Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Geen recht op een WW-uitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de werkzaamheden van appellant geen hobbymatig karakter hadden en door het Uwv terecht zijn gekwalificeerd als werkzaamheden uit hoofde waarvan appellant niet als werknemer kan worden beschouwd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werkbriefjes een verkeerd beeld geven over het aantal gewerkte uren in de perioden waarop die werkbriefjes zien.

Uitspraak



08/3691 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 mei 2008, 07/3210 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 december 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Osinga, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2009. Voor appellant is verschenen mr. Osinga. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant was sedert 29 april 1999 als assistent beheerder voor 36 uur per week werkzaam in dienst van de Stichting [naam Stichting] te [plaatsnaam]. De dienstbetrekking van appellant is om bedrijfseconomische redenen geëindigd met ingang van 1 april 2007.

1.3. Appellant heeft zich bij het Centrum voor Werk en inkomen gemeld om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 2 april 2007. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld nevenzaam-heden als ondernemer te verrichten en daarmee gestart te zijn op 6 april 2006. Op de door appellant ingevulde zogenoemde werkbriefjes over de perioden van 2 tot en met 15 april 2007 en van 16 april 2007 tot en met 13 mei 2007 heeft appellant opgegeven gedurende acht uur per dag en 56 uur per week als zelfstandige werkzaam te zijn.

1.4. Bij besluit van 28 mei 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van

2 april 2007 geen recht heeft op een WW-uitkering.

1.5. Bij besluit van 4 oktober 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 mei 2007 ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat het werknemerschap van appellant met ingang van 2 april 2007 volledig is geëindigd in verband met de hervatting van de werkzaamheden als zelfstandige.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit standpunt van het Uwv onderschreven en het beroep van appellant tegen het besluit van 4 oktober 2007 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het Uwv van de juistheid van de door appellant ingevulde werkbriefjes uitgaan. Het standpunt van appellant dat hij op hobbymatige basis in het [naam bedrijf] werkzaam was heeft de rechtbank niet gevolgd. Het door het Uwv gehanteerde buitenwettelijke beleid met betrekking tot vrijlating van voorafgaand aan de werkloosheid als zelfstandige gewerkte uren leidt, zo begrijpt de Raad rechtsoverweging 2.5 van de uitspraak, in het geval van appellant niet tot een resterend recht.

3. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank betwist dat zijn werkzaamheden in het [naam bedrijf] het hobbymatig karakter overstijgen. De ingevulde werkbriefjes dienen buiten beschouwing te blijven omdat deze enkel een fiscale achtergrond hadden en niet waarachtig zijn ingevuld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 8, eerste lid, van de WW bepaalt dat een persoon wiens dienstbetrekking is ge ëindigd de hoedanigheid van werknemer behoudt, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd. Ingevolge het bepaalde in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer zijn hoedanig-heid van werknemer verliest ter zake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.

4.2. De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat onder werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid als werknemer verliest, moet worden verstaan arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Sinds 6 april 2006 is als eenmanszaak in het handelsregister van de Kamer van Koophandel [plaatsnaam] [naam bedrijf] op naam van appellant geregistreerd. Niet is weersproken dat appellant werkzaamheden in dat [naam bedrijf] verricht. Op door appellant overgelegde roosters is vermeld dat deze werkzaamheden in drie diensten zowel door hem als door zijn zonen [naam zoon A] en [naam zoon B] worden verricht. Met deze activiteiten wordt, zo blijkt uit overgelegde resultatenoverzichten van het [naam bedrijf], maandelijks winst behaald. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze werkzaamheden van appellant geen hobbymatig karakter hadden en door het Uwv terecht zijn gekwalificeerd als werkzaamheden uit hoofde waarvan appellant niet als werknemer kan worden beschouwd.

4.3. Volgens vaste rechtspraak mag het Uwv bij het beoordelen van een recht op WW-uitkering in beginsel van de juistheid van de door de betrokkene op het werkbriefje vermelde gegevens uitgaan. Dit laat onverlet dat, indien blijkt dat de gegevens niet stroken met de feiten, dan wel gerede twijfel bestaat omtrent de juistheid van die gegevens, niet zonder meer van die gegevens kan worden uitgegaan (zie onder meer de uitspraak van 4 oktober 2006, LJN AY9951). In het geval van appellant is naar het oordeel van de Raad geen sprake van omstandigheden die het aannemen van een dergelijke uitzondering rechtvaardigen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werkbriefjes een verkeerd beeld geven over het aantal gewerkte uren in de perioden waarop die werkbriefjes zien.

4.4. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd meegedeeld dat hij de juistheid van wat de rechtbank in rechtsoverweging 2.5 heeft overwogen over het buitenwettelijke beleid van het Uwv, niet betwist. Deze overwegingen behoeven dan ook geen bespreking.

4.5. De tegen de aangevallen uitspraak aangevoerde beroepsgronden slagen niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature