Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 16 november 2007 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst) de aan [appellante] verleende huurtoeslag 2006 definitief vastgesteld op € 0,00.

Uitspraak



200902039/1/H2.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 februari 2009 in zaak nr. 08/975 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2007 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst) de aan [appellante] verleende huurtoeslag 2006 definitief vastgesteld op € 0,00.

Bij besluit van 15 mei 2008 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 februari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 april 2009.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. B.M.A. van Eck, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag zoals dit luidde ten tijde van belang, is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), bestaat, indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, geen aanspraak op een tegemoetkoming indien bij de belanghebbende over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstellingen bedoeld in afdeling 5.3 en 5.3A van die wet.

Ingevolge artikel 47 kan bij ministeri ële regeling een van deze wet afwijkende maatregel worden getroffen voor groepen gevallen waarin toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dat is de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling) Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling, blijft artikel 7, derde lid, van de Awir op verzoek van de belanghebbende buiten toepassing ten aanzien van degene bij wie over het berekeningsjaar geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen indien de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zou worden verminderd met de in dit lid genoemde bezittingen en uitkeringen.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij over het jaar 2006 geen recht op huurtoeslag heeft. [appellante] voert daartoe aan dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 47 van de Awir , nu haar inkomen in 2006 de toepasselijke inkomensgrens met slechts € 54 overschrijdt en dit tot gevolg heeft dat zij de huurtoeslag geheel misloopt. Volgens haar is dat in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet gelijke behandeling , alsmede met artikel 1 van de Grondwet , nu de regeling niet voorziet in een glijdende schaal.

2.2.1. Het betoog faalt. Bij de uitvoeringsregeling, een algemeen verbindend voorschrift, is een regeling getroffen voor groepen gevallen waarin toepassing van artikel 7, derde lid, van de Awir leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Buiten de in de Uitvoeringsregeling opgesomde gevallen bestaat geen bevoegdheid tot het buiten toepassing laten van artikel 7, derde lid, van de Awir . Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is niet in geschil dat [appellante] er over het jaar 2006 geen aanspraak op kan maken dat artikel 7, derde lid, van de Awir buiten toepassing blijft ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling. Dat de overschrijding van de inkomensgrens slechts € 54 bedraagt, maakt dit niet anders, nu dit geen onbillijkheid van overwegende aard oplevert als bedoeld in artikel 47 van de Awir , gelezen in samenhang met artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de van toepassing zijnde bepalingen uit de Awir en de Uitvoeringsregeling ertoe leiden dat [appellante] over het jaar 2006 geen recht heeft op huurtoeslag.

Voor zover [appellante] aanvoert dat de Uitvoeringsregeling in strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling, overweegt de Afdeling dat het toepassingsbereik van die wet wordt bepaald door de artikelen 5 tot en met 7 en 7a. De artikelen 5, 6 en 6a hebben betrekking op het terrein van arbeid en het vrije beroep; dat is niet aan de orde. Artikel 7 betreft het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten, loopbaanori ëntatie en advisering en beroepskeuze. Uit de wetsgeschiedenis en uit het stelsel van de wet - in het bijzonder het verband tussen de artikelen 7 en 7a - moet worden afgeleid dat het verlenen van huurtoeslagen hier niet onder valt. Artikel 7a, betreffende sociale bescherming met inbegrip van sociale zekerheid en sociale voordelen, is wel van toepassing; op dit terrein verbiedt de wet echter alleen discriminatie op grond van ras. De Afdeling concludeert dat er geen sprake is van strijd met de Algemene wet gelijke behandeling.

De wijze waarop artikel 7, derde lid, van de Awir , gelezen in samenhang met de Uitvoeringsregeling, de draagkrachtgrenzen en de gevolgen daarvan bepaalt, levert evenmin strijd op met artikel 1 van de Grondwet , nu degenen wier draagkracht verschilt niet als "gelijke gevallen" in de zin van die bepaling kunnen worden aangemerkt, en uit artikel 1 niet volgt dat de gevolgen van verschillen in draagkracht door middel van een meer glijdende schaal tot uitdrukking zouden moeten worden gebracht dan is gebeurd in de Uitvoeringsregeling, zoals [appellante] heeft betoogd.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de minister van Financiën niet verzocht heeft met toepassing van artikel 47 van de Awir maatregelen te treffen die tegemoetkomen aan haar onbillijke situatie. Zij stelt zich daarbij op het standpunt dat de uitvoeringsregeling niet limitatief is en de minister van Financiën partij is in het onderhavige geschil.

2.4. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat aan dat verzoek geen gehoor kon worden gegeven, omdat het buiten de omvang van het geding valt. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de minister van Financiën geen partij is in dit geding. De bevoegdheid om te beslissen in zaken betreffende de huurtoeslag ligt ingevolge artikel 1a van de Wet op de huurtoeslag bij de Belastingdienst. Reeds daarom kan aan het verzoek van [appellante] tot het treffen van een voorziening door de Afdeling evenmin gehoor worden gegeven.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

47-616.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature