Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Toekennen WW-uitkering op grond van artikel 71, eerste lid, sub b, van Verordening EEG 1408 /71 (hierna: Vo. 1408/71). Een werkneemster die geen grensarbeider is en volledig werkloos is, maar ter beschikking blijft van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de bevoegde staat, heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van die staat. Betrokkene voldoet, naar ook het Uwv heeft aangenomen, aan deze voorwaarden, aangezien zij zich al enige jaren voor het intreden van haar werkloosheid heeft ingeschreven als werkzoekende bij de toenmalige Nederlandse dienst voor arbeidsbemiddeling, de CWI. Voor de stelling van appellant dat geen sprake is geweest van een reële beschikbaarstelling van betrokkene, zodat dit artikellid geen toepassing kan vinden, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten.

Uitspraak



07/4355 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2007, 06/4531 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Met tevens als partij: [Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 24 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. S. van der Giesen, advocaat te Gouda, gereageerd op het standpunt van appellant.

Vervolgens heeft het Uwv bij een vijftal brieven vragen van de Raad beantwoord.

Bij brief van 29 oktober 2009 heeft mr. drs. Wesseling een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Namens appellant is verschenen, mr. drs. Wesseling, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Giesen, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is van 1 augustus 1989 tot 1 maart 2006 aangesteld geweest als leerkracht basisonderwijs in dienst van de gemeente [naam gemeente] In juni 1997 heeft zij zich ziek gemeld en sindsdien heeft betrokkene feitelijk geen werkzaamheden meer verricht als leerkracht. In 1999 is betrokkene met haar echtgenoot in België gaan wonen. Met ingang van 1 maart 2006 is betrokkene door appellant ontslagen wegens verstoorde verhoudingen.

1.2. Op 8 maart 2006 heeft betrokkene een aanvraag om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ingediend bij het Uwv. Naar aanleiding van vragen van het Uwv heeft betrokkene medegedeeld dat zij zich al tijdens het arbeidsconflict met appellant in december 2000 heeft ingeschreven als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) in Roosendaal. Verder heeft betrokkene medegedeeld dat zij slechts enkele kilometers over de grens in België woont en dat het werken in Nederland niet alleen haar voorkeur heeft maar ook de enige optie is die voor haar openstaat. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij haar kennis, werkervaring en vaardigheden in Nederland heeft opgedaan, in het bezit is van Nederlandse diploma’s en dat haar echtgenoot ook werkzaam is in Nederland bij de overheid in [plaatsnaam].

1.3. Het Uwv heeft bij besluit van 19 mei 2006 aan betrokkene met ingang van 1 maart 2006 een loongerelateerde WW-uitkering toegekend voor de maximale duur van vier jaar. Tevens is aan betrokkene met ingang van 1 maart 2006 door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, naast de WW-uitkering, een bovenwettelijke uitkering toegekend.

1.4. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 12 oktober 2006 ongegrond verklaard. Daarbij is, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 12 juni 1986 (1/85, hierna: Miethe arrest), overwogen dat het maatschappelijk leven van betrokkene zich geheel in Nederland bevindt en dat zij in Nederland de beste arbeidskansen heeft.

2. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv in de aangevallen uitspraak onderschreven.

3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de relevante feiten en omstandigheden onvoldoende grondslag vormen om in afwijking van de hoofdregel van artikel 19, eerste lid, onder f, van de WW aan betrokkene een WW-uitkering toe te kennen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. In deze procedure is in geschil of het Uwv terecht heeft besloten om met ingang van 1 maart 2006 aan betrokkene een WW-uitkering toe te kennen op grond van artikel 71, eerste lid, sub b, van Verordening EEG 1408 /71 (hierna: Vo. 1408/71), met toepassing van de criteria zoals die door het Hof zijn verwoord in het Miethe-arrest.

4.2. In het Miethe-arrest heeft het Hof overwogen dat de regel dat een volledig werkloze grensarbeider op grond van artikel 71, eerste lid, sub a-ii, van Vo. 1408 /71 uitsluitend recht heeft op de uitkeringen van de staat waar hij woont, stilzwijgend onderstelt dat in die staat de voorwaarden voor het zoeken van nieuw werk het gunstigst zijn. Het doel van deze bepaling kan volgens het Hof evenwel niet worden bereikt wanneer een volledig werkloze grensarbeider in de lidstaat waar hij laatstelijk werkzaam is geweest - bij wege van uitzondering - privé en beroepsmatig nog steeds zodanige banden heeft dat hij daar de beste kansen op reïntegratie in het beroepsleven heeft. Een dergelijke werknemer moet volgens het Hof beschouwd worden als een werknemer die geen grensarbeider is in de zin van artikel 71 van Vo. 1408 /71, zodat hij onder het eerste lid, sub b, van deze bepaling valt. Daarbij heeft het Hof nog aangegeven dat het aan de nationale rechter is om te bepalen of een werknemer als hiervoor bedoeld in de lidstaat waar hij laatstelijk werkzaam is geweest de beste kansen op reïntegratie in het beroepsleven heeft.

4.3. Het Uwv heeft aangenomen dat betrokkene een volledig werkloze grensarbeider is als bedoeld in het Miethe-arrest. Daarbij is overwogen dat het centrum van het maatschappelijk leven van betrokkene zich in Nederland bevindt en dat betrokkene in Nederland de beste kansen op werkhervatting heeft.

4.4. De Raad stelt voorop dat betrokkene na haar ziekmelding in juni 1997 aanvankelijk wegens ziekte haar werk niet meer heeft verricht en dat zij na verloop van tijd zich wel weer beschikbaar stelde voor en - kennelijk - bereid was om haar werk te verrichten, maar dat zij haar werk nimmer heeft hervat wegens een arbeidsconflict. Dit betekent dat betrokkene na haar verhuizing naar België in 1999 feitelijk niet meer werkzaam is geweest in Nederland, zodat onduidelijk is of zij onder deze omstandigheden aangemerkt kan worden als grensarbeider als bedoeld in artikel 1, sub b, van Vo. 1408 /71. Daarvoor lijkt overigens wel te pleiten dat het dienstverband van betrokkene heeft voortgeduurd en betrokkene kennelijk bereid en in staat was haar werk te verrichten voor appellant.

4.5. Indien aangenomen wordt dat betrokkene aangemerkt moet worden als grensarbeider, dan is de Raad met het Uwv en betrokkene van oordeel dat betrokkene in een zodanig bijzondere situatie verkeerde dat het Uwv terecht heeft besloten dat betrokkene beschouwd moet worden als een “atypische grensarbeider” als bedoeld in het Miethe-arrest. Daarbij wijst de Raad erop dat het centrum van het maatschappelijk leven van betrokkene zich ten tijde hier van belang in Nederland bevond en dat zij hier te lande de beste kansen op werkhervatting had. Verder acht de Raad hierbij van belang dat betrokkene nimmer in België heeft gewerkt, zij dicht bij de Nederlandse grens woonde en haar echtgenoot ook in Nederland werkzaam was.

4.6. Indien aangenomen wordt dat betrokkene geen grensarbeider was dan moet naar

’s Raads oordeel aangenomen worden dat betrokkene een werkneemster was als bedoeld in artikel 71, eerste lid, sub b, van Vo. 1408 /71. Ingevolge dit artikellid heeft een werkneemster die geen grensarbeider is en volledig werkloos is, maar ter beschikking blijft van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de bevoegde staat, recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van die staat. Betrokkene voldoet, naar ook het Uwv heeft aangenomen, aan deze voorwaarden, aangezien zij zich al enige jaren voor het intreden van haar werkloosheid heeft ingeschreven als werkzoekende bij de toenmalige Nederlandse dienst voor arbeidsbemiddeling, de CWI. Voor de stelling van appellant dat geen sprake is geweest van een reële beschikbaarstelling van betrokkene, zodat dit artikellid geen toepassing kan vinden, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten.

4.7. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het Uwv terecht heeft besloten dat betrokkene met toepassing van Vo. 1408/71 vanaf 1 maart 2006 recht heeft op een uitkering krachtens de WW. Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M. Pijper.

NK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature