Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Omgang / grootuders / family life. Gelet op de positieve rol die de grootouders in het leven van de oudste drie kinderen spelen is de rechtbank van oordeel dat [naam kind 4] een afgeleid recht heeft op omgang met haar grootouders en dat dit ook in haar belang is. Er is onder de hiervoor weergegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waaruit voortvloeit dat tussen de grootouders en [naam kind 4] een (afgeleide) nauwe persoonlijke betrekking bestaat. De rechtbank zal de grootouders derhalve ontvankelijk verklaren ten aanzien van het verzoek om omgang met [naam kind 4].

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

omgang

zaak-/rekestnr.: 146101 / FA RK 08-1691

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 24 augustus 2009

in de zaak van:

[naam],

-- en --

[naam],

beiden wonende te [plaats],

hierna te noemen: de grootouders,

voorheen procureur mr. J.F. van Halderen, kantoorhoudende te Haarlem,

advocaat mr. drs. M.L. Molenaar, kantoorhoudende te Alkmaar,

tegen

[naam]

-- en --

[naam],

beiden wonende te [plaats],

hierna te noemen: de ouders,

advocaat mr. J.I. Vervest, kantoorhoudende te Beverwijk.

Als belanghebbende is aangemerkt de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdbescherming, Locatie Haarlem, namens deze de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Diemen,

hierna te noemen: de Stichting,

als uitvoerder van de ondertoezichtstellingen van de kinderen.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de grootouders van 28 april 2008, ingekomen op 29 april 2008;

- de dagbepalingsbeschikking van deze rechtbank van 17 juli 2008 en de daarin vermelde stukken;

- de dagbepalingsbeschikking van deze rechtbank van 19 november 2008 en de daarin vermelde stukken;

- de dagbepalingsbeschikking van deze rechtbank van 10 juni 2009 en de daarin vermelde stukken;

- de brief van de Stichting van 17 juni 2009, ingekomen op 18 juni 2009;

- de brief, met bijlagen, van de Stichting van 26 juni 2009, ingekomen op 29 juni 2009;

- het faxbericht van mr. drs. Molenaar van 6 juli 2009;

- het faxbericht van mr. Vervest van 8 juli 2009;

- de brief van de minderjarige [naam kind 1] van 14 augustus 2009, ingekomen op 19 augustus 2009.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 mei 2009 in aanwezigheid van de grootouders, bijgestaan door mr. drs. Molenaar voornoemd, en de ouders, vertegenwoordigd door mr. Vervest voornoemd.

1.3 Nu de Stichting niet voor de zitting van 13 mei 2009 is opgeroepen, heeft de verdere behandeling plaatsgevonden op de zitting van 9 juli 2009 in aanwezigheid van de grootouders, vertegenwoordigd door mr. drs. Molenaar.

1.4 De minderjarige [naam kind 1] heeft in zijn brief van 14 augustus 2009 zijn mening aan de rechtbank kenbaar gemaakt.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar.

2.2 Uit deze relatie zijn geboren de minderjarigen:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 1996 in de gemeente [plaats],

- [naam kind 2], geboren op [datum] 2000 in de gemeente [plaats],

- [naam kind 3], geboren op [datum] 2005 in de gemeente [plaats],

- [naam kind 4], geboren op [datum] 2007 in de gemeente [plaats].

2.3 De vader heeft de minderjarigen [namen kind 1, 2, en 3] erkend. De minderjarige [naam kind 4] is door de vader niet erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over de minderjarigen.

2.3 Bij beschikking van deze rechtbank van 23 mei 2006, zijn de minderjarigen [namen kind 1, 2 en 3], onder toezicht van de Stichting gesteld, welke ondertoezichtstelling thans nog voortduurt tot 22 mei 2010. De minderjarige [naam kind 4] is onder toezicht van dezelfde Stichting gesteld bij de beschikking van deze rechtbank van 27 oktober 2007, welke ondertoezichtstelling eveneens tot 22 mei 2010 voortduurt.

2.4 Bij beschikking van de kinderrechter van 25 oktober 2007 is machtiging verleend de minderjarige [naam kind 4] uit huis te plaatsen, welke machtiging telkens is verlengd en thans eindigt op 22 mei 2010. De eerder verleende machtiging om de minderjarigen [namen kind 1, 2 en 3] uit huis te plaatsen is telkens verlengd en eindigt thans op 22 mei 2010.

3 Verzoek

3.1 De grootouders hebben op grond van artikel 1:377f van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen de minderjarigen en de grootouders, waarbij de kinderen omgang hebben met de grootouders gedurende twee weken in de zomervakantie, één week in de herfstvakantie en één week in de meivakantie.

3.2 De grootouders leggen aan hun verzoek ten grondslag dat zij vanaf de geboorte van [naam kind 1] nauw en actief betrokken zijn bij het gezin. Zij hebben onder meer bij de eerste machtigingen uithuisplaatsing de oudste drie kinderen opgevangen. De kinderen zijn in eerste instantie bij hen geplaatst. Nadat [naam kind 1] en [naam kind 2] in een ander pleeggezin waren geplaatst, hebben zij nog maandelijks bij de grootouders gelogeerd. [naam kind 3] bleef toen nog bij de grootouders wonen, en is pas later in een ander pleeggezin geplaatst. Gelet op het vorenstaande is sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en de kinderen en zijn zij bevoegd om vaststelling van een omgangsregeling te verzoeken, aldus de grootouders.

3.3 De grootouders beseffen dat de positie van [naam kind 4] verschilt van die van de andere drie kinderen. Zij hebben [naam kind 4] nog nooit gezien, maar zij willen ook haar leren kennen. Zij stellen zich op het standpunt dat het in het belang van [naam kind 4] en de andere kinderen is om geen onderling onderscheid te maken voor wat betreft het recht op omgang met de grootouders.

3.4 In een brief van de Stichting van 26 juni 2009 staat dat de ouders, grootouders, pleegouders en de Stichting onderling tot overeenstemming zijn gekomen over de omgangsregeling tussen de grootouders en de oudste drie kinderen. Deze regeling is vastgelegd in een bezoek- en verjaardagskalender voor de periode van juni tot en met december 2009. Naar aanleiding daarvan heeft de raadsvrouw van de grootouders bij haar faxbericht van 6 juli 2009 aangegeven dat de grootouders met de door de Stichting voorgestelde omgangsregeling kunnen instemmen. Zij heeft namens de grootouders verzocht de gemaakte afspraken in de te geven beschikking vast te leggen. Ter zitting van 9 juli 2009 heeft de raadsvrouw toegelicht dat de voorgestelde regeling omgang inhoudt twee weken in de zomervakantie, tweemaal één week in de herfst-, kerst-, voorjaars- of meivakantie (onder regie van de Stichting) en één weekend per acht weken.

4 Verweer

4.1 De raadsvrouw van de ouders heeft ter zitting van 13 mei 2009 en bij haar faxbericht van 8 juli 2009 aangegeven dat de ouders zich op het standpunt stellen dat zij niet willen dat de grootouders een uitgebreidere omgangsregeling met de kinderen hebben dan zijzelf.

4.2 Ten aanzien van [naam kind 4] zijn de ouders van mening dat de grootouders niet in een nauwe persoonlijke betrekking tot haar staan, aangezien er nooit enig contact tussen hen is geweest. De grootouders zijn om die reden niet-ontvankelijk in hun verzoek met betrekking tot [naam kind 4], aldus de ouders.

5 Beoordeling

wettelijke basis

5.1 Gelet op de recente wetswijziging waarbij artikel 1:377f BW per 1 maart 2009 is komen te vervallen en de bepaling over de omgang tussen het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat in artikel 1:377a BW is opgenomen, leest de rechtbank het verzoek van de grootouders alsof het is gebaseerd op dat artikel.

ontvankelijkheid ten aanzien van [naam kind 4]

5.2 Wie een omgangsregeling met een kind verzoekt wordt in het algemeen slechts ontvankelijk verklaard indien hij bijkomende omstandigheden stelt waaruit voortvloeit dat er tussen hem en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, als bedoeld in artikel 1:377 a BW, of een band die kan worden aangemerkt als family life in de zin van artikel 8 EVRM . Zodanige bijkomende omstandigheden kunnen gelegen zijn in de met het kind na de geboorte opgebouwde relatie. Een als family life aangemerkte band kan door latere gebeurtenissen ook weer worden verbroken. De enkele omstandigheid dat het contact met het kind gedurende een zeker tijdsverloop achterwege is gebleven, is niet als een dergelijke gebeurtenis aan te merken.

5.3 De rechtbank is gebleken dat de minderjarige [naam kind 4] in hetzelfde gezinssysteem is geboren als haar oudere broer en zussen. Vast staat dat de grootouders een belangrijke rol spelen in het leven van de oudste drie kinderen. De grootouders hebben goed en regelmatig contact met de oudste drie kinderen, en zij hebben tijdens een moeilijke periode tevens de feitelijke opvoeding en verzorging van die kinderen op zich genomen. [naam kind 4] heeft tot nu toe geen kans gekregen om een relatie met haar grootouders op te bouwen vanwege onder meer de gecompliceerde thuissituatie, de directe uithuisplaatsing na haar geboorte en de onderlinge moeizame relatie tussen de ouders en grootouders.

5.4 Gelet op de positieve rol die de grootouders in het leven van de oudste drie kinderen spelen is de rechtbank van oordeel dat [naam kind 4] een afgeleid recht heeft op omgang met haar grootouders en dat dit ook in haar belang is. Er is onder de hiervoor weergegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waaruit voortvloeit dat tussen de grootouders en [naam kind 4] een (afgeleide) nauwe persoonlijke betrekking bestaat. De rechtbank zal de grootouders derhalve ontvankelijk verklaren ten aanzien van het verzoek om omgang met [naam kind 4].

omgang

5.5 De rechtbank stelt vast dat de grootouders in een nauwe persoonlijke betrekking tot de vier kinderen staan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een grond voor ontzegging van de omgang met de grootouders, zoals vermeld in artikel 1:377a, derde lid BW . Dit houdt in dat het verzoek om omgang dient te worden toegewezen. De grootouders, pleegouders en de Stichting hebben, zoals hiervoor aangegeven, overeenstemming bereikt over een omgangsregeling met de oudste drie kinderen, en de grootouders hebben verzocht deze in de te geven beschikking vast te leggen. De enkele opmerking van de ouders dat zij vinden dat de grootouders niet vaker omgang met de kinderen mogen hebben dan zijzelf, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om de voorgestelde regeling te wijzigen, die overigens in overleg met de ouders is opgesteld.

5.6 De rechtbank zal een omgangsregeling vaststellen onder regie van de Stichting en op de wijze zoals door de Stichting is voorgesteld, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Stelt vast de volgende regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht.

De minderjarigen:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 1996 in de gemeente [plaats],

- [naam kind 2], geboren op [datum] 2000 in de gemeente [plaats]

en de grootouders zijn gerechtigd omgang met elkaar te hebben gedurende twee weken in de zomervakantie, tweemaal één week gedurende de herfst-, kerst-, voorjaars- of meivakantie (onder regie van de Stichting) en één weekend per acht weken.

6.2 Bepaalt dat de inhoud van de hiervoor bedoelde bezoek- en verjaardagskalender voor de periode van juni tot en met december 2009 met betrekking tot de omgang met de grootouders, als hier ingelast wordt beschouwd. Een gewaarmerkte fotokopie van dit stuk is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan in zoverre deel uit.

6.3 Stelt vast de volgende regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht.

De minderjarigen:

- [naam kind 3], geboren op [datum] 2005 in de gemeente [plaats],

- [naam kind 4], geboren op [datum] 2007 in de gemeente [plaats]

en de grootouders zijn gerechtigd omgang met elkaar te hebben gedurende een deel van de hiervoor bepaalde omgangsmomenten tussen de grootouders en de oudste twee kinderen, onder regie van de Stichting.

6.4 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.5 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. van Keken, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van A. Hausenblasová, griffier, op 24 augustus 2009.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature