Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

Opties voor deze uitspraak

LJN BL6164, Rechtbank Rotterdam, 10/750131-09
Datum uitspraak: 03-03-2010
Datum publicatie: 03-03-2010
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummers: 10/750131-09
Inhoudsindicatie:
Geen bewijs voor verlengde invoer van cocaïne; niet duidelijk is dat het tbv gecontroleerde aflevering teruggeplaatste monster cocaïne bevatte, zoals vereist ogv Hoge Raad van 15 december 1998, LJN ZD 1300 (kokosnootarrest)

Uw eigen juridische database
OpMaat, uw eigen juridische database, altijd en overal toegang, snel, uitgebreide zoekmogelijkheden, compleet, gebruiksvriendelijk en actueel, www.sneltotdekern.nl
gesponsorde link
Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM


Sector strafrecht

Parketnummer: 10/750131-09
Datum uitspraak: 3 februari 2010
Tegenspraak


Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam],
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) [in 1968],
wonende te [adres],
raadsman mr. C.T. Pittau, advocaat te Amsterdam.


ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft, na eerdere schorsingen, plaatsgevonden op 13 en 20 januari 2010.


TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. Detekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.


EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Ekiz heeft gerekwireerd tot:
- bewezenverklaring van het ten laste gelegde (invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet);
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest.


MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte samen met anderen of alleen ongeveer 2 kilogram cocaïne althans een materiaal bevattende cocaïne in Nederland heeft ingevoerd, waaronder mede begrepen de zgn. verlengde invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet .

Uit de stukken blijkt dat dit verwijt betrekking heeft op een doos (in de stukken aangeduid met het nummer CZ 12051) met inhoud die per container vanuit Suriname naar Nederland is gebracht. In de doos bevonden zich onder andere vijf siliconenkithouders en twee stoffen hoofddeksels. Inde rand van een van die hoofddeksels, een muts, en in een kitspuit werd bij controle door de douane een witte substantie aangetroffen, die bij een uitgevoerde narcotest een positieve indicatie gaf voor de aanwezigheid van cocaïne. De vijf siliconenkithouders en twee mutsen zijn daarop uit de doos verwijderd en uit elk van de vijf kitspuiten en twee mutsen zijn monsters genomen. Van deze monsters is vervolgens één doorsnee monster (nummer AABL9745NL) gemaakt met een totaal gewicht van 9,4 gram, dat op dezelfde dag naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is verzonden. Uit het rapport van het NFI d.d. 2 juni 2009 blijkt dat dit monster (met kenmerk AABL9745NL) cocaïne bevatte.

Ten behoeve van een zogenaamde gecontroleerde aflevering is op 18 juni 2009 uit materiaal dat was verstopt in een hoedje dat deel had uitgemaakt van de inhoud van de doos een monster van 18 gram getrokken. Dit monster is (terug)geplaatst in de doos, waarna deze naar een verdeelcentrum in Amsterdam is gebracht waar de verdachte de doos met inhoud op 19 juni 2009 samen met de medeverdachte [medeverdachte] heeft opgehaald en vervoerd.

Uit het vorenstaande volgt dat bij de daadwerkelijke invoer van de onderhavige doos in Nederland deze cocaïne bevatte. Zoals ook door de officier van justitie is aangegeven, is er echter geen bewijs voorhanden dat de verdachte bij deze daadwerkelijke invoer als dader of mededader betrokken is geweest.

Ter beantwoording staat derhalve thans de vraag of de verdachte, door het ophalen en vervoeren van de doos met inhoud, als dader of mededader betrokken is geweest bij de zgn. verlengde invoer van cocaïne. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 15 december 1998, LJN ZD 1300, dient daarvoor komen vast te staan dat het monster van 18 gram dat zich in de doos bevond toen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de doos bij het verdeelcentrum ophaalden en verder vervoerden cocaïne bevatte.

Die vaststelling is evenwel niet mogelijk nu -zoals hiervoor is overwogen- door het samenvoegenvan de afzonderlijk uit de kitspuien en mutsen genomen monsters tot één doorsneemonster de niet irreële mogelijkheid openblijft dat niet in iedere kitspuit of ieder hoofddeksel zich materiaal met cocaïne bevond. Daarmee is evenmin uitgesloten dat het teruggeplaatste monster geen cocaïne bevatte. In ieder geval is door deze gang van zaken de aanwezigheid van cocaïne in het teruggeplaatste monster, waarvan niet blijkt dat ook dat monster een mengmonster betrof, niet met onvoldoende mate van zekerheid vast komen te staan.

De aanwezigheid van cocaïne in het teruggeplaatste monster kan ook niet worden afgeleid uit de eerder genoemde narcotest bij een van de mutsen, nu niet duidelijk is of met die muts het hoedje wordt bedoeld waaruit het monster van 18 gram is getrokken, nog daargelaten de betrouwbaarheid van de uitgevoerde narcotest.

De verdachte dient dan ook van het hem ten laste gelegde te worden vrijgesproken.


BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het tenlaste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.


Dit vonnis is gewezen door:
mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,
en mrs. Van der Ven en Rapmund, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Verspaget-Kruyt, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 februari 2010.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage bij vonnis van 3 februari 2010:


TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 17 april 2009 tot en met 19 juni 2009 te Rotterdam en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), een hoeveelheid van ongeveer 2 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.



Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven     |     zoeken     |     uitgebreid zoeken