Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nuth (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor het oprichten van een garage, keermuren, spiltrap en poort op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Uitspraak



200900866/1/H1.

Datum uitspraak: 2 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 december 2008 in zaak nr. 08/298 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nuth.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nuth (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor het oprichten van een garage, keermuren, spiltrap en poort op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 juli 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor dit bouwplan.

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de besluiten gehandhaafd onder uitbreiding van de verleende vrijstelling.

Bij uitspraak van 24 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 maart 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. drs. H.M.G. Duijsters, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.M.J.G. Neelis en A.H.F. Laeven, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. O.W. Wagenaar, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is voorzien op gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan "Klooster Aalbeek" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Park" rusten. Het bouwplan is daarmee in strijd. Het college heeft krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het perceel buiten de bebouwde kom is gelegen, zodat het college niet krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO , gelezen in samenhang met artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) vrijstelling voor het bouwplan kon verlenen. Hij voert hiertoe aan dat het bouwplan een groter bruto-vloeroppervlak heeft dan de 25 m², die ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder 2, onder a, van het Bro 1985 is toegestaan.

Ook heeft de rechtbank volgens hem onvoldoende gemotiveerd dat het college bevoegd was deze vrijstelling te verlenen voor de spiltrap, de poort en het hekwerk.

2.2.1. Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro 1985 , voor zover thans van belang, komen voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking:

a. een uitbreiding van of een bijgebouw bij:

1. een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft;

2. een woongebouw buiten de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en

a. het bruto-vloeroppervlak van de uitbreiding of het bijgebouw niet groter is dan 25 m²,

b. de uitbreiding of het bijgebouw bestaat uit één bouwlaag en gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 meter, en

c. de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat het aansluitende terrein voor meer dan 50% bebouwd is, dan wel dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden;

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bro 1985 , komen voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde:

1. waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m², en

2. dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 m.

2.2.2. Dit betoog slaagt niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 maart 2007 in zaak nr. 200604956/1; www.raadvanstate.nl) is de vraag of een perceel in de bebouwde kom is gelegen een vraag van feitelijke aard, waarbij de aard van de omgeving bepalend is en van belang is waar de bebouwing feitelijk (nagenoeg) ophoudt.

Het perceel is gelegen in een woonwijk van enkele tientallen vrijstaande villa's en is derhalve gelegen binnen de bebouwde kom.

Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bouwplan ziet op een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, zodat - gezien het feit dat het aantal woningen gelijk blijft - het college bevoegd was voor het bouwplan vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO .

Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de spiltrap, de poort en het hekwerk terecht overwogen dat deze bouwwerken geen bruto-vloeroppervlakte hebben dat groter is dan 25 m² en evenmin hoger zijn dan 5 m, gemeten vanaf het aansluitende terrein, zodat zij voldoen aan het bepaalde in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bro 1985 en het college derhalve eveneens bevoegd was voor deze bouwwerken vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO .

2.3. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in bezwaar alsnog vrijstelling kon verlenen voor het bouwen tot aan de perceelsgrens. Volgens hem had een nieuwe vrijstellingprocedure moeten worden gestart om hem in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze op dit punt in te dienen en is hij geschaad in zijn belangen, nu hij die gelegenheid niet heeft gehad.

2.3.1. Dit betoog slaagt niet. Blijkens het besluit op bezwaar heeft het college bij de beoordeling van de bezwaren van [appellant] vastgesteld dat het ten onrechte geen vrijstelling heeft verleend van de bepaling dat aangebouwde bijgebouwen tenminste 3 m uit de erfscheiding worden gebouwd en dit bij besluit van 22 januari 2008 alsnog gedaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aard van de bezwaarschriftenprocedure met zich brengt dat een bestuursorgaan een gebrek als het onderhavige in de bezwaarschriftenprocedure kan herstellen. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat niet is gebleken dat [appellant] in zijn belangen is geschaad, omdat hij zowel in bezwaar als in beroep zijn bezwaren tegen het bouwplan voldoende naar voren heeft kunnen brengen.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan kon verlenen.

2.4.1. Hij voert hiertoe in de eerste plaats aan dat het college vrijstelling heeft verleend in strijd met het eigen beleid, omdat een bijgebouw in twee bouwlagen in strijd is met artikel 4.1 van de "Nota voorschriften bijgebouwen Nuth" van 6 juli 1999 (hierna: de Nota), gewijzigd op 19 juni 2001. Voorts voert hij aan dat het bouwplan eveneens in strijd is met artikel 2.2 gelezen in samenhang met artikel 2.2.3 van de Nota, omdat het meer dan drie meter v óór de voorgevelrooilijn van zijn woning is voorzien. Hij wijst er in dit verband op dat het college heeft geweigerd aan hem vrijstelling te verlenen voor een vergelijkbaar bouwplan.

2.4.1.1. In de Nota is vermeld dat deze door het college wordt gehanteerd als beleidslijn ten behoeve van het al dan niet verlenen van een vrijstelling middels artikel 19 van de WRO .

In de Nota is als definitie van bouwlaag vermeld: een gedeelte van een gebouw, dat door een (lees: op) gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van onderbouw en zolder.

In artikel 2.2 gelezen in samenhang met artikel 2.2.3 van de Nota, voor zover thans van belang, is vermeld dat een kortere afstand dan 3 meter van het bijgebouw tot aan de voorgevelrooilijn is toegestaan, met dien verstande dat het bijgebouw niet meer dan 3 meter voor de voorgevelrooilijn van de woning op het naastgelegen perceel is gelegen.

In artikel 4.1 van de Nota is vermeld dat bijgebouwen in ten hoogste één bouwlaag mogen worden opgericht, die qua hoogte aansluit op de hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw.

2.4.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 mei 2009 in zaak nr. 200806460/1; www.raadvanstate.nl) kan een dakterras niet worden aangemerkt als een bouwlaag. In deze uitspraak is, anders dan in de door [appellant] genoemde uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2003 in zaak nr. 200206370/1 (www.raadvanstate.nl), een definitie van bouwlaag opgenomen die gelijk is aan de in de Nota opgenomen definitie. De rechtbank heeft dan ook terecht in aanmerking genomen dat het terras aan de bovenzijde niet is voorzien van een vloer of balklaag en terecht vastgesteld dat het bouwplan in één bouwlaag voorziet.

2.4.1.3. Uit de stukken en het onderzoek ter zitting is gebleken dat de woningen van [appellant] en [vergunninghouder] niet dezelfde voorgevelrooilijn hebben. De voorgevelrooilijn van de woning van [appellant] is gelegen aan de Aalbekerweg, zijnde de achterzijde van het perceel van [vergunninghouder] en de voorgevelrooilijn van de woning van [vergunninghouder] is gelegen aan de Membredehof, zijnde de achterzijde van het perceel van [appellant]. Voor zover al sprake zou zijn van een naastgelegen perceel als genoemd in artikel 2.2.3 van de Nota, gelet op de ligging van de woningen van [appellant] en [vergunninghouder] aan twee verschillende wegen, is niet gebleken dat het bouwplan meer dan 3 meter van de voorgevelrooilijn van de woning van [vergunninghouder] is gelegen.

2.4.1.4. Dat het college geweigerd heeft medewerking te verlenen aan een aanvraag van [appellant] voor het bouwen van een garage, erfafscheiding en plantenkas, kan in deze procedure niet leiden tot het daarmee door [appellant] beoogde resultaat. Het college heeft gemotiveerd en onweersproken gesteld dat beide bouwplannen niet vergelijkbaar zijn.

2.4.1.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht de verleende vrijstelling niet in strijd met de Nota heeft geacht.

2.4.2. In de tweede plaats voert [appellant] aan dat zich een evidente privaatrechtelijke belemmering voordoet, omdat het bouwplan in strijd is met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

2.4.2.1. Ingevolge artikel 5:50, eerste lid, BW is het, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.

2.4.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 november 2007 in zaak nr. 200608551/1; www.raadvanstate.nl) kan een civielrechtelijke belemmering met evident karakter aan de verlening van een vrijstelling in de weg staan. Een dergelijke belemmering doet zich in dit geval niet voor. Op de van de bouwvergunning deel uitmakende bouwtekening is immers te zien dat het dakterras wordt afgebakend door een hekwerk dat op 2 m afstand van de perceelsgrens is gelegen, zodat realisering van het bouwplan niet in strijd is met artikel 5:50, eerste lid, BW .

2.4.3. Gelet op hetgeen onder 2.4.1.2 tot en met 2.4.2.2 is overwogen is in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het college in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

2.5. Ten slotte betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Volgens [appellant] is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de garage niet aan de achterzijde, doch aan de zijzijde van de woning van [vergunninghouder] gelegen, hetgeen in strijd is met de welstandsnota.

2.5.1. Eerst in beroep heeft [appellant] de inhoud van het welstandsadvies bestreden. In bezwaar heeft [appellant] slechts een procedureel bezwaar aangevoerd tegen het welstandsadvies. Voor de welstandscommissie bestond derhalve geen aanleiding om het op 21 november 2006 gegeven positieve advies in de vorm van een stempeladvies naar aanleiding van het bezwaar van [appellant] nader te motiveren.

In de welstandsnota is als stedenbouwkundig aandachtspunt vermeld: "Bijgebouwen alleen aan de achterzijde van gebouwen". Zoals het college ter zitting heeft betoogd, volgt hier niet uit dat de welstandscommissie een negatief advies had moeten uitbrengen, indien het bijgebouw niet achter, maar naast het hoofdgebouw is gesitueerd. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het welstandsadvies onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat de bouwvergunning daarom had moeten worden geweigerd.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009

17-564.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature