Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Voorwaardelijk disciplinair ontslag bij plichtsverzuim.

Eiser wordt ernstig plichtsverzuim verweten omdat hij als belastingdeurwaarder naar aanleiding van twee executoriale verkopen onjuiste processen-verbaal heeft opgemaakt, niet de juiste verkoopprocedure heeft gevolgd, vooraf bekende biedingen niet heeft gemeld en de regels met betrekking tot de tweede verkoop niet heeft gevolgd.

Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat het proces-verbaal van 2 maart 2007 niet naar waarheid is opgemaakt. Hierin is immers een onjuist bedrag opgenomen en de naam van een koper die in het geheel niet aanwezig was bij de openbare verkoop. Dit geldt niet voor het andere procesverbaal nu eiser heeft kunnen concluderen dat het bod niet van de gemeente was.

Eiser heeft tevens terecht geconcludeerd dat eiser ten onrechte vooraf bekende biedingen niet heeft gemeld.

Nu eiser met (impliciete) toestemming van zijn leidinggevende heeft afgeweken van de gedragslijn bij tweede verkopen kan hem niet het verwijt worden gemaakt dat hij een voorschrift niet heeft nageleefd. Er is op dit punt geen sprake van plichtsverzuim.

Strafontslag wordt voor het resterende plichtsverzuim als onevenredig zwaar aangemerkt.

In belang van finale geschilbeslechting voorziet de rechtbank zelf in de zaak.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/1925 AW - T3

Uitspraak in het geding tussen

Eiser, wonende te Nieuw-Beijerland, eiser,

gemachtigde mr. W.G.A. van Hoogstraten, advocaat te Nijmegen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde mr. .

I Ontstaan en loop van de procedure

1 Bij besluit van 3 september 2007 (hierna: het ontslagbesluit) heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang wegens ernstig plichtsverzuim op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder j, en artikel 83 en artikel 97, tweede lid, van het Ambtenarenreglement Rotterdam (AR) disciplinair ontslag verleend, zonder toevoeging van het woord ‘eervol’.

2 Tegen het ontslagbesluit heeft eiser bij brief van 11 oktober 2007 bezwaar gemaakt.

3 Bij brief van 12 november 2007 heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen tot schorsing van het ontslag¬besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Bij uitspraak van 21 december 2007 (AWB 07/4107) heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen.

4 Op 15 januari 2008 is eiser door de Algemene bezwaarschriftencommissie (hierna: de ABC) gehoord, waarna de ABC diezelfde dag verweerder heeft geadviseerd het ontslag¬besluit te herroepen, in die zin dat de opgelegde straf wordt gewijzigd in de straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van drie jaar en plaatsing in de functie van Medewerker Gemeentebelastingen A bij de afdeling Invordering voor onbepaalde tijd en onder aanvulling van de motivering - de bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren.

5 De algemeen directeur van de dienst GBR en de directeur van de Directie Middelen en Control hebben op 6 maart 2008 naar aanleiding van het advies van de ABC een contra¬memorie uitgebracht.

6 Bij besluit van 25 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar - conform de contra¬memorie - ongegrond verklaard en het ontslagbesluit gehandhaafd.

7 Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 2 mei 2008 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 30 januari 2009 een verweerschrift ingediend.

8 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2009. Ter zitting is verschenen eiser in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen , hoofd P&O.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 78 van het AR kan de ambtenaar wegens plichtsverzuim disciplinair worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van hetgeen een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

1.2 Ingevolge artikel 79, eerste lid, aanhef en onder g, van het AR kan als disciplinaire straf plaatsing in een andere betrekking voor bepaalde of onbepaalde tijd plaatsvinden, met of zonder vermindering van de bezoldiging.

Ingevolge artikel 79, eerste lid, aanhef en onder j, van het AR kan als disciplinaire straf ontslag verleend worden.

Ingevolge artikel 79, tweede lid, van het AR voor zover hier van belang kan bij het opleggen van de straf worden bepaald dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de ambtenaar zich gedurende een bij het opleggen van de straf te bepalen termijn van ten hoogste drie jaar niet opnieuw schuldig maakt aan een soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

1.3 Ingevolge artikel 83 van het AR wordt met uitzondering van de schriftelijke berisping geen straf ten uitvoer gelegd, zolang het strafbesluit niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.

1.4 Ingevolge artikel 97, tweede lid, van het AR - voor zover hier van belang - kan het ontslag als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder j, voornoemd, zonder toevoeging van het woord eervol worden verleend.

2 Verweerder stelt zich - samengevat en zakelijk weergegeven - op het standpunt dat

eiser in zijn functie als belastingdeurwaarder bij twee executoriale verkopen op 2 en 8 maart 2007 twee processen-verbaal in strijd met de waarheid heeft opgemaakt.

Bij de openbare verkoop op 2 maart 2007 heeft de gemeentebieder voor € 105,- een kavel goederen (hierna: kavel 2) gekocht. In het proces-verbaal van de openbare verkoop is opgenomen dat mevrouw kavel 2 tijdens de openbare verkoop heeft gekocht, terwijl zij niet bij de verkoop op de veiling aanwezig was. Bovendien staat in het proces-verbaal een bedrag van € 150, genoemd in plaats van € 105,-. Beide vermeldingen zijn onjuist en in strijd met de waarheid.

Bij de openbare verkoop op 8 maart 2007 heeft de gemeentebieder voor € 500,- een auto van het merk Daihatsu gekocht. In het proces-verbaal van de openbare verkoop staat vermeld dat de auto door de heer (een medewerker van het bergingsbedrijf waar de auto was gestald) is gekocht voor € 500,-. Tevens staat in het proces-verbaal collega als getuige genoemd, terwijl deze niet bij de openbare verkoop aanwezig was. Beide vermeldingen zijn onjuist en in strijd met de waarheid.

Van een deurwaarder mag worden verwacht dat hij een proces-verbaal naar waarheid opmaakt. Het is voor een burger van belang dat de openbare verkoop transparant geschiedt en dat een proces-verbaal naar waarheid wordt opgemaakt. Er is geen sprake van een onopzettelijke vergissing.

Eiser heeft niet de juiste procedure inzake het biedproces gevolgd, omdat hij niet na de openbare verkopen van 2 en 8 maart 2007 een tweede verkoop (met gesloten envelop) heeft laten plaatsvinden en en heeft nagelaten het onderhandse bod bij beide verkopen vooraf bekend te maken aan potentiële kopers. Eiser wist dat hij op betrouwbare en integere wijze met de executoriaal te verkopen goederen van een belasting¬schuldige diende om te gaan. Eiser heeft het vertrouwen van verweerder ernstig geschaad en ernstig afbreuk gedaan aan de goede naam van de dienst GBR.

Bovengenoemde gedragingen leveren ernstig plichtsverzuim op. Het plichtsverzuim kan eiser worden toegerekend. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag is, gelet op de ernst van de gedragingen, evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Verweerder heeft daarbij betrokken dat eiser net zeven sessies in het kader van een integriteitstraject had gevolgd.

3 Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

Verweerder handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheids¬beginsel. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 21 december 2007 een voorlopige voorziening toegewezen, onder meer op grond van het oordeel dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig was. Ook de ABC komt in haar advies van 15 januari 2008 tot de conclusie dat de aan eiser opgelegde straf onevenredig is.

Ter zitting heeft eiser zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is van plichtsverzuim. Eiser heeft de twee processen-verbaal van de openbare verkopen van respectievelijk 2 en 8 maart 2007 naar waarheid opgemaakt. Eiser heeft zich aan de procedures gehouden en is bij het opmaken van de processen-verbaal uitgegaan van het uiteindelijke resultaat van de verkopen. Kavel 2 is voor € 150,- verkocht aan mevrouw en de Daihatsu is voor € 500,- verkocht aan de heer . Eiser kan slechts worden verweten dat hij bij beide verkopen tevoren de potentiële kopers niet heeft geïnformeerd omtrent de voorafgaand aan de veilingen gedane biedingen. Eiser is niet verantwoordelijk voor - en derhalve kan hem niet worden verweten dat - zijn collega onder het proces-verbaal van 8 maart 2007 een handtekening heeft gezet bij de tevoren ingevoerde naam van collega .

Eiser heeft verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van door eiser geleden of te lijden schade.

4 De rechtbank oordeelt als volgt.

De omvang van het geding en de aan te leggen toetsing

4.1 Anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, verzet de goede procesorde zich er niet tegen dat de door eiser ter zitting naar voren gebrachte beroepsgrond dat eiser zich niet aan het hem verweten plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, bij de beoordeling van het beroep wordt betrokken. Niet is gebleken dat verweerder eerst ter zitting is geconfronteerd met dit standpunt van eiser. In het verweerschrift is verweerder immers uitgebreid ingegaan op de gedragingen die eiser worden verweten en de kwalificatie van die gedragingen. Ten slotte zijn de beoordeling of sprake is van plichtsverzuim en de beoordeling van de evenredigheid van de opgelegde sanctie bijzonder nauw met elkaar verweven (vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 augustus 2007, LJN: BB1524).

4.2 Naar vaste jurisprudentie dient, alvorens een bestuursorgaan kan overgaan tot het opleggen van een disciplinaire maatregel, het verweten plichtsverzuim vast te staan, dient dit aan de ambtenaar te zijn toe te rekenen en dient de opgelegde straf evenredig te zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Het niet naar waarheid opmaken van processen-verbaal van verkoop

4.3 Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij bij het opmaken van de twee processen-verbaal het eindresultaat als uitgangspunt heeft genomen en daarom beide keren het hoogste bod en de hoogste bieder (dat wil zeggen: de uiteindelijke kopers) in het proces-verbaal heeft vermeld.

Dit uitgangspunt is onjuist. Wanneer de executoriale verkoop leidt tot een koop, of dit nu door de gemeentebieder is of een ander, is hij ten einde. Wat de gemeente (vertegen¬woordigd door de gemeentebieder) of een andere koper nadien doet met de gekochte zaken, staat los van de executoriale verkoop en is ook niet van invloed op de delging van de schulden van de geëxecuteerde. Derhalve moet uit het proces-verbaal blijken welk bedrag een goed of een kavel goederen tijdens de openbare verkoop heeft opgeleverd en aan wie het tijdens die verkoop is verkocht.

4.4.1 Vaststaat dat in het proces-verbaal van de executoriale verkoop op 2 maart 2007 een verkoopbedrag van € 150,- staat vermeld en als koper mevrouw . Niet in geschil is dat tijdens de executoriale verkoop van 2 maart 2007 eisers collega , als gemeente¬bieder, een laatste en hoogste bod heeft gedaan van € 105,-. Evenmin is in geschil dat mevrouw niet aanwezig was tijdens de openbare verkoop op 2 maart 2007. Nu mevrouw in het geheel niet aanwezig was bij de executoriale verkoop en het hoogste geboden bedrag € 105,- bedroeg in plaats van € 150,- betekent dit dat het proces-verbaal gelet op rechtsoverweging 4.3 niet de juiste gegevens bevat.

Dat eiser ‘in zijn achterhoofd wist’ dat mevrouw vooraf een bod van € 150, had gedaan en het gekochte voor dat bedrag aan haar zou worden doorverkocht, is niet van belang, omdat dit de tweede verkoop betreft die, zoals hierboven al overwogen, geen deel uitmaakt van de executoriale verkoop.

Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het proces-verbaal niet naar waarheid is opgemaakt en heeft dit als plichtsverzuim kunnen aanmerken. Gesteld noch gebleken is dat dit plichtsverzuim eiser niet is toe te rekenen.

Het niet volgen van de juiste verkoopprocedure

4.4.2 Vaststaat dat in het proces-verbaal van de executoriale verkoop op 8 maart 2007 een verkoop¬bedrag van € 500, staat vermeld en als koper de heer . Tevens is het proces-verbaal door eisers collega als getuige meeondertekend, terwijl als naam van de getuige “ ” vermeld is.

4.4.2.1 Tegenover de heer heeft eiser verklaard:

“(…) We zitten aan de koffie (…) toen kwam een medewerker (de heer , rechtbank) (…) binnen en zegt: [‘]joh, ik heb interesse in die rode Daihatsu Cuore daar wil ik tot 500 euro voor betalen.[’] Ik zeg [‘]nou da[’]s goed, dat is genoteerd (…) [’] (…)

Ik sta bij de verkoop van de bewuste auto, tussentijds is de jongen weggeroepen voor een klusje, want hij is takelaar. (…) We beginnen met 50 euro (…) en dan zegt er iemand 410. Toen zegt J ( , recht¬bank) [‘]We hebben al een bod van 500 staan[’], vervolgens valt de bieding stil. Boem, ik sla af (…)” (Stuk B49, p. 3/28)

4.4.2.2 Tegenover de heer heeft de heer verklaard:

“(…) Bij de koffie hoorden we van ( , de eigenaar van het stallingbedrijf), dat één van zijn medewerkers belangstelling had voor die auto. (…) [‘]Nou,[’] zei , [‘]hij heeft er wel 500 euro voor over.[’] (…) [D]e Daihatsu is aan de beurt en wordt ingezet. Er wordt geboden en op een gegeven moment zitten we op een bedrag van 410 euro die door één van de autohandelaren wordt geboden. (…) Maar ik heb in m’n achterhoofd het bod van 500 euro, maar ik wist niet of die medewerker er nog stond, dus ik bied 500 euro.(…) Op een gegeven moment komt de desbetreffende figuur en die had nog steeds interesse in die auto voor 500 euro. (…)” (Stuk B52, p. 2/25)

4.4.2.3 Uit deze verklaringen, alsmede uit de verklaring van eiser ter zitting, leidt de recht¬bank af dat het hoogste bedrag dat tijdens de executoriale verkoop is geboden € 500, bedroeg en dat dit bod is uitgesproken door de heer . Los van de vraag wie te gelden heeft als bieder de heer of de heer ; de recht¬bank komt daar hierna op terug kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de vermelding van € 500, als verkoopprijs overeengekomen tijdens de executoriale verkoop, juist is. In zoverre is het proces-verbaal dan ook naar waarheid opgemaakt.

4.4.2.4 Er is bestaat geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat tijdens een executoriale verkoop wordt geboden namens een derde (de volmachtgever). Het feit dat, volgens de regels van deze executoriale verkoop, alleen verkoop tegen (directe) contante betaling plaatsvond (een voorwaarde die blijkt uit de aankondiging van de executieverkoop, stuk B39, negende blad) staat hieraan evenmin in de weg, nu een gevolmachtigde namens zijn volmachtgever kan betalen. Ten slotte kan achteraf een onbevoegde vertegenwoordiging nog worden bekrachtigd.

Gelet hierop, en gelet op de feitelijke gang van zaken zoals in rechts¬overwegingen 4.4.2.1 en 4.4.2.2 omschreven, heeft eiser kunnen concluderen dat het bod, uitgesproken door de heer , niet een bod van de gemeente was, maar een bod, gedaan namens de heer , zodat deze als verkoper heeft te gelden. Ook op dit punt is het proces-verbaal derhalve naar waarheid opgemaakt.

4.4.2.5 Dat ten onrechte de naam van de heer niet is veranderd toen de heer als getuige ondertekende, is geen verzuim dat aan eiser kan worden toegerekend; het lag bij uitstek op de weg van de heer om ervoor te zorgen dat de juiste naam werd vermeld. In dit oordeel betrekt de recht¬bank de omstandigheid dat geen bijzondere eisen (zoals een bepaalde opleiding, benoeming of beëdiging) worden gesteld aan personen die als getuige bij een executoriale verkoop optreden.

4.4.2.6 Uit het voorgaande volgt dat verweerder eiser ten onrechte verwijt het proces-verbaal van de openbare verkoop van 8 maart 2007 onjuist te hebben opgemaakt.

4.5 Eiser wordt verweten dat hij op de openbare verkopen van 2 en 8 maart 2007 heeft nagelaten potentiële kopers op de hoogte te brengen van de biedingen van mevrouw en de heer en dat hij de regels met betrekking tot de zogenoemde tweede verkoop niet juist heeft nageleefd.

Het niet melden van de vooraf bekende biedingen

4.5.1 Niet in geschil is dat eiser op 2 en 8 maart 2007 heeft nagelaten vooraf melding te maken van de vooraf bekende biedingen en dat dit nalaten van eiser kan worden gekwalificeerd als plichtsverzuim. De recht¬bank is niet gebleken van feiten of omstandig¬heden waaruit volgt dat dit plichtsverzuim niet is toe te rekenen.

Het niet volgen van de regels met betrekking tot de tweede verkoop

4.5.2 Uit het oordeel in rechts¬overweging 4.4.2.4 volgt dat de auto direct is gekocht door de heer en dat er dus geen tweede verkoop van de auto heeft plaatsgevonden. Het verwijt dat eiser op 8 maart 2007 de regels met betrekking tot de tweede verkoop niet juist heeft nageleefd, is reeds daarom onterecht.

4.5.3.1 Op 2 maart 2007 heeft wel een tweede verkoop plaatsgevonden. Met betrekking tot die verkoop stelt de recht¬bank de volgende feiten vast.

Niet in geschil is dat eiser op de hoogte was van de vaste gedragslijn, zoals opgenomen in de nota “Executoriale verkopen waarbij GBR als gemeentebieder koopt” (hierna: de nota) dat bij executoriale verkopen, waarbij de gemeente de hoogste bieder is, direct een tweede verkoop dient te volgen die moet plaatsvinden door een bieding met gesloten enveloppen. In de nota is geen mogelijkheid opgenomen om hiervan af te wijken.

De direct leidinggevende van eiser was bij de verkoop van 2 maart 2007 aanwezig. Zij was op de hoogte van de onderhandse verkoop en heeft daarover toen geen op of aanmerkingen gemaakt.

4.5.3.2 Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat eiser, in de gegeven omstandig¬heden, niet mocht afwijken van de gedragslijn bij tweede verkopen.

Vooropgesteld wordt dat de nota geen algemeen verbindend voorschrift is. Hieruit volgt reeds dat ook wanneer niet een expliciete afwijkingsmogelijkheid is opgenomen, deze toch kan bestaan. Na eerder ter zitting van de recht¬bank anders te hebben verklaard, heeft verweerder deze afwijkingsmogelijkheid ter zitting erkend door te stellen dat de directeur van de dienst GBR (kennelijk: namens verweerder) van de gedrags¬lijn kan afwijken en dat deze bevoegdheid is (onder)gemandateerd aan het hoofd van de afdeling Invordering. De recht¬bank vindt bevestiging voor deze verklaring in de uitspraak van de voorzieningen¬rechter in deze recht¬bank, die heeft overwogen dat verweerder bij de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft medegedeeld dat met toestemming van de leiding¬gevende kan worden afgeweken van de gedragslijn bij tweede verkopen. Weliswaar heeft verweerder betwist dat de voorzieningen¬rechter zijn standpunt juist heeft weergegeven, maar dit is slechts een niet-onderbouwde stelling, waaraan in het licht van de wisselende verklaringen en de uiteindelijke verklaring van verweerder ter zitting van de recht¬bank de recht¬bank weinig waarde hecht.

Voorts is gesteld noch gebleken dat verweerder voor de afwijking van de gedrags¬lijn bij tweede verkopen een vormvoorschrift heeft vastgesteld.

Ten slotte staat vast dat de direct leidinggevende van eiser bij de verkoop aanwezig was, tevoren op de hoogte was hoe deze zou gaan verlopen en niet heeft ingegrepen. Hieruit heeft eiser mogen opmaken dat zij met de gang van zaken instemde. Dat de leidinggevende geen of onvoldoende ervaring had, komt voor risico van verweerder.

4.5.3.3 De recht¬bank concludeert dat eiser met (impliciete) toestemming van zijn leiding¬gevende heeft afgeweken van de gedragslijn bij tweede verkopen. Derhalve kan hem niet het verwijt worden gemaakt dat hij een voorschrift niet heeft nageleefd of anders heeft gehandeld dan hij had moeten doen. Er is geen sprake van plichtsverzuim.

Bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie

4.6 Uit rechtsoverwegingen 4.4.1 en 4.5.1 blijkt dat eiser zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Verweerder was derhalve bevoegd een disciplinaire straf op te leggen.

Evenredigheid van de opgelegde maatregel

4.7 Ter beoordeling staat of verweerder terecht heeft besloten tot oplegging van de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag. Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, door te stellen dat hij in vergelijking met de heren en onevenredig zwaar is gestraft.

4.7.1 De rechtbank stelt vast dat het aan eiser te verwijten plichtsverzuim omvat het éénmaal, op 2 maart 2007, onjuist opmaken van een proces-verbaal van executoriale verkoop en het tweemaal, op 2 en 8 maart 2007, nalaten een onderhands bod aan potentiële kopers kenbaar te maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is een strafontslag voor dit plichtsverzuim, mede in aanmerking genomen de aan eisers collega’s en opgelegde straffen van voorwaardelijk ontslag, onevenredig zwaar.

Gevolgen

4.8 Uit rechtsoverweging 4.7.1 blijkt dat eiser zich slechts aan een deel van het hem verweten plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt, zodat moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet draagkrachtig is gemotiveerd. Uit dezelfde rechtsoverweging blijkt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb . Om deze redenen is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd.

4.9 Hoewel verweerder een ruime mate van vrijheid heeft bij de bepaling van de op te leggen straf, ziet de recht¬bank in het feit dat het plichtsverzuim zich inmiddels ruim twee jaar geleden heeft voorgedaan aanleiding om, in het belang van finale geschilbeslechting, zelf in de zaak te voorzien. In dit oordeel is betrokken het feit dat de vrijheid van verweerder om in deze zaak een straf te bepalen niet alleen wordt beperkt door de (beperkte) mogelijkheden die het AR hem biedt, maar ook door de straffen die verweerder heeft opgelegd aan andere medewerkers die betrokken waren bij de voorvallen.

De recht¬bank kan zich vinden in de door de ABC voorgestelde straf. Deze is evenredig aan het plichtsverzuim dat eiser wordt verweten. De recht¬bank zal, zelf voorziend, bepalen dat de door de ABC voorgestelde straf wordt opgelegd. De door de ABC voorgestelde proeftijd zal worden gerekend vanaf 3 september 2007, de datum waarop het (te herroepen) ontslag¬besluit is genomen.

4.10 Het verzoek om schadevergoeding moet, reeds omdat het niet nader gespecificeerd en onderbouwd is, worden afgewezen.

4.11 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient aan eiser het griffierecht te worden vergoed en ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 644, (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322, en wegingsfactor 1).

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat:

a. het ontslagbesluit wordt herroepen,

b. eiser disciplinair wordt ontslagen, maar dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd indien eiser zich gedurende een proeftijd van drie jaar, te rekenen vanaf 3 september 2007, niet opnieuw schuldig maakt aan een soortgelijk plichts¬verzuim als hem blijkens deze uitspraak kan worden verweten, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim,

c. eiser voor onbepaalde tijd wordt geplaatst in de functie van Medewerker Gemeentebelastingen A bij de afdeling Invordering

d. deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-- en wijst de gemeente Rotterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden;

5 gelast dat de Gemeente Rotterdam als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt;

6 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. H. van den Heuvel, voorzitter, mr. E.A Poppe-Gielesen en

mr. J. van den Bos, leden, in tegenwoordigheid van mr. G. Buijtenhek, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 25 mei 2009.

Rechtsmiddel

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA te Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature