tegenstrijdige informatie in relatie tot de andere verklaringen. [Getuige 2] ziet twee jongens op een vrij nieuwe tractor, terwijl vaststaat dat de onderhavige tractor een oude betrof.

Concluderend stelt de raadsman dat verdachte heeft gereden. Ten aanzien van de schuld betreft het een optelsom van overtredingen, te weten onverlicht zijn, onbeschermde delen en het schemerdonker worden. Er bestaat causaal verband tussen het zwaar lichamelijk letsel en de mate van schuld.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

A)

Een proces-verbaal van verhoor [getuige 3] nummer PL01MD/08-123244 d.d. 28 september 2008, opgenomen op pagina’s 19 van dossier nummer PL01MC/08-007482 d.d. 21 november 2008, verder te noemen “het dossier”, inhoudende:

Ik denk dat ik om 20.05 uur bij [verdachte] was aangekomen. Ik had toen de verlichting van de tractor aan.

Op dat moment was het al schemerig.

Ik herinner me dat ik in de tijd dat [verdachte] en ik bij de tractor stonden ik een knetterend geluid heb gehoord en daarna een knal.

Ik liep toen om de tractor heen en zag toen iets op de weg liggen. Ik heb het licht van de koplampen hierop laten schijnen.

[Verdachte] heeft tegen mij gezegd: “Ik zat op de tractor. Zeg je dat?”

[Verdachte] bleef maar zeggen: “Ik zat op de tractor. Ik zat op die tractor”.

B)

Een proces-verbaal van verhoor [getuige 3] nummer PL01MC/08-123244 d.d. 2 oktober 2008, opgenomen op pagina’s 20 van het onder A genoemde dossier, inhoudende:

Ik besefte mij later toen ik het [slachtoffer] wilde bijschijnen met de verlichting van mijn trekker, dat ik verderop iets donkers zag wegrijden. Dat zou dus de bewuste trekker met mestwagen geweest kunnen zijn. Ik weet zeker dat verdachte daar toen niet op reed, omdat hij toen bij het [slachtoffer] was.

C)

Een proces-verbaal van verhoor [getuige 1] nummer PL01MC/08-123244 d.d. 3 maart 2009, opgenomen op pagina 13 tot en met 17 van dossier nummer PL008-007482 d.d. 19 mei 2009, verder te noemen “het dossier”, inhoudende:

Op de dag van het ongeval was ik buiten met [zoon van verdachte]. [Verdachte] was op het terrein bezig. Hij vroeg aan mij en [zoon van verdachte] of wij een mestkar die in de berm stond, ter hoogte van de woning aan de overzijde van rijbaan wilden verplaatsen. Dit is een wat oudere mestverspreider.

Ik en [zoon van verdachte] duwden de tractor, een oude Case, met de kleur bruin/rood, van de wagen waardoor deze aanging. [Zoon van verdachte] stapte toen achter het stuur van de Case en we reden naar de mestverspreider. Ik zat bij [zoon van verdachte] in de cabine van de tractor. [Verdachte] gaat op dat moment wat anders doen, maar ik weet niet meer wat.

De combinatie waarin ik en [zoon van verdachte] op dat moment zaten stond in zijn geheel op de rijbaan. Op dat moment had zowel de tractor als de mestverspreider totaal geen verlichting aan. Ik heb [verdachte] op dat moment gezien bij de kulverbak met die andere getuige 3.

Ik zag dat een brommer ons met volle snelheid naderde en ik zag vervolgens dat hij op de linkerkant van de mestverspreider botste.

We troffen toen we nog buiten waren op dat moment [verdachte] welke naar ons toe kwam en ik hoorde dat hij zei: “Als er naar gevraagd gaat worden dan zeggen jullie gewoon dat je kalver stallen aan het uitmesten bent en ik zeg dat ik op de tractor met mestverspreider heb gereden ten tijde van de aanrijding.”

D)

Een proces-verbaal van verhoor [getuige 1], nummer PL01MC/08123244 d.d. 30 maart 2009, opgenomen op pagina 25 tot en met 29 van het onder C genoemde dossier, inhoudende:

Ik hoorde pas veel later dat [verdachte] niet tegen de politie had verteld dat [zoon van verdachte] en ik op de betreffende tractor zaten waar de mestwagen achter gekoppeld was op het moment dat het [slachtoffer] er tegen aan reed met zijn brommer.

Zo is het gegaan. Ik wil niet liegen en daarom heb ik dit ook aan de politie verteld.

Ik hoorde dat [verdachte] aan ons vroeg of wij een mestverspreider wilden gaan verplaatsen.

[Verdachte] stapte vervolgens van de tractor af en ik zag dat [zoon van verdachte] plaatsnam achter het stuur van voornoemde tractor.

De tractor voerde op dat moment geen licht. Alles aan de tractor was kapot en er zat geen achterraam in en geen deuren.

[Zoon van verdachte] stapte van de tractor af en we hebben samen de mestverspreider achter de tractor gekoppeld. De mestverspreider had in het geheel geen verlichting en er zaten ook geen stekkers aan.

E)

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] als afgenomen door de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Groningen op 3 december 2009, waaruit, als verklaring van getuige 2, zakelijk weergegeven, het volgende:

Ik fietste daar tegen 20.00 uur langs. Ter hoogte van de schuur van [verdachte] stond een witte auto. [Verdachte] stond daar met iemand te praten. Van de andere kant kwam een trekker met een mestwagen aangereden. Ik was hierdoor op mijn hoede. Er staan daar vaker landbouwvoertuigen op de weg en ook steken daar vaker plotseling landbouwvoertuigen de weg over. Dit kan gevaarlijke situaties veroorzaken. Op de tractor zaten twee kinderen. Zij stopten waardoor ik de gelegenheid kreeg om door te fietsen. Zij moesten ook stoppen omdat het witte busje aan hun kant van de weg stond. Ik ben toen doorgefietst, waarna die tractor om het busje heenreed. Vervolgens hebben zij de tractor aan de kant van de weg gezet. Dit heb ik zelf gezien. Ik heb nog achterom gekeken om te kijken of ze om het busje heenreden. Ik zag toen dat de tractor werd geparkeerd en dat een van de jongens die erop zat, afstapte.

Ik weet alleen dat het kinderen waren. Ik zag dat het geen volwassenen waren. Ik denk een jaar of 13, maar het kan ook 12 of 14 geweest zijn.

F)

Een proces-verbaal van relaas nummer PL01MC/08-007482 d.d. 21 november 2008, opgenomen op pagina’s 3 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Wij zagen direct dat de persoon zeer zwaar gewond was. Wij zagen dat overal bloed lag en dat zijn gehele gezicht gehavend was. Wij zagen dat zijn aangezicht onder het bloed zat en als het ware was weggeslagen. Wij zagen dat zijn mond geheel uitgescheurd was en dat zijn neus niet meer te zien was. Wij hoorden dat de persoon rochelend ademhaalde. Wij zagen ook dat ter hoogte van zijn borst een aantal gaten in zijn bovenkleding zat.

G)

Een proces-verbaal van bevindingen nummer PL01MC/08-123244 d.d. 20 maart 2009, opgenomen op pagina 24 van het onder D genoemde dossier, inhoudende:

Tevens werd ons verteld dat de wonden op de borst nog steeds bestaan en behandeld worden. Ook heeft hij een wond aan zijn rechterbovenbeen waar men huid heeft weggehaald om hiermee te trachten de borstkas te dichten. Er werd ook verteld dat er enkele ribben, naast een groot deel van de rechterlong, zijn verwijderd. Nogmaals werd benadrukt dat zijn blindheid een permanent karakter heeft.

H)

Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse nummer 27.09.2008.21.05.0214 d.d. 10 maart 2009, met bijlagen, onder meer inhoudende zakelijk weergegeven:

De aanhangwagen was niet voorzien van de vereiste driehoekige rode reflectoren aan de achterzijde. De aanhangwagen voldeed niet aan het gestelde in artikel 5.14. 51 onder e in verband met artikel 5.1.1 lid 1 en 2 van het Voertuigreglement .

De aanhangwagen voerde niet de vereiste verlichting. De verlichting was namelijk wel aanwezig, maar kon niet werken omdat deze niet op een voedingsbron, de contactdoos achter de landbouwtrekker, was aangesloten. Dit is een overtreding van artikel 38 dan wel 39 van het RVV 1990 en artikel 5.1.1 lid 1 in verband met artikel 5.14.51 onder a en c van het Voertuigreglement .

De aanhangwagen en/of de landbouwtrekker waren niet voorzien van de vereiste reflectie in de zin van een afgeknotte driehoek. De aanhangwagen voldeed hierdoor niet aan het gestelde in artikel 5.14.51 onder i van het Voertuigreglement .

De aanhangwagen had aan de achterzijde scherpe delen welke zich minder dan 2 meter boven het wegdek bevonden en niet waren afgeschermd. De aanhangwagen voldeed hierdoor niet aan het gestelde in artikel 5.14.48 lid 1 en 2 van het Voertuigreglement .

Op het moment van de aanrijding was de lichtgesteldheid: nacht (tijdstip ca. 20.10u.; tijdstip zonsondergang 19.26u.). Er was geen straatverlichting.

Gesteld kan worden dat de bestuurder van de bromfiets in ieder geval aan de voorzijde van zijn voertuig de vereiste verlichting voerde.

Bovendien was de mestverspreider aan de achterzijde zwaar met mest bevuild, waardoor deze ook totaal niet kon opvallen in de vrijwel totaal duistere omgeving. Er kan vrijwel met zekerheid worden gesteld dat als de aanhanger aan alle eisen voldaan had, de vereiste verlichting had gevoerd en schoon was geweest dat deze aanrijding niet had plaatsgevonden.

De bestuurder van de bromfiets liep bij deze aanrijding nog eens onnodig zwaar letsel op doordat de scherpe delen van deze mestwagen, met name de punten van de mestverspreidervijzels, in zijn lichaam doorgedrongen zijn. Waren deze scherpe delen doelmatig afgeschermd, dan was het gevaar voor letsel aanzienlijk kleiner geweest.

Gezien de oorspronkelijke rijrichting van de bromfietser, welke in ongeveer oostelijke richting reed, kon de voertuigcombinatie ook niet contrasteren tegen de donkere achtergrond. De volgende avond na het ongeval omstreeks 20.00 uur was het volledig donker. Het is dus zeer waarschijnlijk dat het de vorige dag, omstreeks de tijd waarop het ongeval plaatsvond, iets na 20.00 uur, ook geheel donker is geweest.

Er was geen straatverlichting.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten en onder verwijzing naar de genoemde bewijsmiddelen het volgende.

Bewijsmotivering

De rechtbank leidt uit de verklaringen van [getuige 1] af dat hij en de [zoon van verdachte], in opdracht van [verdachte], de mestverspreider hebben verplaatst en dat zij ten tijde van het ongeval op deze voertuigcombinatie zaten.

Dit wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 2], die even daarvoor twee kinderen (jonge jongens) op een tractorcombinatie ziet rijden, alsmede de verklaring van [getuige 3]. Uit de verklaring van laatstgenoemde kan worden afgeleid dat [verdachte] bij hem was voorafgaand aan het ongeval en op het moment van het ongeval. Daarnaast ziet [getuige 3] na het ongeval een combinatie wegrijden, terwijl verdachte zich om het [slachtoffer] bekommert. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte niet op de combinatie kan hebben gezeten dan wel gereden voorafgaand en tijdens het ongeval.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de verklaring van [verdachte] dat hij bestuurder is geweest van de tractor en mestverspreider ten tijde van het ongeval, ongeloofwaardig.

De bovengenoemde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, sluiten alle op elkaar aan. De verhaallijn van verdachte daarentegen wordt niet ondersteund door overige bewijsmiddelen. Daarbij heeft [verdachte], om hem moverende redenen, van meet af aan onduidelijkheid geschapen over het ontstaan van het ongeval en hierover wisselende verklaringen (met betrekking tot zijn zoon) afgelegd. Ook dit steunt zijn geloofwaardigheid niet.

De rechtbank ziet, in tegenstelling tot de raadsman, geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2] en [getuige 3]. Ook de verklaringen van [getuige 1] bij de politie zijn nauwkeurig en eenduidig.

Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen oordeelt de rechtbank dat de mestverspreider niet was verlicht noch voorzien van reflectoren. Daarnaast bevatte de mestverspreider uitstekende delen die niet afgeschermd waren. Ook de tractor had geen verlichting en de rijweg was eveneens onverlicht.

Uit de bewijsmiddelen valt tot slot af te leiden dat het (schemer)donker was en dat de voertuigcombinatie op de openbare rijweg stond.

Gelet op het bovenstaande heeft verdachte grove schuld door op een dergelijk tijdstip in de avond, een onverlichte voertuigcombinatie met onafgeschermde uitstekende delen op een onverlichte openbare rijweg te laten verplaatsen door zijn toen minderjarige zoon. Hierdoor is een situatie geschapen waarin slachtoffer op een bromfiets tegen de mestverspreider aan is gereden.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer], in een direct causaal verband staat met het ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Gelet op de hierboven genoemde bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 27 september 2008 te [plaats], gemeente De Marne, grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig zijn minderjarige zoon opdracht heeft gegeven om in het (schemer)donker, een onverlichte tractor met daarachter een onverlichte mestkar waarvan de scherpe delen onafgeschermd waren te verplaatsen, op grond waarvan zijn zoon deze onverlichte tractor met daarachter een onverlichte mestkar op de onverlichte rijweg heeft geparkeerd, ten gevolge waarvan de bestuurder van een bromfiets op de rijweg te weten

[slachtoffer] die tractor met mestkar niet heeft kunnen zien en in volle vaart tegen de achterkant van die mestkar is aangebotst, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten inwendige bloedingen, gapende borstwonden, beschadigde linkerlong, verwijdering tweederde van de rechterlong, meerdere

gebroken ribben, gebroken bovenbeen, gebroken bovenarm, gebroken sleutelbeen, gebroken bovenkaak, gebroken neus, gebroken jukbeenderen en blindheid, heeft bekomen.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

- aan zijn schuld te wijten dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.

Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de gevolgen, alsmede de houding van verdachte gedurende het onderzoek als ook ter zitting. De officier van justitie ziet in die houding een stuk leedtoevoeging aan slachtoffer.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte first offender is, het een culpoos delict betreft en dat de situatie ter plaatse onveilig is. De raadsman benadrukt dat verdachte een man van weinig woorden is en dat hij zijn gezin tracht te beschermen. Zijn handelen kwam voort uit paniek.

De raadsman bepleit een voorwaardelijke gevangenisstraf en een maximale werkstraf. Een gevangenisstraf zou meer kapot dan goed maken.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit de reclasseringsrapportage en het onderzoek op de terechtzitting, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft een gevaarlijke situatie geschapen in het verkeer, waardoor een ernstig ongeval heeft kunnen plaatsvinden. Hierdoor heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel met blijvende gevolgen (waaronder blindheid) opgelopen.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [verdachte] vanaf het begin, direct na het ongeval, heeft geprobeerd de waarheid te verdoezelen door onder andere te beweren dat een andere voertuigcombinatie bij het ongeval was betrokken. De rechtbank acht dit zeer kwalijk, te meer nu deze informatie lang is verzwegen door [verdachte] en het van belang was voor de behandeling van slachtoffer in het ziekenhuis om deze informatie helder te krijgen.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het bovengenoemde en de buitengewone ernst van het letsel en de gevolgen die [slachtoffer] de rest van zijn leven zal moeten dragen.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van enige duur, passend. De rechtbank heeft, gelet op de bijzondere aard van het delict, bij het bepalen van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting ter zake van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 . Op basis van de bijzonder ernstige omstandigheden van dit geval neemt de rechtbank echter een hogere gevangenisstraf als uitgangspunt. Wel ziet de rechtbank in de justitiële documentatie van [verdachte] aanleiding om de strafeis van de officier van justitie enigszins te matigen.

Uit een proces-verbaal van aanvulling d.d. 26 mei 2009 is naar voren gekomen dat de verkeerssituatie ter plaatse nog altijd gevaarlijk is. De rechtbank zal daarom een gedeelte van de straf voorwaardelijk opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 308 Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) MAANDEN.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot drie (3) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. E.W. van Weringh, voorzitter, S. Tempel en K.K. Lindenberg, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Mulder, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 maart 2010.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature